Om te beginnen is er het eigen verhaal van stamvader Johan August von Meijenfeldt. Dat bestaat uit een aantal overleveringen, die aan hemzelf zijn toegeschreven.
De stamvader beweerde een zoon van de Zweedse veldmaarschalk te zijn.
Dat staat niet in een door hemzelf geschreven en bewaard gebleven document, maar in een brief van zijn zoon. (1)
Eigen documenten over de afkomst van de stamvader zijn verloren gegaan.
Hoewel diverse documenten van de stamvader bewaard zijn gebleven, heeft geen enkel daarvan betrekking op zijn afkomst. Bij een brand of ontploffing in Rotterdam zou alles verloren zijn gegaan. (2)
Vanwege zijn leeftijd zag de stamvader af van een reis naar Zweden.
Rond 1830 zou de stamvader naar Zweden hebben willen reizen. Zijn kinderen hielden hem daarvan af vanwege zijn hoge leeftijd. In plaats daarvan zou hij naar Magdeburg zijn gereisd. (3)
Als ervaren zeeman moet hij op zijn zeventigste wel tot een reis van een vijftal dagen in staat geacht worden. Kustvaarders namen vanuit Rotterdam regelmatig passagiers mee en was niet heel duur. Misschien was zijn gezondheid broos. De bootreis naar Zweden of Magdeburg is niet zo verschillend: tot Hamburg zelfs gelijk en vandaar langs de kust naar Stockholm of over de rivier de Elbe stroomopwaarts tot Magdeburg. (4)
Of zouden de nakomelingen van de stamvader Marlow, waar zijn zuster woonde, hebben verwisseld met Magdeburg? De stamvader zou zijn kinderen nooit van zijn bedoelingen verteld hebben, maar waarom maakte hij zijn afkomst van de Zweedse graaf dan wel bekend?
1. Brief van Carl aan Universiteit van Helsingfors, Amsterdam 10 augustus 1876 [CC].
2. Brief van Govert von M [CG-15].
3. Brief van ?
4. In 1830 woonde daar geen naamgenoot, maar wel stadsrechter Friedrich Thilo. De gelijknamige Rotterdamse doopgetuige uit 1815 woonde overigens bij Rostock. Briefwisseling met A.R. Buchholz, Amtsleiter Stadtarchiv Magdeburg [CH-228, CH-229 en CH-230].
