Oudste zoon Jan krijgt als eerste te maken met de militaire dienstplicht. Als antwoord op onvoldoende vrijwilligers voor het beroepsleger had Napoleon de conscriptie ingevoerd. De Nederlandse krijgsmacht kan evenmin zonder die aanvulling, waardoor naast de land- en zeemacht de Wet omtrent de Inrigting van de Nationale Militie 1817 geldt. Alle mannen moeten zich in januari van het jaar dat zij 19 jaar oud worden bij hun gemeente (laten) inschrijven. Zo’n 10 tot 30 procent van zijn leeftijdgenoten laat dat na, met het gevaar als deserteur te worden opgepakt. Met een militair als vader kiest Jan zie weg niet.
Na een oproep in de krant meldt Jan zich december 1826 op het stadhuis om een extract uit het doopregister van de Evangelisch-Lutherse Gemeente Amsterdam te verkrijgen. Daarmee gewapend laat hij bij de inschrijving zijn naam, geboorteplaats en -datum en ouders opschrijven. Hij is één van 635 jongemannen in het register van het 10de militie-kanton. Omdat maar een deel nodig is vindt elk jaar een openbare loting plaats. In het Oude Mannenhuis zijn de zittingen van de Militieraad. Jan moet zijn schoenen uittrekken om goed te kunnen horen hoe zijn naam als 32ste wordt afgeroepen. Hij loopt naar te tafel om één opgerold briefje uit een glazen kom te pakken. De onderofficier meet zijn lengte op 1 el, 6 palmen, 5 duimen en 0 strepen, omgerekend 172,5 centimeter. Bij zijn signalement staat ovaal aangezicht, rond voorhoofd, blauwe ogen, kleine neus, ronde mond en kin, blonde haren en wenkbrauwen en geen merkbare tekenen. (1)

Dan komt de uitslag van de loting. In de kom zaten de nummers 380 tot en met 1014. Het door Jan getrokken lotnummer bedraagt 959. Dat is zo hoog dat hij is uitgeloot. Uit niets blijkt dat Jan gebruik maakt van de wettelijke en door handelaars aangeboden mogelijkheid om zijn lot te ruilen met iemand met een laag nummer. Het brengt veel geld op, maar betekent wel vijf jaar werkelijke militaire dienst plus vijf jaar als reservist.
Rondom het familiehuis doet Jan vaardigheid op als welputboorder. Aanleiding is dat naast de opvang van regenwater een tweede bron voor drinkwater nodig is, omdat het slootwater onbruikbaar is ten gevolge van het gebruik van chloor op de naastliggende bleekvelden. In plaats van het handmatig graven en metselen van brede diepe putten, boort hij een welput. Dat doet hij niet met een soort kurkentrekker, maar door een zware beitel aan een houten driepoot te hangen met met een lier onophoudelijk op de bodem laat vallen en optrekken. Het boormeel verwijdert hij op gezette tijden uit de beitel. In de gemaakte boring slaat hij steeds op elkaar geschroefde buizen naar beneden, totdat de steeds langere buis onder het grondwaterniveau aankomt. Door de open buis welt dat water dan ofwel vanzelf omhoog vanwege de weggevallen gronddruk of moet met een pomp op de putdeksel geholpen worden. Dit is allemaal een bijverdienste bij zijn werk als timmerman. Zijn beroep staat ook vermeld als hij op 1 april 1828 openbaar geloofsbelijdenis aflegt bij de Lutherse dominee Fortmeijer. (2)
Tweede zoon Hendrik is klaar op de wachtschepen. Hij wordt per 3 oktober 1827 stuurmansleerling op een oorlogsschip. Eerst mag hij een weekend naar huis om te vertellen dat hij een grote reis naar Oost-Indië gaat maken. Daar woedt de Java Oorlog, één van de vele conflicten die Nederland daar uitvecht sinds de vestiging van het koloniaal bestuur in 1816 na de VOC-tijd en de Napoleontische oorlogen. Gezamenlijk gaat de familie op zondag 7 oktober naar de kerk en voor vertrek stopt Johan August zijn zoon een boekvormige brief toe, waarvan de tekst beloftevol begint:
Afscheidsbrief van de stamvader
Familiearchief N, nr. 51.
