1.3.3. Willem III

Eind 1693 of begin 1694 gaat Johan August Meijerfeldt vanuit Lijfland naar de Republiek. Hij komt daar aan in een leger dat geleid wordt door de hertog van Holstein-Plön, die de overleden prins van Waldeck op 9 september 1693  als veldmaarschalk was opgevolgd. In  mei arriveert Willem van Oranje vanuit Engeland bij de hoofdmacht en start een veldtocht tussen Brussel en Luik; hij wil slag leveren, terwijl de Fransen die vanwege hun ondertal juist uit de weg gaan. (1)

Op 16 september van dat jaar treedt Johan August officieel in dienst van het Staatse Leger. (2) Niet de Staten-Generaal maar de provincies draaien op voor kosten, voedsel en inkwartiering van zowel eigen als vreemde regimenten. De soldaten in de 12 compagnieën van Hastfer hebben op hun beurt overigens ook een diverse achtergrond: naast Zweden, Finland, Lijfland, Pommeren en Bremen. De compagnieën komen ten laste van Zeeland (7), Gelderland (4) en Drenthe (1), later alleen Zeeland. Eén van de 12 Zweedse compagnieën te voet die vanaf het begin door Zeeland wordt betaald is dat van kapitein Johan August Meijerfeldt:

“Den 16 septemb 1694 is gelijcke commissie verleent aan Joan Meijerfelt als capt van nieuw overgenomen Zweedse compa,rega 27 septemb 1694”, Zeeuws Archief, Archief Staten van Zeeland, inventarisnummer 1671. Registers van commissiën en instructiën 1578-1809, folio 143 

Edvard Hastfer was al eerder op 12 juni in het Staatse Leger  getreden en in Zeeuwse dienst overgenomen. Johan August volgt hem niet naar zijn regiment, maar naar dat van Oxenstierna. Eind dat jaar berekenen de rentmeesters van Walcheren  zijn wedde voor het jaar 1695 op  écu 1544:12:2. (3) Er heeft zich nog een Zweeds cavalerieregiment bij de troepen van Zeeland gevoegd onder Kjell Christoffer Barnekow; Johan August zal in 1717 in zijn tweede huwelijk met diens dochter Brita trouwen.

Willem van Oranje geeft zijn troepen in Sint Andriesberg (Mont-Saint-André) opdracht de vesting Hoei (Huy) te belegeren, omdat de Franse hoofdmacht voor de zoveelste keer afmarcheert en vijf grote rivieren oversteekt om Frans-Vlaanderen af te schermen. Na een bombardement door de hertog van Holstein-Plön geeft de commandant van Hoei zich op 28 september over. Dat is het enige wapenfeit van 1694. Willem van Oranje verzet zijn zinnen met de jacht op ‘t Loo, pleegt overleg in Den Haag en keert terug naar Engeland om gelden voor een nieuwe campagne te verzamelen.

In datzelfde jaar wordt de 27-jarige Wolmar Johan Meijerfeldt genoemd in de rang van luitenant.  Hij zit dan nog steeds bij de Lijflandse Adelsfanan. (4) Hij dient bij de president van het Landgericht van Dorpat (Tartu) Georg von Stackelberg een klacht in tegen kornet (Clas) Hermann von Liebstorff. De klacht luidt dat Liebstorff agressie en diefstal pleegde door eigenhandig 75 wagenladingen halfrijpe rogge weg te nemen van boer Malsup Rein ter waarde van 100 gouden Guldens. Zowel de boer als Wolmar zelf opereren vanuit Laitzen (Veclaisence, Letland), niet te verwarren met het 110 km noorderlijker gelegen vaderlijk landgoed Laisholm (Jõgeva, Estland). Het lijkt er vooral om te gaan hoe dit bedrag mag worden verhaald op Liebstorff’s naastgelegen leengoed Rogosinsky (Rogosi, Ruusmäe, Estland), in 1629 toegekend door koning Gustaaf Adolf aan voorvader Hermann Liebstorff (rijksadel 1595, rector Berlijns gymnasium). (5)

Luchtfoto van Laitzen (omkaderd gebied) met landhuis Rogosinsky (blauwe stip rechtsboven)

