Schoonzoon Jan van der Tas heeft in de Leidschestraat op nummer 105 een kruidenierswinkel kunnen kopen. Dat is vanaf het Leidseplein het derde pand aan de rechterhand. Het draagt de naam ‘De hand naar Leiden’, verwijzend naar het richtingsbord voor het verkeer en naar zijn eigen afkomst. Hij kocht zijn zaak in als delicatessewinkel met fijne eetwaren, comestibles en koloniale waren. De zaak heeft inmiddels vijf bedienden. De grossierderij ligt om hoek in de Korte Leidschedwarsstraat 77-81.

In dezelfde stad leeft nog altijd het allereerste kind van de stamvader, Wilhelmina Augusta van Meijerfeldt. Daar komt een eind aan op 31 januari 1885 na een 83-jarig leven, waarin zij haar echtgenoot, vier van haar vijf kinderen en twee kleinkinderen overleeft. Zij sterft op de Spuistraat 53, waar zij vier jaar woonde en haar enig overgebleven kind Arendt van Paddenburg nog vier jaar ongehuwd en kinderloos woont. Zodoende heeft zij geen nakomelingen, noch met de naam Van Meijerfeldt, noch met bloedbanden. Met haar zoon sterft deze tak Van Paddenburg eveneens uit. Ondanks de vele krantenadvertenties met de achternaam in Amsterdam, is uit niets gebleken dat de twee gezinnen van elkaars bestaan wisten of wilde weten.

In Dordrecht vieren Hendrik en Naatje op 2 juli 1885 hun 40-jarige huwelijksfeest met advertenties in de dagbladen. De meeste familie komt uit Amsterdam. Voor Evert is het om de hoek.
Carl en Nel hebben inmiddels niet alleen kleinkinderen van dochter Cato, maar in de jaren tachtig ook van de drie oudste zonen, de eerste zoon steeds met de naam Carl. Van Evert Diederich in Dordrecht op 3 april 1883, van Carl Frederik in Amsterdam op 26 januari 1884 en van Frederik Hendrik eveneens in Amsterdam op 4 november 1886.
Ten opzichte van de vrouw volgt de familie de Christelijk-Gereformeerde houding. Zij geloven dat God heeft bepaald dat de man het hoofd van het gezin is en een leidende rol in de samenleving heeft. De vrouw speelt een ondersteunende maar geen minderwaardig rol, vooral als moeder en hoedster van het gezin. Erg afwijkend van de andere stromingen in Nederland is dit niet. In 1883 komt arts Aletta Jacobs tot en met de Hoge Raad vergeefs op voor haar stemrecht, hoewel de tekst van de Grondwet van 1848 het stemrecht nergens tot mannen beperkt. De door mannen bevolkte bestuurlijke en rechterlijke instanties construeren daarom een eigen geest van de wet. Zij redeneren a contrario dat de grondwet nergens vrouwen duidelijk en ondubbelzinnig noemt. Dat had naar hun opvatting wel gemoeten, omdat deze uitbreiding van het kiesrecht afweek “van bestaande toestanden en geldende beginselen”. (1)
1. Hoge Raad 18-05-1883 nr. 30.
