Leden van de familie aan de Vrije Universiteit:
| Familielid | Geref. Gym |
Vrije Universiteit | |||||
| Generatie IV | Eind-examen |
Studie | Inschrijving | Propedeuse | Kandidaats | Doctoraal | Dispuut |
| Willem S. de Haas |
Theologie Nr 319 |
16-09-1902 | 03-07-1903 | 17-05-1907 | 29-03-1909 | IVMBO NCSV |
|
| Carl (De Koe) |
1905 |
Rechten Nr 426 |
20-09-1905 |
12-06-1906 | 27-03-1908 | 27-06-1911 (1) | Forum NCSV |
| Carl (Augst) |
1917 | Theologie Nr 723 |
18-09-1917 |
21-06-1918 | 04-05-1923 | Rostra | |
| Frits van der Tas | 1914 | Medicijn Nr 724 |
18-09-1917 | ||||
| Govert (Augst) |
1926 α en β |
Klassiek Nr 1284 |
21-09-1927 | 17-12-1932 | 21-03-1935 | Forum | |
Govert, de jongste zoon in het gezin Augustijn, gaat niet naar Nederlands-Indië en maakt de bezetting tijdens de Tweede Wereldoorlog niet mee. Hij is van 1939 tot 1950 leraar aan het Prinses Beatrix Lyceum in Zwitserland. Na zijn terugkomst aanvaardt Govert een functie als conrector in Heerlen aan het Grotius College en gaat aan het Tempsplein 25 wonen. In 1952 trouwt hij met de administratrice van die school, Elly Woldringh.
Woldringh is een geslacht uit Groningen. Elly’s eerst bekende voorvader is Cornelis Woldringh (1623-1698), die na zijn studie theologie in Groningen beroepen werd in Saaxumhuizen. De reeks van vader op zoon luidt vervolgens Johan (1660-1711), vele jaren Gezworene van de stad Groningen, Gerard (1684-1764), luitenant-kolonel bij de infanterie, Jan Gerard (1717-1783), idem, Gerard Gilles (1756-1832), rechter en raadslid, Jacob (1794-1878), raadsheer Gerechtshof, Gerard Gilles, (1825-1896), kapitein schutterij, Jacobus (1856-1936), commies strafgevangenis, en Gerard Gilles (1891-1963), bouwtechnisch tekenaar.
Govert en Elly gaan aan de Kemmerlingstraat wonen. In 1954 kan Govert aan die school rector worden, maar kiest voor een gelijke functie in Amersfoort. Op zijn voorstel wordt het Christelijk Lyceum gedoopt tot Corderius Lyceum, later College. Aan deze school is hij bijna 20 jaar rector, in welke periode het leerlingtal groeit van een kleine 100 naar 2000. Aanvankelijk woont het gezin met drie kinderen aan de Pasteurstraat, maar betrekt in 1958 een nieuwbouwhuis aan de Daam Fockemalaan.
In 1960 overlijdt Willy Minderaa, de echtgenote van Carl op 60-jarige leeftijd in Alkmaar. Carl gaat daar met emeritaat en besluit bij zijn oudste zoon Henk en diens vrouw te gaan wonen als buurman in Nunspeet. In 1970 verhuist hij mee naar Leerdam.
Ella komt in 1965 terug uit Engeland vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd en kiest er voor in dezelfde stad Amersfoort (aan de Stadsring) als haar broer Govert te gaan wonen. Deze is van 1966 tot 1970 ouderling van de vrijzinnig protestante Bergkerk in Amersfoort. Daarnaast is hij in die stad bestuurslid van de Openbare Bibliotheek en Pro Juventute. Ook is hij bestuurslid van de Vereniging van rectoren van Nederlandse Lycea, Algemene Vereniging Schoolleiders en de Kring Rectoren Midden-Zuid. Hij is lid van de Staatscommissie VWO-HAVO-MAVO en het bestuur van de Stichting Vrije Leergangen Vrije Universiteit. In 1973 gaat hij met pensioen en wordt in aanwezigheid van gezin, broer en zus tijdens het afscheid onderscheiden tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau. (1)
![]() Govert von Meijenfeldt |
![]() Elly Woldringh |
In 1975 overlijdt Carl in Utrecht op 76-jarige leeftijd. Dat jaar wordt Govert voorzitter van de Stichting Dagverblijven schoolgaande jeugd Amersfoort (Boddaert-tehuis), docent aan het Instituut Blankensteijn te Utrecht en lid van de Staatscommissie Open School. Hij overlijdt in 1978 te Amersfoort op 69-jarige leeftijd. In 1983 overlijdt Ella te Amersfoort (op 83-jarige leeftijd). Zoals Naatje Kennedij als enige weduwe van de tweede generatie de eeuwwisseling meemaakt, overkomt Elly Woldringh, de weduwe van Govert, dat in de vierde generatie. Zij overlijdt in 2006 op 86-jarige leeftijd, als laatste van de vierde generatie van de familie Von Meijenfeldt.
