3.3.6. Afkoop

Het is niet denkbeeldig dat Augusta Juliana op 15 juli 1800 bij de bijzetting van de Zweedse graaf aanwezig was. Zij was immers zijn natuurlijke dochter en verkrijgster van zijn legaat. Toen kon zij de 21 kilometer van Schabow naar Nehringen gemakkelijk opverbruggen. Een lijst van genodigden zit helaas niet bij de vele begrafenispapieren.  

Na het wegvallen van de pachtinkomsten van Schabow blijkt al snel hoe Augusta Juliana met zoveel jonge kinderen kon rondkomen. Zij accepteerde november 1802 het aanbod van de gravin-weduwe Sparre tot afkoop van het legaat voor een bedrag van 500 rijksdaalder. Dat bedrag gebruikte zij voor de financiering van de opstallen en inventaris van een een Gehöft (hofstede) in Marlow. (1)

Deze verrassende ontwikkeling blijkt uit een vonnis van het Tribunaal van Wismar. De eisers in het onderhavige geschil waren Friedrich Christoph Karl Hagenow, pachter op Langenfelde, en Friedrich Steinmann, pachter op Nehringen. Zij tekenden beroep aan tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Greifswald. (2)

Uit het vonnis van 88 volgeschreven foliovellen komen veel feiten over Augusta Juliana naar voren. Sinds haar eerste bruiloft in 1783 had zij gewoond in het inspecteurshuis van Thilow in het aangrenzende stadje Loitz, minder dan 10 kilometer naar het zuiden. Na de geboorte van hun twee kinderen was haar man weliswaar plotseling overleden, maar had toch nog kans gezien twee maanden daarvoor op 9 november 1789 een testament op te stellen. Daarin had hij haar aangewezen als universeel erfgenaam en vruchtgebruiker over het deel van hun twee kinderen, voor wie hij Hagenow en Steinmann als voogd had aangewezen. 

Het testament van Thilow had op 10 februari 1790 werkingskracht gekregen, waarna Augusta Juliana met de voogden op 29 maart had afgesproken het huis in Loitz openbaar te verkopen en de inventaris in natura te verdelen. Kort na haar tweede bruiloft had zij de verdeling op 24 en 25 mei 1791 definitief afgewikkeld, maar het huis was nog niet verkocht. Eenmaal verhuisd naar Wolfsdorf en moeder van een tweeling was zij op 23 december akkoord gegaan met verkoop van het huis aan koopmansweduwe Jael Voss en de storting van de opbrengt van 600 rijksdaalder in de onverdeelde boedel.

Bij de afkoop van het legaat eiste voogd Hagenow – mede namens Steinman, die eigenaar van Gnoien in Mecklenburg was geworden – een hypothecaire zekerheid op de aangekochte hofstede in Marlow  voor de twee oudste kinderen. Thilo ging hiermee akkoord, mits zijn eigen kinderen ook een zekerheid kregen. Voor de extra werkzaamheden die advocaat PommerEsche hiervoor moest verrichten bracht hij kosten in rekening, niet bij de gravin-weduwe maar bij Hagenow. Deze weigerde te betalen met het argument dat het testament van de eerste echtgenoot Thilow uit 1789 bepaalde dat de twee kinderen kostenvrij moesten blijven. Dit conflict kwam voor de rechter.

Aan de beslechting van dit conflict kwam de rechter niet toe. Het Gerechtshof van Greifswald oordeelde in 1803 en het Tribunaal van Wismar in 1805 dat Hagenow niet tegelijk voogd van de twee kinderen en toezichthouder over voogden kon zijn. Die laatste hoedanigheid had hij verkregen door aankoop van het landgoed Medrow met Glewitz en Langenfelde van de gravin-weduwe von Meijerfeldt, met financiële hulp van zijn zwager Joachim Christian von Rodbertus, koopman in Barth. Daarmee won Hagenow begin 1802 de rijksadelstand met het suffix von, maar verloor de voogdijschap over de Thilowse kinderen. (4)

Deze rechterlijke vonnissen geven in combinatie met het testament, de volkstelling en de kerkboeken voldoende ondersteuning aan de aantekening van pastor Thilo dat Augusta Juliana een natuurlijke dochter van de Zweedse graaf was.

Terug   ***   Verder

1. pm
2. De Nalatenschapsbeschrijving van gravin Sparre van 1817 bevat toch nog een bedrag van 1.000 rijksdaalder. Dit even grote bedrag had de gravin in 1798 toevallig geleend van de inmiddels gepensioneerde Justitieraad Palmsvärd, oorspronkelijk Jan Eric Nibelius, een goede vriend van oud-huisleraar Kellgren. J.E. Palmsvärd. Autobiografie, Stockholm 1931. ♣
3. Der Eigentümer Hagenow zu Langenfelde und Friedrich Steinmann zu Gnoien als Vormünder der Thilowschen Kinder contra das königliche Hofgericht in Greifswald, Wismarer Tribunal, Relationen, Urteilsbegründungen des Assessoren, Landesarchiv Greifswald, 010.01. Schwedische Regierung Stralsund. 1805 IV nr. 6 d.d. 22-04-1805, pag. 1-88.
4. Brief van Ulrike Cordt, Freising 23 januari 1996, over haar betbetovergrootvader Friedrich von Hagenow. [CH-279]