2.4. De stamhouder

De dood van de Nederlandse stamvader en de verkoop van het familiehuis betekenen niet het einde van de Familiekroniek Von Meijenfeldt. Eind 1838 zijn er immers vier zonen op huwbare leeftijd met een betaalde baan. Van hen zal uiteindelijk alleen derde zoon Carl volwassen kinderen krijgen die de familienaam voortzetten. Om die reden komt aan hem als stamhouder vanaf hier de hoofdrol toe.

Stamboom van de familie Von Meijenfeldt, generatie I – II

Eind 1838 is Carl von Meijenfeldt 23 jaar oud en daarmee volgens het recent ingevoerde Burgerlijk Wetboek meerderjarig. Hij is vermogensrechtelijk volledig handelingsbekwaam en familierechtelijk niet onderworpen aan de ouderlijke macht. Mocht hij vóór zijn dertigste een huwelijk aangaan, dan is toestemming van zijn moeder wel vereist. Die regel is gehandhaafd, niet zozeer om te garanderen dat hij voldoende inkomen voor zijn toekomstige vrouw en kinderen zal hebben, maar meer om het vermogen van de ouders te beschermen.

Carl werkt al ruim 11 jaar op de Rijkswerf van Rotterdam. Hij is inmiddels Scheepstimmerman der Tweede Klasse en krijgt mei 1839 een bevordering naar de Eerste Klasse. Dat brengt zijn maandinkomen nog niet boven de dertig gulden uit. Hij zit in ploeg C onder Meesterknecht Van Asperen. Commandant van de werf is Maurits Ver Huell, wiens oom onder Napoleon admiraal was. Wat Kikkert voor vader was, is Ver Huell voor Carl, zeker als deze in 1839 wordt bevorderd van equipagemeester tot waarnemend directeur van de werf en kommandant der marine in het hoofddepartement van de Maas. Diens zoon Alexander Ver Huell legt een waardevolle collectie aan, waarin onder andere de tekening van vader bij diens rekest van 1810 terecht komt. (1)

Quirijn Maurits Rudolph Ver Huell (1787-1860)
A. Ver Huell & E. Vermorcken, Gelders Archief  2039-1360

Oudste broer Jan is dertig jaar oud. Hij biedt zich aan als zelfstandig timmerman en presenteert zich als welputboorder. Die vaardigheid heeft hij bij het nu verkochte familiehuis opgedaan, toen hij putten boorde naar grondwater voor het oppompen van drinkwater. Het slootwater is als bron gemakkelijker, maar daar onbruikbaar ten gevolge van het chloor op de bleekvelden.

Broer Hendrik besluit op 28-jarige leeftijd niet meer de zee op te gaan, maar blijft wel in rijksdienst. Na sollicitatie neemt de Belastingdienst arrondissement Rotterdam hem op 9 april 1838 aan, met de aantekening dat hij Engels en Maleis kan spreken. Twee dagen na de verjaardag van Carl start hij met zijn opleiding. Vanaf 1 september is hij Buitengewoon Commies c.q. Waker bij het Entrepot Rotterdam.

Net als Carl is zijn 21-jarige broer Friedrich in dienst van de Koninklijke Marine. In Hellevoetsluis rondt hij op het wachtschip Amstel zijn opleiding tot stuurman af. Hij stapt net als Hendrik elf jaar eerder op 16 september 1838 aan boord van een heus zeeschip met een reisopdracht. In de rang van vierde stuurman dient hij op Z.M. Brik van Oorlog Panter van 12 stukken en 100 koppen onder kapitein-luitenant ter zee L.J. de Vries. Vader is er niet meer om hem een afscheidsbrief toe te steken. Begin november vaart hij af naar Goede Rede (Goeree) de Noordzee op en het Kanaal in richting Batavia. (2)

Eind 1838 moeten moeder, Jan, Hendrik, Carl en 15-jarige zusje Nellie het verkochte familiehuis na 22 jaar ontruimen. Zij keren terug naar de binnenstad van Rotterdam. Door de Goudsche Poort betrekken zij de tweede straat rechts in de (Grote) Kipstraat op de hoek van de eerste steeg op nummer 140 een huurwoning. (3) 