is leraar in Zwitserland als de oorlog uitbreekt. Samen met de andere docenten negeert hij het Duitse bevel om het Prinses Beatrix Lyceum te sluiten. Engelandvaarders stranden in Zwitserland en moeten in internering, maar hun kinderen krijgen toestemming aan het P.B.L. les te krijgen. Naast gestrande Engelandvaarders komen ook vluchtelingen uit arbeidskampen aan. (10)
Op het eind van de oorlog onderhouden docenten contact met een aantal vooraanstaande Zwitsers, die onderhandelen met een SS-generaal, die gevoelig is voor geld om auto’s te kunnen kopen voor de wederopbouw. Het lukt 1100 volwassenen waaronder 400 Nederlanders uit Theresienstadt vrij te krijgen. Zij reizen naar St. Gallen. De Zwitsers willen met de toelating van Joden nog vóór het einde van de oorlog laten zien dat ze, hoewel neutraal, aan de goede kant staan. Een deel gaat in Les Avants in quarantaine en reist daarna door naar Glion. In de paasvakantie 1945 ontvangt het Lyceum 60 Joodse kinderen, Door verontreiniging van de waterleiding breekt tyfus uit en sommige kinderen overleven dat in het zicht van de veilige haven niet.
Na het overlijden van zijn moeder in 1939 vertrekt hij namelijk naar Zwitserland. Hij wordt naast jonkvrouw Chr. Snouck Hurgronje leraar klassieke talen aan het net opgerichte Nederlandse Prinses Beatrix Lyceum (P.B.L.) in Flims-Waldhaus. Daar komt hij al vroeg in aanraking met vernieuwingen in het onderwijs. Het is een bijzondere school van basisonderwijs tot eindexamen voor kinderen van gegoede ouders, ouders die in Nederlands-Indië verblijven en kinderen die vanwege asthma baat hebben bij goede klimatologische omstandigheden (veel UV-licht, droge stofvrije lucht, weinig wind, hoogte van 1150 meter).
Het Ministerie van Onderwijs in Nederland geeft voor zes jaar onderwijs- en examenbevoegdheid aan het P.B.L. Sinds de Nederlandse bezetting komen er echter geen eindexamenopgaven en gecommitteerden naar Flims-Waldhaus meer. De docenten lossen het zelf op, met hulp van Nederlanders in Zwitserland. De Nederlandse gezant in Bern wordt bereid gevonden alle zes geslaagde kandidaten een officieel stempel te geven. Een ander probleem is dat de instroom van nieuwe leerlingen opdroogt, waardoor het aantal rond de 70 stagneert en de inkomsten te klein zijn. Van subsidie uit Den Haag was en is geen sprake.
Govert begint meer taken op zich te nemen dan alleen klassieke talen. Bij de jaarlijkse feestdag op 31 januari 1941 (de geboortedag van Prinses Beatrix) geeft hij een verhandeling over alle coupletten van het Wilhelmus. Eind februari regisseert hij het toneelstuk “Het geheim van het medaillon”. De jaren daarop doet hij dat steeds, zoals in 1946 “Het spook in Summerfield Castle”.
De situatie van het P.B.L. begint problematisch te worden. Het Duitse bevel om de school te sluiten wordt genegeerd. De drang van de plaatselijke autoriteiten om er een internationale Zwitserse school van te maken ook. Er zijn echter flinke verliezen en er wordt een deviezenstop verwacht. Minister Bolkenstein stelt vanuit Londen vast dat het P.B.L. normaal onderwijs verzorgt en recht heeft op reguliere schoolfinanciering. De kosten zullen voor 75% worden gedekt, mits naar een goedkopere locatie wordt verhuisd en een nieuw onafhankelijk bestuur wordt gevormd. Met steun van de gezant en de Zwitserse regering valt het oog op het leegstaande ‘Hotel du Parc’ in Glion bij Montreux. De docenten verhuizen met 7 wagonladingen en nemen genoegen met kost en inwoning, een beetje zakgeld en een uit voettochten door half Zwitserland bestaande vakantie. Er zijn veel personeelswisselingen. Een nieuwe collega van Govert, Mej. Jongbloed uit Tessin, gaat binnen een jaar al weer naar huis en haar opvolger Pater-Jezuïet Hertogh van het klooster in Sion mag na een ruim jaar van de Zwitserse autoriteiten geen les meer geven.
