2.3.1. Kindersterfte

De tweede generatie krijgt te maken met veel zuigelingen- en kindersterfte. Naast epidemieën zijn genoemde oorzaken in de westelijke steden van Nederland het vroegtijdig stoppen van borstvoeding, waardoor de ingewanden besmet raken door vervuild drinkwater.

Wilhelmina Augusta ontsnapt hier nog aan met haar vroege kinderen. Johannes Nicolaas (1830), Johanna Susanne (1830), Arend Casper Franciscus (1832), Wilhelmina Augusta (1835) en Willem Gerrit (1839) blijven in leven. Het gezin verhuist in 1850 naar de (Kleine) Nieuwe Nieuwstraat 38 in Amsterdam. Wilhelmina blijft Hersteld Luthers, terwijl haar man en kinderen Nederlands Hervormd zijn. Vader Arendt is knecht. Oudste zoon Augustus Johannes is barbier en overlijdt 3 februari 1853 op 21-jarige leeftijd. Het gezin verhuist in 1853 naar de Kleine Anjelierstraat 25, in 1854 naar de Pijlsteeg 117 en in 1858 nog een keer.

Hendrik krijgt in 1846 een zoon Hendrik Jacobus August, die in de Grote Kerk van Rotterdam door dominee Prins wordt gedoopt. Hendrik bemachtigt bovendien een vaste aanstelling als Commies der Vierde Klasse. Hij wordt het jaar daarop overgeplaatst naar Hellevoetsluis, maar zeven maanden later al naar Rotterdam. In 1849 komt een tweede zoon met de naam Johan August, die wordt gedoopt in de Grote Kerk van Rotterdam door dominee Bouwman. Deze twee zoons overlijden snel: de tweede al na een maand en de eerste in 1850. Hendrik wordt in 1850 overgeplaatst naar Schiedam en slaagt voor zijn examen Commies Roeijen der Derde Klasse, in welke rang hij ook bevorderd wordt. In het jaar 1851 komt er een dochter Anna Catharina Henriëtte. Zij wordt een maand later door dominee Roldanus in Schiedam gedoopt. In 1854 wordt een zoon geboren die opnieuw de namen Hendrik Jacobus August krijgt. Omdat hij in Delft is gestationeerd, wordt het kind daar door dominee Broens gedoopt. Het jaar daarop verliest het gezin voor de derde keer een zoon. Alleen de dochter is nog in leven.

Carl krijgt twee dochters: Engelina Catharina Elisabeth in 1846 en Petronella Wilhelmina in 1847. In verband met ruimtegebrek verhuizen zijn moeder, broer Jan en zus Nellie dat jaar verderop in de straat naar Groenendaal 883. In de maand augustus 1848 slaat het onheil ook toe in het gezin van Carl. Beide dochters komen te overlijden.  In 1849 wordt een zoon  geboren en gedoopt door de Rotterdamse dominee Hollinghousen (1792-1855). De voor- en achternaam van zijn grootvader Evert Diederich worden zijn twee doopnamen. In die tijd geldt een regel dat een familienaam die op uitsterven staat vóór de eigen familienaam gevoerd mag worden, waardoor de Nederlandse familie vanaf dat moment Diederich von Meijenfeldt zou zijn gaan heten. Misschien maar goed dat dat daarvan geen sprake kon zijn, omdat familieleden de naam hadden vernederlandst naar Dieterich, Diederik en Dietrik.

Carl verhuist met zijn gezin naar Amsterdam. De reden is dat hij in 1850 wordt overgeplaatst naar ’s Rijks Werf in Amsterdam. Hij gaat daar als Scheepstimmerman der Eerste Klasse dienst doen. Het gezin begint in een kelderwoning aan de Kleine Kattenburgerstraat 695. In 1851 wordt een zoon Carl Frederik geboren. Een jaar later vindt een verhuizing plaats naar een verdieping op de Nieuwendammergrachtje 822 om het groeiend aantal kinderen te herbergen. Nog datzelfde jaar verhuist het gezin opnieuw, naar de Kattenburgerstraat 665 (nu 145). In 1853 volgt een zoon Frederik Hendrik. In 1854 wordt Carl benoemd tot schilder en schrijver bij de Tweede Meesterknecht A. van der Sluis. In 1856 wordt een dochter Catharina Margaretha (Cato) geboren en in 1857 een zoon Johan August. Carl wordt gepromoveerd tot Aannemer in de Houthaven.

Kattenburg te Amsterdam. Carl von Meijenfeldt (1815-1899) woont met gezin van links naar rechts: - 1866-1888: Kattenburgergracht 530, nu 13; - 1850-1852: (Kleine) Kattenburgerstraat 695 kelder; - 1852-1866: (Kleine) Kattenburgerstraat 665, nu 145; - 1852: Nieuwendammergracht(je) 822 verdieping, nu flatgebouw Marinierskade.Kattenburg te Amsterdam. Carl von Meijenfeldt (1815-1899) woont met gezin van links naar rechts:
– 1866-1888: Kattenburgergracht 530, nu 13;
– 1850-1852: (Kleine) Kattenburgerstraat 695 kelder;
– 1852-1866: (Kleine) Kattenburgerstraat 665, nu 145;
– 1852: Nieuwendammergracht(je) 822 verdieping, nu flatgebouw Marinierskade.

In 1858 overlijdt moeder Catharina Margaretha von Meijenfeldt-Pieploo te Rotterdam. Jan gaat met zijn zuster Nellie in de Hoogstraat wonen. Daar huurt hij een woning van de weduwe Canta voor 1,50 gulden per week. Hendrik wordt om niet te achterhalen redenen teruggeplaatst tot Commies der Vierde Klasse, hetgeen de nodige financiële consequenties heeft.