Johan August is in de winter van 1694 op 1695 ergens in Zeeland ingekwartierd. De gevechtshandelingen in de Spaanse Nederlanden laten daarna hetzelfde plaatje zien als in het voorafgaande jaar. In plaats van Hoei wordt nu de onneembaar geachte vestingstad Namen (Namur) belegerd. Kort vóór de moordende bestorming klimt Edvard Hastfer op 17 juli of 22 augustus nieuwsgierig in een klokkentoren om het aangerichte vuur van het geallieerde bombardement te zien. Hij wordt getroffen door de scherf van een kanonskogel, valt, plet zijn hoofd en overlijdt een paar uur later. Op 25 augustus volgt Conrad Axel von Wangersheim hem op als kolonel. (6)

Willem van Oranje  ontsnapt zelf maar net aan een kanonskogel die in zijn loopgraaf belandt. Dankzij een wapenstilstand raakt de stad met uitzondering van de citadel in geallieerde handen. Ter afleiding leggen de Fransen het dicht bevolkte en prachtige centrum van Brussel met een zwaar bombardement in as. Lodewijk XIV verantwoordt dit oorlogsmisdrijf aan de boze Spaanse Habsburgers met een verwijzing naar de bombardementen van de Nederlands-Britse vloot op zijn zeehavens. Ook de citadel van Namen komt in geallieerde handen. In 1696 en 1697 blijft Johan August in dienst van Zeeland op kosten van de betaalmeesters van Walcheren. (7) De veldtochten bestaan alleen nog maar uit manoeuvres van twee grote legers zonder  werkelijke slagen of belegeringen. De bevolking lijdt sterk onder de voortdurende diefstal van voedsel. 

In Riga trouwt Carl Fredrik Meijerfeldt rond de jaarwisseling 1696-1697. Zijn bruid is Anna Christina Hastfer. Zij is in 1681 geboren, dus 19 jaar jonger. Haar vader is de in 1695 overleden Lijflandse gouverneur-generaal graaf Jakob Johan Hastfer (1647-1695). Hij behoorde tot de Estlandse ridderschap, die zich net als de Meijers sinds 1562 in Zweedse dienst hadden gesteld en van Zweedse adel was geworden. Haar moeder was de Zweedse barones Sigrid Gyllenstierna (1639-1700), haar broer de eerdergenoemde omgekomen Edvard. (8) Vóór oktober 1697 wordt een zoon geboren, die vóór december van het jaar al overleden is. Op 2 juli 1699 wordt een tweede zoon Jakob Johan gedoopt in de St. Jacobi kerk in Riga. (9)

Onder bemiddeling van de Zweedse koning Karel XI, die enerzijds nog Franse sympathieën heeft maar zich anderzijds verbonden heeft soldaten aan de geallieerden te leveren bereiken Willem en Lodewijk een akkoord. Eind september 1697 wordt de Vrede van Rijswijk getekend. Dan is graaf Adam Ludwig Lewenhaupt kolonel van het zesde Zweedse infanterieregimenten; hij zal nog vaak in de loopbaan van de gebroeders Meijerfeldt ten tonele verschijnen. 

Op 24 januari 1698 promoveert koning Willem III Johan August tot majoor in het eerste Zweedse infanterieregiment onder kolonel Ernst Detlof Krassow, dat door de provincie Holland bekostigd wordt. Ten gevolge van de vrede vertrekt hij met dit regiment naar Buxtehude in het aartsbisdom Bremen, sinds de Dertigjarige Oorlog in  Zweedse handen. Daar wordt het regiment afgedankt. Johan August reist niet terug naar zijn vaderland, maar neemt het initiatief naar Stockholm te reizen om zijn zaak te bepleiten. De officieren die in Zweedse dienst gebleven waren krijgen bij terugkomst een bevordering, maar degenen die vanwege de soldij in dienst van de Republiek hadden moeten treden niet. Johan August loopt daardoor een bevordering mis. Bovendien was hij net majoor geworden. Het gebruik van de Republiek dat officieren hun geweer mogen behouden wordt niet nageleefd. (10)

Eind 1698 krijgt Carl Fredrik naast zijn 129 man nog eens 73 rekruten uit Brabant. Dit zijn geen Nederlanders, maar terugkerende Zweedse en Lijflandse soldaten vanwege de Vrede van Rijswijk. In oktober 1699 begint de compagnie al weer te slinken naar 170 man en in april 1700 zijn alle rekruten ingestroomd in andere compagnieën.

