Van de tien kinderen van Carl bouwen vier zonen een gezin op die volwassen kinderen voortbrengen om de familienaam von Meijenfeldt verder te brengen. Dochter Cato is de grondlegger van een grote familie Van der Tas.
Stamboom van Carl von Meijenfeldt
De huwelijken van de kinderen van Carl en Nel kregen aandacht, maar hun nakomelingen zijn hier en daar slechts aangestipt. Toch zijn al vóór de eeuwwisseling 18 vierde-generatie-kinderen geboren en hun aantal groeit daarna tot 22. Daarmee is Carl met recht de stamhouder van de Nederlandse familie Von Meijenfeldt te noemen.
Om een speciale reden zijn deze talrijke kinderen buiten beschouwing gelaten. De ouders hebben hen namelijk doop- en roepnamen gegeven volgens strikte regels van vernoeming: binnen de familie eerst van vader dan van moeder afgewisseld, daarna eerder grootouders dan ooms en tantes, plus voorrang voor de overledenen. Zodoende dragen alle eerstgeboren zonen één enkele voornaam: Carl. En zo heten veel dochters Petronella Wilhelmina. Indien al die namen steeds genoemd zouden zijn, dan was een draaikolk van namen ontstaan. Een meesterverteller als Gabriel Garcia Marquez weet daar wel raad mee in “Honderd jaar eenzaamheid”, maar in een kroniek als deze moeten de familieverbanden helder zijn. Nu de oudste van al die kinderen bij de eeuwwisseling bijna 17 jaar oud is, beginnen hun levensverhalen zo veel kleur te krijgen, dat het hoog tijd voor hun behandeling is.
Om die reden gaat het verhaal vanaf hier gesplitst per gezin verder. Tussen de gezinnen en binnen hun verhaal blijft de chronologie als volgt gehandhaafd, inclusief een aanloop met alle geboren vierde-generatie-kinderen:
— Evert en Jo van Leusden in Dordrecht met zeven kinderen.
— Carl en Margré de Haas in Amsterdam met vijf kinderen.
— Frits en Engeltje de Koe in Amsterdam met elf kinderen.
— Cato en Jan van der Tas in Amsterdam met twaalf kinderen.
— Jan in Amsterdam zonder echtgenoot en zonder kinderen.
— Hendrik en Anna Augustijn in Amsterdam met vier kinderen.
De gesplitste behandeling betekent niet dat de gezinnen los van elkaar staan. Integendeel, in het echte leven vormen zij onderling een hecht sociaal netwerk. Veruit de meeste gezinsleden wonen in Amsterdam. De kinderen gaan naar dezelfde scholen. Op zondag gaat iedereen naar dezelfde kerk, nuttigt tussen de twee erediensten in gezamenlijk in een voor- en achterkamer koffie of een glaasje en houdt strenge zondagsrust. De post en de trein houden de lijntjes naar de families in Dordrecht kort. De kinderen gaan vaak logeren en wonen langere perioden bij elkaar. Tussen de aangetrouwde families bestaan langdurige vriendschappen en zelfs huwelijken. Aldus vormt zich een fijnmazig gereformeerd ecosysteem.
