2.8.4. De Koe 2

Van de overige broers in de tak De Koe is Roel al in 1935 vóór de bezetting overleden. Zijn zoon Chiel is 17 jaar is als de oorlog uitbreekt. Hij moet eerst eindexamen HBS-B doen en rolt in 1942 in de Ondergrondse op het moment dat de Duitse bezetting zich verhardt. Later wordt hij actief in de Binnenlandse Strijdkrachten en krijgt een Engelse opleiding tot reserve-officier. Als de Canadezen begin mei 1945 Voorburg binnenrijden, staat hij in de blauwe overall van de BS de bevrijders op te wachten, stengun op de borst.

Broer Evert maakt de bezetting wel mee, maar sterft een natuurlijke dood vóór zijn 50ste in 1941. Zijn weduwe Van der Bend verhuist naar de Nicolaas Maesstraat en woont daar nog tientallen jaren.

Broer Henk is burgemeester van Ambonia als de oorlog uitbreekt. Hoewel hij geen militair maar bestuursambtenaar is, wordt hij toch in 1941 in een Jappenkamp geïnterneerd. Hij overlijdt daar op 20 maar 1942 ten gevolge van dysenterie. (1)

Een treffend bewijs van de aanhanke­lijkheid der bevolking leverde de begrafenis. Zij werd namelijk opge­merkt door een christelijke, Ambonese onderwij­zer. Door enkele tekens wist een der dames die de droeve stoet naar het op verre afstand gelegen kerk­hof begeleid­de, hem te kennen te geven wie er begra­ven werd. De Ambo­nees verdween ij­lings. Toen de stoet onder bewaking van Japanse militai­ren bij de begraafplaats was aangekomen traden opeens een aan­tal Ambonezen (alle christelijke onderwijzers) te­voor­schijn die zonder dralen de baar uit de handen der Jappen overnamen. Deze waren door het volkomen onver­wachte optreden der Ambonezen dermate onthutst, dat zij zich in het geheel niet verzetten.
Tijdens de gang naar de groeve werd stil op de muur waar­langs de baar gedragen werd een mand met orchi­deeën ge­schoven, welke prachtige bloemen ook later het stoffelijk overschot in het graf dekten.

De dochter van Resident H.J. Jansen schrijft het volgende over de laatste tijd in het kamp:

Bovendien werd ik vaak duizelig van moeheid en ondervoeding en ik betrapte me tijdens het verzorgen van één van onze aardigste kennissen, de heer von Meyenfeldt, een assistent-resident, een keer op de wens: “Ging je maar dood, ik kan je potje bijna niet meer legen.” Ik schrok erg van mijn gedachte. (…) De vrouw, die haar braaksel altijd liet lopen, genas, maar meneer von Meyenfeldt stierf en ik voelde me zo schuldig, dat ik hem een moment had doodgewenst, die lieve, stille, geduldige man, die zich net zo dapper had gedragen als vader.

Henks dochter Elly trouwt na de oorlog met Robert van Luijk, die op 14 mei 1940 had deelgenomen aan de lucht­verdediging van de Rot­terdamse Waalhaven tegen de Duitse lucht­macht, waarvoor hij later het Oorlogsherin­ne­ringskruis krijgt. Na de capitulatie duikt hij in Zeeland onder en neemt daar deel aan het verzet, waarvoor hij tientallen jaren later het Verzetsherdenkingskruis krijgt. Na de bevrij­ding van Zee­land wijkt hij via Brus­sel naar Londen uit en wordt officier en in­struc­teur bij de Royal Air Force.

Terug   ***   Verder

1. Citaten uit “Libertas ex veritate”, uit­gave van de orga­nisatie van reü­nisten der SSR (Societas Studiosorum Reformato­rum) ter her­denking van haar leden, omgekomen ten gevolge van de Japanse bezetting van het toenmalige Nederlands-Indië, door W.H.C. Knapp, pag 58-61.