3.6.2. Kruitdiefstal

Op 7 april 1793 kreeg Johan August Schohl ontslag uit het Zweedse leger, hoewel zijn contract niet was verlopen en hij er ook niet om had gevraagd. Het ontslag was op staande voet en op oneervolle wijze. De aanleiding was namelijk verduistering en verkoop van kruitvaten uit het magazijn van de Koninklijke Artillerie. (1)

Al op 10 april schetste de militaire aanklager bij de Krijgsraad dat 16 houten vaten buskruit van elk 100 pond (centenaar) in de binnenstad waren ontdekt in de kelder bij koopman Wallis, die ze op 28 maart voor 112 Rijksdaalder had gekocht. Verkoper Schohl had ze op een huifkar met vier paarden bespannen afgeleverd en was na zijn ontslag de grens over gevlucht.

Onderste zin: Beforderung der Flucht des Stückjunkers Schohl

Op 19 april schreef Schohl een brief vanuit Altona bij Hamburg aan zijn legerchef Armfelt. Zonder illusie van terugkeer vroeg hij om excuses en begrip voor zijn daden. Wallis hem hebben overgehaald zijn schulden af te lossen met de verkoop van buskruit. Hij had gedacht dat de kruitrestanten van een oefening in het magazijn niet gemist zouden worden. Wallis werd door het Niedergericht Stralsund strafrechtelijk veroordeeld vanwege heling en gevaarzetting tot een boete van 500 Rijksdaalder, want sinds de grote ontploffing van 1770 mochtenm burgers maar 10 pond in huis hebben. (2)

De twee vermeldingen van Stückjunker Schohl in de doopboeken komen hier terug. Bij de doop van zijn natuurlijke zoon in 1788 was blikslager Wachsmuth eerste getuige en werd nu verhoord. Het blijkt dat Schohl niet alleen bij hem in de Knieper voorstad op kamers woonde, maar ook naar hem op zoek ging nadat hij de nacht na zijn ontslag wegbleef. Na een tip reed Wachsmuth naar het 23 km zuidwestelijk gelegen Franzburg, waar de zuster van Schohl woonde:

öfwer Schohls frånwaro först beslutit söka honom hos deß Syster, som är gift med Arrendatoren på Wolstorp
besloot Schohls verblijfplaats eerst te zoeken bij het huis van zijn zuster, getrouwd met de pachter op Wolstorp

De zuster van Schohl blijkt getrouwd met een pachter op ‘Wolstorp’ bij Franzburg. Op 13 december 1791 was hij doopgetuige bij pachter Thilow en zijn vrouw Augusta Juliana Meijer(feldt) in Wolfsdorf, ook bij Franzburg. Wat kan dit anders betekenen dan dat Stückjunker Schohl de stamvader is? De voornamen, leeftijd, geboorteplaats en beroep waren al passend.

Zelfs de datum van zijn vlucht past goed, want met een schip van Hamburg naar Amsterdam kostte het maar een paar dagen. Met zijn 15 jaar ervaring in Zweedse dienst en zijn rang van Stückjunker moet hij met overlegging van Zweedse papieren gemakkelijk hebben kunnen aanmonsteren als Eerste Konstabel en per saldo Konstabel-Majoor. Dat hij tegelijk zijn naam Schohl voor Meijenfeldt inwisselde was in die tijd niet ingewikkeld. De enige die een probleem had was de Zweedse graaf, die voor een gevluchte dief geen plaats in zijn testament inruimde.

Als deze ontdekking klopt, moet zoon Carl de fout hebben gemaakt dat zijn vader eerst in Franse dienst ging. Hij zal niet gedacht hebben dat de artilleriebrigade van Stralsund toentertijd Frans was. Veel aannemelijker is dat hij de volgorde omwisselde. In de periode 1810-1813 was zijn vader wel in Franse dienst ten gevolge van de inlijving van het Koninkrijk Holland bij Napoleons keizerrijk. In de herinnering aan zijn vader zaten meer van dit soort begrijpelijke foutjes, zoals bij de achternaam van zijn grootmoeder Spint in plaats van Sparre.

Terug   ***   Verder

1. Svenska Krigsarkivet, 0023 Generalmönsterrullor, 1738. R. Oldach, “Stadt und Festung Stralsund. Die Schwedische Militärpräsenz in  Schwedisch-Pommern 1721–1807”, Greifswald 2017, pag. 395-397.
2
. Stadtarchiv Stralsund, Rep. 3, Nr.6351