Hierna volgen adviezen over zijn gedrag: zedig en betamelijk naar gelijken, eerbiedig en gehoorzaam naar meerderen en nederig en liefderijk naar ondergeschikten. Eigen ervaringen en belevenissen op zee ontbreken. Het overgrote deel van de brief bevat godsdienstige herinneringen met bijbelcitaten, waaruit blijkt welke grote rol het geloof bij Johan August speelt.
Het oorlogsschip ligt niet in de Rotterdamse haven, maar 30 kilometer verderop, ook weer in Hellevoetsluis. De bereikbaarheid van Rotterdam vanaf de Noordzee voor zeeschepen begint even problematisch te worden als die van Amsterdam. De monding van de Maas bij Hoek van Holland is te veel verzand en omvaren via het Hollands Diep en de Oude Maas kost erg veel tijd. De keuze valt op het graven van een kanaal van negen kilometer dwars door Voorne. Hendrik gaat aan boord van het net te water gelaten Z.M. Korvet Leije. Het schip heeft 28 stukken en 150 koppen en staat onder commando van kapitein-luitenant ter zee A.J.J. van Lutsenburg. (3)
Op 25 december gaat het schip onder zeil. Na Goeree gaat het eerst noordwaarts, vanaf Texel gaat het verder op 7 januari 1828, vanaf Cadiz 23 maart en vanaf Fernambuc 11 mei. De rede van Batavia bereikt hij op 19 augustus. Dat jaar is Hendrik 18 jaar oud en schrijft zijn vader hem in bij de gemeente Rotterdam bij de Nationale Militie, met de annotatie dat hij in ’s Rijks zeedienst in Batavia is. In het jaar 1829 maakt hij daar vaarten heen en weer naar Palembang op Oost-Sumatra mee. Daar ligt hij van 21 maart tot 21 april en van 2 mei tot 6 augustus in het hospitaal. De aard van de ziekte wordt niet genoemd, maar malaria ligt voor de hand. (4)
Derde zoon Carl rondt zijn lagere school af. Na zijn 12de verjaardag begint hij een opleiding scheepstimmerman, een combinatie van de beroepen van zijn broers. Op 1 mei 1827 treedt hij als leerling in dienst van ’s Lands Werf, waar zijn vader eerder werkte. Hij start in ploeg G onder vice-commandeur D. van Geel voor 20 cent per dag, zes dagen in de week. Na 26 werkdagen komt hij eind mei met f 5,20 thuis. Elke volgende maand gaat dat opnieuw zo. Na twee jaar krijgt hij opslag van 20 cent naar 25 cent en een klein jaar later naar 35 cent. (5)
Vierde zoon Friedrich zit met zijn tien jaar nog op de lagere school. Dochter Anthonetta wordt eind 1827 ziek en overlijdt na de jaarwisseling op 5 januari, nog geen zeven jaar oud. Haar gelijknamige zus werd 14 jaar eerder nauwelijks twee jaar oud. De enig overgebleven dochter in het Rotterdamse gezin is de vierjarige Nellie. (6)
1. Familiearchief N.2 nr. 11. Stadsarchief Rotterdam 356, Gemeentesecretarie Militaire Zaken Inv 90, Inschrijvingsregister Nationale Militie 1827, blad 101.
2. Register der aangenomen ledematen bij de Christen Gemeente toegedaan de onveranderde Augsburgsche Geloofsbelijdenisse binnen Rotterdam, SR Inv 254, blad 72.
3. Soldijrollen 326 Leije fol 21, Nationaal Archief, 2.12.14 Stamboeken Marinepersoneel.
4. Militaire Zaken, SR 356, Inv 91, 1829 nr 281.
5. Betaalsrollen der mindere geëmployeerden en werklieden in het vak van de scheepsbouw 1827-05 t/m 1827-12, Nationaal Archief, 3.09.16.01 Directie der Marine Rotterdam. Familiearchief N.5, nr 63-66.
6. Overlijdensakte 32, SR 999-09, fol A 007.

