Een lang verblijf bij de Stralsundse artilleriebrigade verdraagt zich slecht met de brief naar Helsingfors, waarin Carl over zijn vader schreef “having served in the French en thereafter in the Dutch army“. Dacht hij wellicht dat de brigade toentertijd Frans was, terwijl dat pas in de periode 1807-1813 het geval was? Zo niet, verwisselde hij dit mogelijk met de Franse dienst van zijn vader in de periode 1810-1813 ten gevolge van de inlijving van het Koninkrijk Holland bij Napoleons keizerrijk? Beide foutjes zijn goed denkbaar, zeker omdat in de herinneringen aan zijn vader wel meer begrijpelijke foutjes zaten, zoals bij de achternaam van zijn grootmoeder Spint in plaats van Sparre. Toch is het verstandig zekerheidshalve van de juistheid van de brief uit te gaan en te onderzoeken of de stamvader tussen 1780 en 1793 apart in Franse dienst heeft kunnen gaan.
Stralsund kende in 1780 geen Franse overheersing, dat kwam 27 jaar later dus. Alle buitenlanders die in de haven bevoorrading insloegen, schepen kochten en bemanning wierven konden op bescherming van het neutrale Zweden rekenen. Voor de stad was de zeevaart van het grootste belang en het dichtbevolkte achterland leverde veel bemanning aan Europese schepen. Johan August zou geen uitzondering zijn geweest. Van alle krijgsonderdelen ligt aanmonstering in Stralsund of elders op een Franse oorlogsschip het meest voor de hand. (1)
Een blik vooruit wijst in dezelfde richting, omdat Johan August jaren in 1793 in Amsterdam niet alleen op een oorlogsschip aanmonsterde, maar bovendien gelijk commandeur over al het geschut werd. Dan moet hij in de voorafgaande tijd relevante kennis en ervaring hebben opgedaan, deels al in Stralsund, deels in Franse dienst. (2)
De Franse marine had in die tijd na de Britse de sterkste vloot: 71 linieschepen, 64 fregatten en 45 korvetten. De drie voornaamste marinehavens waren Brest en Rochefort aan de Atlantische kust en Toulon aan de Middellandse Zeekust. Koning Lodewijk XVI wilde het machtsevenwicht met Engeland herstellen. Gevechten vonden plaats over de koloniën in India, in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog en bij het heroveren van Caribische eilanden. De Vierde Engels-Nederlandse Oorlog ontbrandde met de Slag bij de Doggersbank van 1781, maar daar namen de Fransen niet aan deel. (3)
Wel hebben Franse kapiteins van kaperschepen het vaak op Engelse schepen voorzien. Zo haalde Pierre le Turcq – na een leerschool bij de beruchte Amerikaanse kaper John Paul Jones – in 1781 en 1782 in het Kanaal heel wat Britse buit binnen voor de Admiraliteit van Zeeland. (4)
Nogal wat Zweden voeren op 8 mei 1780 mee aan boord van een Franse vloot vanuit Brest naar Amerika onder admiraal de Ternay d’Arsac. Diens aide-de-champ was de Zweedse graaf Axel von Fersen, die acht jaar later zijn koning Gustaaf III in Finland begeleidde, terwijl graaf von Meijerfeldt daar bevelhebber van de landmacht was. Het Amerikaanse eskader telde zeven linieschepen en drie fregatten, die escorte verleende aan 36 transportschepen met 5.300 troepen onder generaal Rochambeau. (5)
De vloot arriveerde op 11 juli in de haven van Newport om daar de troepen af te zetten. Vanwege een Britse blokkade moest de vloot blijven. De admiraal stierf in december aan tyfus. Onder vice-admiraal Destouches verliet het eskader maart 1781 Newport, maar de Engelsen dwongen hem in de Slag bij Kaap Henry naar de haven terug. De nieuwe commandant Barras dirigeerde het eskader opnieuw zuidelijk langs de kust, terwijl vanuit Cap-Français (Haïti) admiraal De Grasse kwam aanzeilen. Op 5 september 1781 leden de Britten in de Slag bij Chesapeake een grote nederlaag, waardoor George Washington de laatste stappen naar onafhankelijkheid kon zetten. De Grasse voer terug naar Martinique, heroverde St. Eustatius voor de Republiek en in 1782 andere eilanden op de Britten, tot hij bij een aanval op Jamaica ten onder ging. In 1783 sloten alle partijen eindelijk vrede in Parijs en keerde de Franse vloot terug naar Brest.
De Zweedse koning Gustaaf III verkreeg na zijn bezoek aan Parijs in 1784 het Caribische eilandje St. Barthélemy te midden van de Franse, Engelse en Nederlandse bovenwindse Antillen. Hij stichtte daar de hoofdstad Gustavia en het bleef een eeuw in Zweedse handen. Het had een vrijhaven, maar het was te klein als marinehaven.
1. M. Ressel, “Swedish Pomeranian Shipping in the Revolutionary Age (1776–1815)”, Deutsche Forschungsgemeinschaft, projekt “Risikozähmung in der Vormoderne”, Ruhr Universität Bochum, Forum Navale 2012, pag. 65-103. Registers van Pommerse bemanningen bestaan niet. De Sont-registers bevatten alleen kapiteins van handelsschepen.
2. De Franse marine-registers bevatten vrijwel alleen officieren. Brief van Frits von Meijenfeldt (Nk.3), ‘s-Gravenhage 18 november 1934 [CG-24]. Brief van Conservateur-Général Centre d’accueil et de recherche des Archives nationales (CARAN), Ministère de la Culture et de la Francophonie [CH-262].
3. Volgens familieoverleveringen nam de stamvader aan die slag deel. Zijn naam is evenwel niet te vinden onder de officieren, matrozen en soldaten in de Nederlandse en Britse scheepsrollen.
4. J.E. Korteweg, “Kaperbloed en koopmansgeest. ‘Legale zeeroof’ door de eeuwen heen”, Amsterdam 2006, pag. 260, en correspondentie met haar [CH-429] en met de Franse maritiem historicus Roberto Barazzutti [CH-431].
5. J. Daget, “Les troupes de la marine 1774-1816”, Diss. Université Paris-IV 2001. Het eskader bestaat uit de 80-stuks Duc de Bourgogne, de 74-stuks Neptune onder Sochet Des Touches en Conquérant onder La Grandière, en de 64-stuks Provence onder Lombard, Ardent under Bernard de Marigny, Jason onder La Clocheterie en Éveillé onder Le Gardeur de Tilly. Daarnaast de fregatten Surveillante onder Villeneuve Cillart, Amazone onder La Pérouse en Bellone.