Volkstelling 1839

In 30 september 1839 krijgt Hendrik formeel definitief ontslag uit de marine. Friedrich was begin april van dat jaar op de rede van Batavia aangekomen en doorgevaren naar het oosten tot de Rede van Ambonia. Vandaar gaat het noordwaarts naar Celebes. Zo blijft hij twee jaar lang door de wateren van Oost-Indië kruisen, totdat hij voor de Rede van Batavia samen met stuurmansleerling Strijp ziek van de Panter wordt gehaald. In het Militair Hospitaal Weltevreden ondergaat hij verpleging. In tegenstelling tot zijn broer Hendrik eerder komt die voor hem te laat. Drie dagen later op 13 maart 1841 sterft Friedrich von Meijenfeldt op 23-jarige leeftijd. Na twee dagen komen zijn spullen terug aan boord en begrijpt de bemanning hoe het is afgelopen. (4)

Nog niet wetend van dit onheil maakt Carl op 30 maart het bezoek mee van koning Willem II aan ’s Rijks Werf. Na een 25-jarig bewind van diens vader brengt de nieuwe koning zijn eerste officiële bezoek aan de Maasstad. Die ochtend arriveert hij met zijn Russische vrouw en drie kinderen. De net tot directeur benoemde Ver Huell betreedt met  het koninklijke paar de eerder op de werf gebouwde koninklijke sloep met eenentwintig ereroeiers, om hen naar het fregat India in de haven te brengen. Het jaar daarop komt de koning nog twee keer naar de werf, voor het vertrek en de latere aankomst van zijn getrouwde dochter groothertogin Sophie. Eind 1843 komt hij weer om het stoffelijk overschot van zijn vader Willem I van een schip uit Hamburg te halen, vier dagen in het Zeepaleis te laten opbaren en in een stoet weg te rijden voor de begrafenis in Delft. 

Moeder Cato wordt in die tijd voor een andere begrafenis naar Amsterdam geroepen. Haar ongehuwd gebleven jongere zus Engeltje Pieploo sterft daar op 4 december 1843. Zij is dienstbode in het stedelijke Buitengasthuis aan de Overtoom, waar in tegenstelling tot het Binnengasthuis in het centrum besmettelijke en krankzinnige patiënten in behandeling zijn. Op haar woonkamer komt zij te overlijden.

Terug   ***   Verder

1. Betaalsrollen der mindere geëmployeerden en werklieden in het vak van de scheepsbouw, Inv 224 (1839), Nationaal Archief, 3.09.16.01 Directie der Marine Rotterdam. 
2. Scheepsjournaal Z.M. Brik van Oorlog Panter, Nationaal Archief 2.12.03, Inv 3564, fol 11 en 10 en 15 maart 1841. Adelborst 1e kl Pieter Toutenhoofd (1817-1894) schrijft na afloop een dagboek van de reis:  “Particulier journaal en memoriaal (…) Panter, gewapend met 16 carronades à 30 lb, 2 jagers à 8 lb en bemand met 110 koppen”. Hij maakt zijn eerste echte storm mee: ‘voor my was deeze aangelegenheid niet onaangenaam‘. Het verslag wordt ingeleid door een wat algemener deel, gevolgd door een gedeelte dat ‘ik meer in de vorm van een journaal [zal] aanbieden, daar, de opelkander volgende gebeurtenissen toch achterelkander genoemd dienen te worden.‘ Toutenhoofd geeft veel beschouwingen over/ beschrijvingen van de natuur en de elementen en vertelt hoogdravend over de heroïek van het zeemansleven. Verder beschrijvingen van aangedane plaatsen, waaronder Spanje waar men aanlegt vanwege opgelopen averij.
3. Volkstelling 1839, Stadsarchief Rotterdam 494-03, Inv 1178, Wijk K, fol 251.
4. Sterfregister der Residentie Batavia, SR 999-09, fol C 145, akte 2558, Familiearchief N.6, nr 31.