 

1. E. d’Auvergne, “The History of the Campagne in the Spanish Netherlands, Anno Dom. 1694, with the Journal of the Siege of Huy”, Londen 1694. Op pag. 71 schrijft hij dat het regiment Harsolt op 21 augustus bij Gent is, hetgeen een verhaspeling van Hastfer als van Haersolte kan zijn. C.A. Sapherson, “Forging a coalition army: William III, the Grand Alliance, and the confederate army in the Spanish Netherlands, 1688-1697, diss. Ohio 2003, annex “The Dutch Army of William III”, pag. 63.
2. Nationaal Archief 1.01.19, inventaris 1533, folio 121 resp. 133. J.H. Hora Siccama, “Aanteekeningen en Verbeteringen op het in 1906 door het Historisch Genootschap uitgegeven Register op de Journalen van Constantijn Huygens den Zoon”, Amsterdam 1915,  pag. 309, heeft Hastfer niet gevonden en denkt dat hij verzuimd heeft de verschuldigde rechten voor de acten van zijn regiment te voldoen, maar de oorzaak is eenvoudiger: hij staat er wel met de foutieve spelling Hassfer.
3. Zeeuws Archief, 2. Staten van Zeeland en Gecommitteerde Raden, 2. Gedrukte Notulen van de Staten van Zeeland en opvolgende besturen 1574-1795, inventarisnummer 3410. Notulen van de Ed: Mog: Heeren Staten van Zeelant d’Anno 1694, pag. 311, scan 158.
4. KrigsArkivet, 0022 Rullor 1620-1723, 1699/4, folio 208.
5. “Executionssachen Herrn Lieutenant Wollmar Johann von Meijerfeldt contra Herrn Cornett Hermann von Lipsdorf in puncto commissarum violentiarum et spoli durch eigenthätige Abnehmung 75. Fhuder halb unreiffen Roggens von hiesigen Laitzenschen Bauern Melsup Rein”, Rahvusarhiiv, 914/1/616 Nr. 4.
6. D.F. de Merveilleux, “La campagne de Namur, contenant une relation fidelle de tout ce qui s’est (…)”, Den Haag 1695, pag. 115. Le comte d’Hasfert, Colonel d’un Regiment Suédois. E. d’Auvergne, “The History of the Campagne in the Spanish Netherlands, Anno Dom. 1695, with an Account of the Siege of Namur”, Londen 1696, pag. 87 en 183, Baron de Hasfart Colones of a Swedish Regiment resp. Bat. Hasfert. De eerste schrijft 22 augustus, de tweede 17 juli. G. Anrep, “Svenska Adels Ätters-taflor”, Stockholm 1861, deel 2, pag. 205, volgt de eerste bron.
7. Zeeuws Archief, 2. Staten van Zeeland en Gecommitteerde Raden, 2. Gedrukte Notulen van de Staten van Zeeland en opvolgende besturen 1574-1795, inventarisnummer 3412. Notulen van de Ed: Mog: Heeren Staten van Zeelant d’Anno 1696, pag. 179 en 308 (19 april resp. 4 december).
8. H. Gillingstam, lemma in “Svenskt Biografiskt Lexikon”, Stockholm 1986, deel 25, pag. 470, schrijft hierbij “ondanks zijn nederige afkomst”.  Zijn bruid is inderdaad gravin, maar zijn voorvaderen huwden wel vaker dochters van graven. A. von Transehe-Roseneck, “Die ritterlichen Livlandfährer des 13. Jahrhunderts”, Würzburg 1960, noemt ten onrechte als ouders Claus Wilhelm Hastfer (1626-1686) en Anna Löwenstern (1642-1723).
9. In zijn militaire rol van oktober 1696 staat nog geen vinkje bij huwelijk of kinderen, in oktober 1697 wel bij huwelijk en bij zoon en in december 1698 wel bij huwelijk maar niet bij kinderen. KrigsArkivet, 0022 Rullor 1620-1723, 1696/10
, folio 76, 1697/6, folio 331
 en  1698/3, folio 76. Latvijas Valsts Vestures Arhivs, St. Jacobi Riga DTB Boek 1668-1704, (pag. 122) folio 244.
10. P. Sörensson, “Ur General Meijerfelts dagboksanteckningar. Ett Karl XII:s äventyr i Polen 1706″, Stockholm 1919.