2.4.4. Kattenburg

Kattenburg: Rijkswerf (bruin, links, west), werkliedenhuizen (geel, rechts, oost)
A. Braakensiek 1875

Op Kattenburg loopt aansluitend op het enorme Zeemagazijn langs de Grote Kattenburgerstraat links een langgerekte muur naar het einde van het eiland. In de muur bevindt zich een poortgebouw, dat toegang geeft tot de Rijkswerf. Daar zet Carl von Meijenfeldt zijn werk voort als Scheepstimmerman der Eerste Klasse. Aan de rechterzijde is via één van de drie dwarsstraten de parallel lopende Kleine Kattenburgerstraat te bereiken. Daar woont Carl  met zijn gezin in huis 695 in de kelderverdieping, meestal een indicator voor kommervolle omstandigheden. Het eiland is propvol, dus mogelijk is dit de enig beschikbare woonruimte. Vanuit hier kan hij rustig naar een betere woning omzien.

Kleine Kattenburgerstraat, Amsterdam
Foto: Jacob Olie 1894

Het zoeken gaat niet rustig maar traag. Tweede zoon Carl Frederik was al in de vochtige kelder geboren. Pas na bijna twee jaar in april 1852 verhuist het gezin naar lichtere en ruimere kamers op de kop van de Kleine Kattenburgerstraat, om de hoek aan de Nieuwendammergracht (nu Mariniersplein). Eind dat jaar is er een mooie aanleiding om de familie in Rotterdam terug te zien: Cornelia Hendrica Diederich, de jongste zus van zijn vrouw Nel, trouwt met de Rotterdamse timmerman Pieter Kreber.

Kort daarop verschijnt in een Amsterdamse krant  voor het eerst de naam Meijerfeld in een rouwadvertentie:

Algemeen Handelsblad 8 februari 1853

Het gaat om de dood van Johannes Nicolaas van Paddenburg, de oudste zoon van Wilhelmina Augusta. Of Carl zijn halfzus in het bericht wel of niet ziet en wel of geen navraag doet vertelt het verhaal niet. Omgekeerd geldt hetzelfde toen acht jaar eerder in dezelfde krant het huwelijk van broer Hendrik von Meijenfeldt stond aangekondigd. Overigens wordt Wilhelmina Augusta enkele dagen na de rouwadvertentie grootmoeder; haar dochter Johanna Susanna baart een kind van Hendrik Franciscus Smit, een vijf jaar oudere huurder in hun huis. Zij trouwen een half jaar later en het hele gezelschap verhuist in december naar de Anjelierstraat 25 en het jaar daarop naar de Pijlsteeg 117.

Terug naar het gezin van Carl aan de Nieuwendammergracht. Vroeg in de morgen van 25 juli 1853 bevalt Nel van een derde zoon. Twee dagen later doet Carl met twee scheepstimmermannen als getuige aangifte op het stadhuis. Het kind krijgt de namen Frederik Hendrik, vernoemd naar twee van zijn ooms. Zijn roepnaam wordt Frits. De Lutherse dominee Lagers kan de doop niet verzorgen, omdat hij weer zwaar ziek te bed ligt en ruim een jaar later vlak na Kerst zelfs zal overlijden. Dominee Ludwig Lentz vervangt hem en komt thuis langs op 17 augustus om de doop te voltrekken.

In Rotterdam werkt broer Jan von Meijenfeldt als meester timmerman. Hij heeft knechten en leerlingen in dienst. Op 20 oktober 1853 neemt hij in één van de zalen van sociëteit de Harmonie deel aan een bijeenkomst.

Sociëteit de Harmonie, Rotterdam

Maar liefst 140 werkbazen uit verschillende vakken bespreken de duurte van de levensmiddelen voor het ambachtsvolk. Afgesproken wordt de komende winter vast te houden aan uitbetaling van het middelloon en in november geen tweede korting op het daggeld toe te passen. Bovendien wordt afgesproken de werktijden en lonen te verbeteren. Het gemeentebestuur stemt met deze sociale tegemoetkomingen in. (1)

Het verhaal van broer Hendrik blijft gelijk oplopen. Hij verhuist met vrouw en dochter binnen Schiedam naar een nieuw adres op de Hoogstraat, wijk C, nummer 132. Na een nieuwe zwangerschap komt daar op 25 oktober 1854 om 4:00 uur een zoon ter wereld. In die tijd is het niet ongebruikelijk een eerder overleden kind als het ware te doen herleven in de namen van een nieuwe geboren kind. Van de twee eerder overleden jongens valt de keuze niet op Johan August maar op de naam Hendrik Jacobus August. De inmiddels 44-jarige vader doet diezelfde dag nog aangifte op het stadhuis, met twee aanwezige ambtenaren als getuige. Hij heeft haast, want een benoeming van de Belastingdienst in Delft heeft hij al op zak. Het gezin gaat aansluitend naar het station Schiedam om daar de stoomtrein te nemen.

Gezicht op het Station en de BuitenWatersloot te Delft

Vanaf station Delft is het niet ver naar de nieuwe woning aan de Brabantse Turfmarkt, wijk 3, nummer 292. De doop van het zoontje vindt op zondag 26 november plaats door dominee A.H. Broens. Hij is Evangelisch-Luthers en zijn kerk ligt een eind verderop aan Noordeinde 4. En dat terwijl genoeg Nederduits Hervormde kerken dichtbij liggen. Ook van deze derde zoon wordt het gezin snel beroofd, al na 2½ maand, op 12 januari 1855. Een cholera epidemie waart door alle steden en is de waarschijnlijke oorzaak. Een collega van de Belastingdienst verzorgt de aangifte op het stadhuis.

Cor Bruijn, “Koentje van Kattenburg”, Amsterdam 1937. 

De sociale ellende van Kattenburg krijgt 80 jaar later pas grote bekendheid door Cor Bruijn, de schrijver van de deeltjes met Keteltje en van Sil de Strandjutter. Zijn roman is opgedragen aan en gebaseerd op de  beginjaren van Jan van Zutphen, de latere vakbondsman en vechter tegen tuberculose. Net als Koentje in het boek zwerft deze Jan buiten de schooluren over de werven, waar hij het harde bestaan ziet en bijverdient met het pluizen van kabels waarmee schepen worden gebreeuwd. De zonen van Carl brengen een soortgelijke jeugd door, maar zullen niet voor het humanisme van Cor Bruijn of het socialisme van Jan van Zutphen kiezen, maar voor godsdienstig fanatisme. Althans, zo ervaart, benoemt en verwerpt de laatste dat vanwege zijn kindsjaren.

Vier  huizen met percelen van Carls gezin op Kattenburg

Op de Rijkswerf verwisselt Carl op 5 april 1854 van functie. Na 27 jaar stopt hij als Scheepstimmerman. Hij aanvaardt de functie van Schrijver bij Tweede Meesterknecht A. van der Sluijs. Een jaar later in april 1855 verhuist het gezin naar het ruimere huis nummer 665, terug in de Kleine Kattenburgerstraat. 

Terug   ***   Verder

1. Rotterdamse Courant, 25 oktober 1853, pag. 3.