De oudste dochter in het gezin De Koe is Petronella Wilhelmina von Meijenfeldt, roepnaam Nellie. Zij is op 30 maart 1885 geboren in de Commelinstraat 34 in Amsterdam. Haar doop is op 19 april in de Christelijk Gereformeerde Nieuwe Kerk aan de Keizersgracht. Drie jaar later verhuist het gezin naar de Noorderstraat 90, waar ook oma Diederich komt te wonen, naar wie zij vernoemd is.
In 1908 is Nellie juffrouw van gezelschap bij de pijphandelsfamilie Wassman in de Honthorststraat. Zij trouwt als eerste in het gezin De Koe op 2 december 1909 met Willem Samuel (Wim) de Haas, geboren in Haarlemmermeer op 28 augustus 1883. De achternaam van de bruidegom is geen toeval: zijn tante is dezelfde als de aangetrouwde tante van de bruid: Margré de Haas. Na de vroege dood van zijn vader had hij zich op 16 september 1902 aan de Vrije Universiteit ingeschreven voor Theologie en tegelijk Rechten. Beide propedeuses haalde hij in 1903, zijn kandidaats in 1907 en doctoraal op 29 maart 1909.
Willem Samuel de Haas
foto: Nic. Schuitvlot, Paleisstraat 5, Amsterdam
Het bruidspaar vertrekt naar Donkerbroek in Ooststellingwerf, de Friese grenshoek met Drenthe en Groningen. Wim is daar per 15 december 1909 beroepen als predikant, Nellie krijgt daar op 23 oktober 1910 haar eerste kind Hetty. De tweede standplaats per 5 november 1911 is Barradeel in Tzummarum, diagonaal aan de andere kant bij de Friese Waddenkust. Daar komt op 2 november 1912 een tweede kind met de namen van grootvader. In 1914 krijgt Wim een aanstelling in Utrecht, met de bedoeling om als missionair predikant naar Indië te vertrekken. Na enige preken in diverse steden zegt hij in zijn afscheidswoord: “Wij hebben onnoemlijke schatten uit Indië gehaald, maar voor de geestelijke belangen van die 40 miljoen hebben we zeer weinig gedaan“. Nellie en hun twee kleine kinderen in Amsterdam op 24 april 1915 aan boord van de s.s. Prins der Nederlanden naar Batavia.
Het gezin strijkt neer in Purworedjo op Midden-Java. Na enige maanden brengt Wim een 14-daags bezoek aan Sumatra. Veel kranten drukken zijn verslag af, waarin hij oneindig lange boot- en treinreizen en angstige wagenritten door het vijandige Atjeh beschrijft. Hij vraagt begrip voor de geloofsgenoten, die met weinigen wonen in verre verspreide dorpen zonder kerk en zondagsrust, en niet met andere Nederlanders naar de sociëteit, bioscoop of theater mogen. Op 2 juni 1917 baart Nellie in Purworedjo een derde kind Frederik Hendrik, de namen van haar overleden vader. Haar broer Carl zit in die tijd op West-Java en haar broer Frits op Celebes. Gezien de enorme afstanden is familiebezoek niet gemakkelijk.
Missionaire predikanten hebben bij Javanen de naam bekrompen te zijn, hun godsdienst op te dringen en tot aan hun emeritaat of dood op hun post te blijven. Wim de Haas is uit ander hout gesneden, want hij vraagt een gereformeerde Chinees te dispenseren van de plicht zijn toko op zondag te sluiten, maar vindt de Generale Synode op zijn weg. Dit lijkt voor hem de druppel die de emmer doet overlopen, want per 1918 legt hij zijn ambt neer en treedt uit de kerk “omdat hij in de hoofdpunten van de belijdenisschriften niet langer de uitdrukking van zijn geloofsovertuiging vindt“. De gereformeerden in het vaderland noemt zijn uittreding officieel “smartend en beschamend“, de “zwaarste beproeving” en “diep schokkend“. Anderen spreken van verraad, vragen om kerkrechtelijk vervolging en terugvordering van zijn genoten reis- en woonvergoeding, maar dat gebeurt allemaal niet.
