Nadat Johan August zijn schulden uit de kruitverkoop afbetaalt denkt hij van de hele zaak af te zijn. Hij gaat er van uit dat het van een artillerie-oefening overgebleven kruit niet gemist zal worden. Dat loopt anders, want de nauwkeurige magazijnmeester meldt op donderdag de ontvreemding en de wachtpost zegt hem bij het magazijn gezien te hebben. Op zondag 7 april 1793 wordt de grond hem te heet onder de voeten. Hij bezoekt in de ochtend Wallis, die bevestigt dat de kruitvaten nog bij hem in de kelder verborgen zijn. In de middag gaat hij terug naar zijn vertrekken in het huis van Wachsmuth, ontdoet zich van zijn uniform en vertrekt in een Levantjas. Om acht uur wordt niet langer op hem gewacht voor het avondmaal en om tien uur voor het sluiten van de buitendeur. Ditmaal bedriegt zijn voorgevoel hem niet, want diezelfde dag wordt hij als dader ontmaskerd, samen met artillerist Johan Reisinger, wiens rol niet precies duidelijk is. Zij krijgen op staande voet ontslag uit het Zweedse leger. (1)
Op de vacature van Johan August wordt Friedrich Gustav von Petersson uit een een andere compagnie horizontaal verschoven. Voor hem is aan de binnenzijde van de Knieperpoort een gedenksteen met plakkaat te zien, niet vanwege deze overplaatsing, want in 1803 zou hij zelf van kruitdiefstal verdacht worden en na ontslag een privé leraar worden. De reden is wel dat hij in 1809 de binnenstormende troepen van de Pruisische majoor Ferdinand von Schill zou helpen om de Franse bezetter te verdrijven, de door hen ontmantelde vestingwerken provisorisch te herstellen en een militie te leiden van 200 Zweden bij de Knieperpoort tegen de aanrukkende Hollanders, verzameld bij de Pyramide van Austerlitz in Zeist door koning Lodewijk Napoleon. In tegenstelling tot Schill zou hij de strijd overleven, maar niet het vuurpeloton waartoe hun Krijgsraad hem 4 juni veroordeelde.
Vertrekkend uit Stralsund ontmoet Johan August in Franken Vorstadt om 19:30 uur dienstbode Catharina Dorothea Jäger. Hij vraagt haar Wachsmuth te melden dat hij in Franzburg te vinden is. Vervolgens loopt hij 23 km in zuidwestelijke richting en komt daar om 1:00 uur in de nacht aan. Na kloppen op de deur van kleermaker Hartman, de zwager van Wachsmuth, mag hij vanwege de bezorgde en ellendige indruk die hij maakt een nachtje blijven. Rond het middaguur ziet hij Wachsmuth, die vertelt dat dienstbode Jäger die ochtend om 7:00 uur bij hem aan de deur was gekomen, hij een paard had geregeld bij paardenhandelaar Zahr en hem eerst bij zijn zus Augusta Juliana in Wolfsdorf was gaan zoeken. Johan August neemt een geldbeurs met 12 rijksdaalder in ontvangst en vertrekt op het paard spoorslags naar de grensstad Damgarten, waar een andere zwager Hartman hem over de grens naar Mecklenburg helpt. Zodoende ontsnapt hij aan de achtervolgers, die pas om 19:00 uur Wachsmuth lopend naar huis tegenkomen, in Franzburg naar Damgarten worden doorverwezen en daar constateren dat de vogel over de grens is gevlogen. Diezelfde avond ontdekken de Zweden het verborgen kruit bij Wallis. Drie dagen later brengt aanklager Ronander de zaak voor de Krijgsraad, die een reeks getuigenverhoren begint met onder andere wagenvoerder Freese, koopman Wallis en blikslager Wachsmuth. Een brief van dader Johan August van 19 april vanuit Altona aan zijn legerchef Armfelt komt bij de processtukken. Zonder illusie over de mogelijkheid van terugkeer vraagt hij in vrijheid om excuses en begrip voor zijn daden. (2)
De strafkamer van het Niedergericht van Stralsund komt tot een vervolging van Wallis. Hij kon en moest als koopman op vele manieren begrijpen dat het kruit gestolen was. Bovendien overtrad hij het verbod om meer dan 10 pond in huis te hebben in ernstige mate. Daarom krijgt hij een boete van maar liefst 500 rijksdaalder opgelegd. Wallis bepleit de boete naar 200 rijksdaalder te verlagen met de argumenten dat hij bezweek onder de druk van Schohl, niets van de diefstal afwist en de voorraad kruit in zijn kelder geen handel maar opslag betrof. Dit betoog baat hem niet, maar zijn koopmansloopbaan heeft er geen nadelige gevolgen van.
Christopher Wallis op latere leeftijd
Hallwylska Museum
Wachsmuth wordt vervolgd voor het helpen vluchten, maar beweert dat Schohl zijn geldbeurs en paard van hem afpakte toen hij in Franzburg aankwam om met hem over een grondtransactie te praten. Hij krijgt geen straf opgelegd door het afleggen van een zuiveringseed, inhoudende dat hij niets van de diefstal en de vlucht afwist. Hij overlijdt een half jaar later door ouderdom en wie weet alle opwinding. (3)

Onderste zin: Beforderung der Flucht des Stückjunkers Schohl
1. Krigarkivet Sverige, 0023/0/1738, blad 743.
2. Stadtarchiv Stralsund, Rep. 3, Nr. 6351, Doc 2 en 4.
3. Stadtarchiv Stralsund, Rep. 3, Nr. 6351, Doc 5.