Ansichtkaarten van het P.B.L. in Flims-Waldhuis en Glion
Engelandvaarders stranden in Zwitserland en moeten in internering, maar hun kinderen krijgen toestemming aan het P.B.L. les te krijgen. Het leerlingental groeit naar 90 en verder en de tot dan toe kleine internaten voor jongens en voor meisjes groeien sterk. Een beslag door een deurwaarder wordt ongedaan gemaakt ten gevolge van een bedelactie bij alle Nederlanders die in het telefoonboek worden gevonden.
In 1947 arriveren kinderen uit Jappenkampen op Java en Sumatra om hun clandestiene onderwijs af te maken. Voor hen wordt een Indische Afdeling opgericht. Daarna komen weer steeds meer astmapatiënten. Begin 1948 wordt Govert hoofd-internaatsleider over 60 kinderen, “wat de volledige goedkeuring kan wegdragen van alle jongens.” Zijn voorganger was na drie dagen weggepest. (2)
“Ik moest de volgende ochtend de leiding van dit opstandige internaat van 60 jongens tussen 16 en 20 jaar overnemen. Ik heb toen mijn ideeën van interne demokratisering in praktijk gebracht. Dat had soms een goed resultaat, maar soms leek alles voor niets. Ik herinner me een zeer onaangenaam incident, dat in positieve zin werd opgelost, doordat de gemeenschap zich vrijwillig een kollektieve straf oplegde. Het was altijd een hachelijke onderneming een stel Nederlandse jongeren op te voeden in een land, dat een heel ander gevoel voor humor had dan wij.” (3)
Govert moet hiervoor zijn eerder verkregen conrectorschap opgeven. Voor ouders verzorgt Govert een cursus Zweeds, is nog steeds regisseur van alle toneelvoorstellingen en doet veel aan sport met de leerlingen: bergtochten, paardrijden en skiën tot de ‘zilveren test’. Het P.B.L. krijgt begin 1949 de garantie en subsidie uit Den Haag voor een groei naar 160 leerlingen, Govert is weer conrector en viert in september zijn 10-jarig jubileum. Diezelfde maand devalueert de gulden met ruim 30%, waardoor in 1950 geen Zwitserse francs meer beschikbaar zullen komen. Verplaatsing van het P.B.L. naar een goedkoop land (zoals Frankrijk) is voor de tweede keer noodzakelijk.
Amote Speciaal 1989, pag. 37
Na vergeefse beroepen op Den Haag om het deviezenkanaal open te houden en pogingen een locatie in Frankrijk te vinden valt het doek. Alle partijen leggen zich bij de sluiting neer. De verhuiskisten arriveren in juni 1950 Govert gaat op zoek naar een vacature voor een schoolleider ergens in Nederland en komt zodoende in Heerlen terecht.
1. Academisch proefschrift “De grenzen van het recht van amendement in de practijk van de Tweede Kamer der Staten-Generaal” ter verkrijging van den graad van doctor in de rechtswetenschap op gezag van den rector dr. R.H. Woltjer, in het openbaar te verdedigen op maandag 1 juli 1912 in het gebouw der Maatschappij voor den Werkende Stand, door Carl von Meyenfeldt, geboren te Amsterdam. “Aan mijne ouders“. Een-na-laatste stelling: “Het instituut der schoolartsen is voor het voldoen aan de eischen der schoolhygiëne onnoodig; in strijd met het recht en de taak der ouders; niet in overeenstemming met het karakter der school; en daarom afkeurenswaardig.” ♣ bibliotheek en digitaal
2. W.G. Noordegraaf, “Historisch overzicht van het P.B.L. tijdens zijn bestaansperiode 1939-1950”, Amote Speciaal 1989.
3. “Tot mijn spijt”, afscheidsbundel Corderius College 1973.
10. Nationaal Archief, 2.05.49 Inventaris van het archief van het Nederlandse Gezantschap in Zwitserland, (1912) 1914-1954 (1955), 344. Joods vluchtelingen 1942-1943.