Met haar orthodoxe familie in Amsterdam zal Nellie dit niet gemakkelijk ondergaan, maar met drie kleine kinderen thuis zal zij tevreden zijn dat Wim twee weken eerder bij het Departement van Justitie begonnen was als tijdelijk waarnemend directeur van het Landsopvoedingsgesticht voor de jeugd in Indië. Dit nog op te zetten gesticht voor opvoeding, zorg en arbeid moet de strafrechter de kans geven verwaarloosde en misdadige kinderen hier naar toe te sturen in plaats van naar de gevangenis. Via Pro Juventute pleit hij voor aanpassing van het Indisch recht aan het Nederlandse Wetboek van Strafrecht. In september 1918 is het zover: de directeur van het Departement in Batavia arriveert om het gesticht op Sompok bij Semarang te openen. Hij is zo onder de indruk, dat hij Wim naar Batavia haalt om inspecteur tucht- en opvoedingswezen te worden. (1)
Pupillen in het Landsopvoedingsgesticht van Semarang in 1918
Nellie verhuist met het hele gezin naar de Vioslaan 3 in Weltevreden. Wim begint op 15 januari 1919 met zijn nieuwe baan, wordt secretaris bij het protestantse kerkbestuur en bij Pro Juventute, is lid van het hoofdbestuur van de Leprabestrijding en sluit zich aan bij de Vrijmetselarij, waar hij zich een aanhanger van de theoloog en filosoof Schleiermacher betoont. In 1921 krijgt hij de leiding over het Regeringsbureau voor de bestrijding van de handel in vrouwen en meisjes. Bij de viering van het 25-jarig regeringsjubileum van Koningin Wilhelmina in 1923 is hij de ceremoniemeester bij de plechtige gebeurtenis op het Gouvernement.

Nellie von Meijenfeldt en Wim de Haas
Na een vendutie (verkoop van inboedel) vaart het gezin aan boord van de Jan Pieterszoon Coen op 16 juli 1924 naar Amsterdam voor het eerste Europees Verlof. Zij wonen tijdelijk op de Joh. Vermeerstraat 38. Wim is een veel gevraagde spreker en schrijver ter verbetering van het lot van vrouwen en kinderen. Op 21 februari 1925 keert het gezin aan boord van de Slamat vanuit Rotterdam terug naar Weltevreden, waar het aan Laan Raden Salch 4 woont. Bij Justitie gaat Wim verder als hoofd Tucht-, Opvoedings-, Reclasserings- en Armwezen, onderneemt inspectiereizen, houdt voordrachten over misdaden tegen jonge meisjes en neemt zitting in commissies voor reclassering en woekerbestrijding.
Een tweede vendutie luidt een nieuw Europees Verlof in. Het gezin vertrekt op 3 juni 1931 aan boord van de Indrapura naar Rotterdam. Wim krijgt op Koninginnedag een lintje. In Utrecht houdt hij een voordracht over de bestrijding van de zedenloosheid in Indië. Het gezin woont in Den Haag in de Ieplaan 66 en de Archimedesstraat 83. Hetty is al 21 jaar oud, Wim jr. is 19 jaar en moet in dienst en Frits 14 jaar. Nellie en de kinderen besluiten in Nederland te blijven, maar Wim gaat op 24 februari 1932 toch alleen aan boord van de Johan van Oldenbarnevelt terug. In Batavia krijgt hij zijn oude functie terug gecombineerd met hoofd Gevangeniswezen. Hij neemt een kamer in Hotel Victoria, Tanah Abang West 66. In Den Haag verhuist Nellie dat jaar met de kinderen naar de Berberisstraat 53.
Pas na bijna drie jaar gaat Nellie op 17 oktober 1934 in Amsterdam aan boord van de Johan van Oldenbarnevelt om naar Batavia te gaan. Zij vindt haar man in Hotel Victoria in een relatie met de dame van de huishouding, de veel jongere Judith Chabot, die na een huwelijk met kinderen sinds haar 17de in scheiding ligt. Nellie keert een half jaar later op 15 mei 1935 zonder Wim naar Den Haag terug en vestigt zich in het najaar in de Vogelkersstraat 82. Zoon Wim jr treedt in 1937 in Den Haag in het huwelijk, met zus Hetty als getuige en alsof moeder Nellie is overgekomen uit Batavia voor de bruiloft.
Wim keert 10 jaar later terug naar Den Haag, na zijn pensioen in 1941, zijn verblijf in Bandung aan de Nijlandweg 140, internering in Semarang in zijn eigen voormalige opvoedingsgesticht, deelname aan de oorlogstribunalen en na de onafhankelijkheid van Indonesië. Daar gaat hij bij Judith en haar kinderen in de Thomoslaan wonen, zonder Nellie en zijn kinderen op te zoeken.
Nellie trekt op hoge leeftijd in bij haar ongetrouwde dochter Hetty in Zoetermeer en gaat in 1973 naar een verpleeghuis in Leidschendam. Dat jaar op 11 november overlijdt Wim op 90-jarige leeftijd; Hetty besluit nog wel naar de begrafenis van haar vader te gaan. De begrafenis van Nellie volgt nadat zij ook 90 jaar oud overlijdt op 29 juli 1975.
1. Toespraak van beide directeuren in De Locomotief, 10 september 1918, 2de blad. W. S. de Haas, ‘De Landsopvoedingsgestichten in Nederlandsch-Indië’, 37 in Jhr. S. H. H. Nahuys en J. C. Hoekstra, “Vijftien Jaar Pro-Juventute Werk in Nederlandsch-Indië”, Malang 1932. A. Dirks, “For the youth: Juvenile delinquency, colonial civil society and the late colonial state in the Netherlands Indies, 1872-1942”, proefschrift Faculteit Geschiedenis, Universiteit Leiden 2011.
