2.8.2. Bachplein

TAK DE HAAS 1940-1960 

De broers Carl, Willem en Frits van de tak De Haas maken met hun vrouw in Amsterdam de inval van de Duitsers mee. Jan maakt later de Japanse inval in Soerabaja mee.

Frits oudste zoon Carl Frederik is na zijn eindexamen aan het Hervormd Lyceum in Amsterdam in 1938 in dienst gegaan bij het Koninklijk Marine Instituut in Den Helder. Na twee jaar studie bereikt hij de officiersrang van sergeant adelborst. De capitulatie leidt tot zijn demobilisatie. Hij woont aan de Apollolaan en studeert geneeskunde in Amsterdam, maar moet daarmee stoppen omdat hij weigert de loyaliteitsverklaring aan de Duitse bezetter te tekenen. Aan de erewoordverklaring voor beroepsmilitairen om geen oorlogshandelingen te ondernemen twijfelt Carl, maar omdat zijn hoogste chef geen bezwaar ziet tekent hij medio juli, waardoor hij in Nederland kan blijven en zich alleen zo nu en dan hoeft te melden.  

Tweede zoon Frits doet op 23 februari 1940 vlak vóór de Duitse inval nog aangifte bij het politiebureau Leidseplein van de diefstal voor zijn ouderlijk huis van zijn Fongers fiets ter waarde van 20 gulden. (1)

De 57-jarige Carl loopt op 10 januari 1941 van zijn werk bij Kempen & Co aan de Herengracht naar de Vijzelstraat. Hij springt op de bijwagen van tram 24, terwijl deze nog niet geheel tot stilstand is gekomen. Hij struikelt en breekt zijn rechter enkel. De GG & GD vervoert hem naar het Binnengasthuis, waar de enkel gezet wordt. Op 7 oktober doet hij aangifte bij de politie van diefstal en vernieling van hout in een onbewoonbaar verklaarde woning aan de Stromarkt 3. Waarom hij daar de aangifte doet is niet duidelijk, want zijn werk en huis liggen een flink eind verderop. (2)

Frits richt zijn huis aan het Bachplein 6 in als een soort opvang- en uitvalsbasis. Hij kan veel Joden door de oorlog heen helpen in de kelders onder zijn huis en aangrenzende huizen. Misschien om een gewone burger te lijken doet hij op 20 januari 1942 bij de politie wel aangifte van diefstal van banden en lantaarns van zijn fiets ter waarde van 15 gulden.

Als zoon Carl Frederik zich op 15 mei 1942 opnieuw moet melden in de kazerne in Bussum gaan geruchten dat de Duitsers van de meldplicht gaan afzien. Het tegendeel blijkt waar. Samen met zijn collega’s moet hij blijven, mag een briefje aan zijn ouders ondertekenen om uniform, kleren en toiletartikelen van maximaal 25 kg binnen 5 dagen naar de kazerne te zenden en wordt nog diezelfde dag op de trein gezet naar krijgsgevangenkamp Oflag XIII-b in Neurenberg-Langwasser, Beieren. (3)

Vanuit Oflag XIII-b gaan totaal 2000 militairen op 8 augustus per trein naar het net afgebouwde krijgsgevangenkamp Stalag 371 in het Poolse Stanislau, tegenwoordig Ivano-Frankivsk in Oekraïne. Op 23 april 1943 wordt Carl Frederik als krijgsgevangene ontslagen en te werk gesteld in Berlijn.

Voor zover bekend door een natuurlijke oorzaak komt de 59-jarige Carl von Meijenfeldt op 24 mei 1943 te overlijden. De begrafenis is op Rustoord in Diemen. Henriëtte Stuurman leeft verder als weduwe.

Als gevolg van geallieerde bombardementen weet Frits’ zoon Carl Frederik in de verwarring vanuit Berlijn naar Amsterdam te ontkomen. Hij gaat ondergronds en neemt deel aan de Binnenlandse Strijdkrachten. Zo commandeert hij aan het eind van de oorlog een groep, die moet voorkomen dat de Duitsers strategische installaties in Amsterdam opblazen.

De vrouw met wie Carl Frederik enkele maanden na de bevrijding trouwt is Hanny van der Graaf. Ook zij had met haar studievrienden ook geweigerd de ariërverklaring te tekenen, waardoor zij haar studie kon vergeten. Zij was er in geslaagd een baan bij het Rode Kruis te krijgen. Tijdens haar nachtdiensten moest zij instrumenten voor de bloedtransfusies schoonmaken en ontsmetten. Daardoor beschikte zij over een pas om tijdens de avondklok op straat te zijn. Zij raakte betrokken in het verzetswerk, waarbij zij haar avondpas goed kon gebruiken.

Het belangrijkste werk van Hanny werd later beroemd. De Duitse bezetter bracht baby’s onder in de Crèche tegenover het verzamelpunt voor Joden in de Hollandsche Schouwburg aan de Plantage Middenlaan in Amsterdam. Eerst moest zij de ouders overtuigen hun kinderen te laten onderduiken. Een vader zei tegen haar: “Mijn kind is geen meubelstuk. Geef me alsjeblief een paar minuten voor het afscheid, want misschien zie ik het nooit meer terug.” Hij had gelijk: het kind overleefde, maar zelf kwam hij nooit meer terug. Hanny zorgde ook voor het transport van de baby’s vanuit de Crèche, het aangrenzende pand en tuinen in tassen of aan de hand naar onderduikadressen. Eens in de trein naar Friesland moest zij onervaren een luier verschonen en stond doodsangsten uit dat een behulpzame vrouw zou zien dat het jongetje besneden was. Een andere keer probeerde zij twee drukke kleine jongens in de trein stil te krijgen om aandacht te vermijden.

Hanny bracht reizend naar Friesland ook gestolen lege persoonsbewijzen voor de ondergedoken kinderen mee. Zij bond de kaarten om haar middel, veinzend dat zij zwanger was. Toen haar vader woedend ontdekte dat zij tekeningen van Duits oorlogskampen voor geallieerde bombardementen bewaarde, was zij bang dat hij haar verraadde en trok in bij twee wapenexperts, voor wie zij regelmatig door de Britten gedropte wapenpakketten oppikte. Voor het geval zij door de Gestapo zou worden gesnapt had zij altijd een cyanidepil op zak, maar zij overleeft hen allemaal. (4)

Terug   ***  Tak 1920-1940   ***   Verder

1. Stadsarchief Amsterdam, 5225 Politierapporten ’40-’45, inventaris 6173, rapport 54, pag. 58 en inventaris 6177, pag. 204.
2. Stadsarchief Amsterdam, 5225 Politierapporten ’40-’45, inventaris 6729, rapport 10 en inventaris 7009, pag. 157.
3. Nationaal Archief, Ministerie van Defensie: Collectie Krijgsgevangenen, nummer toegang 2.13.98, inventarisnummer 11, “Meyenfeldt van Carl F. 30322 4-5-1921 1921 Amsterdam 21 Fahnrich z See Marine Bussum 15-5-1942 23-4-1943 an Wehrmachtsbefehlhaber der Niederlanden überstellt”.
4. D. Kelsey, “Glimpses into the life of a young girl in nazi occupied Holland during World War II”, Comox B.C. 2018.