1.6.3. Oostenrijkse Successieoorlog

De kinderen van Johan August komen inmiddels op een leeftijd dat zij het ouderlijk huis gaan verlaten. Hun opvoeding is – hoe kan het anders – sterk op militaire leest geschoeid. Carl Fredrik jr was al op 10-jarige leeftijd ingeschreven als vrijwilliger bij het Stralsundse Lijfregiment van de koningin, de vrouw van Frederik I van Zweden. In 1737 krijgt de 12-jarige Johan Au­gust jr op drie terreinen een voortzetting van zijn opleiding, namelijk aan de universiteit, in het leger en aan het Hof.

Als huisleraar trekt hun vader Siegfried Cäso Aeminga aan (1710-1768, dan jong jurist van de Universiteit van Greifswald, later daar hoogleraar en rector, alsook geadeld). Vanaf 1738 vergezelt deze hem op een studiereis langs Stockholm en de Universiteit van Uppsala, waar Johan August als stu­dent wordt ingeschreven. Zij keren in 1740 terug naar Stralsund om de studie aan de Universiteit van Greifswald te vervolgen.

Zijn militaire training krijgt Johan August jr bij het in Stralsund gelegerde regiment van graaf Dohna, waar hij sinds 1737 als Verkenner is aangesteld. In 1741 treedt hij toe tot het Lijfregiment, waar zijn broer Carl Fredrik jr na een jaar gids te zijn geweest tot vaandrig is bevorderd. Ook in 1737 stelt de Zweedse koning Frederik Johan August jr aan als Kamerheer. In zijn militaire conduitestaat schrijft hij hoe onbelangrijk hij dat vindt: (1)

Omdat de militaire drang bij mij vanaf mijn vroegste jeugd zo sterk was, wilde ik niets van deze koninklijke gunst weten, zodat de benoemingsbrief door mijn familie werd weggestopt en ik deze niet eerder heb gezien dan toen ik veldmaarschalk was, toen ik het tussen andere familiepapieren tegenkwam, maar een benoeming tot verkenner, die ik kreeg bij het regiment van de toenmalige kolonel graaf Dohna, die in het garnizoen van Stralsund lag, werd door mij met het grootste genoegen en verantwoordelijkheid tegemoet getreden en ondernomen. Intussen was bovenvermelde kamerheerbrief toch nuttig omdat ik daardoor in 1744 onder de noemer van functieruil met een met luitenant-kolonelstitel bij de lijfgarde van de Koningin geplaatste kapitein met de naam Buggenhagen, door middel van 4.000 rijksdaalder bemiddelingsvergoeding, in diens compagnie kapitein werd.

Dit is een openhartige uitleg. Waar het overspringen van de luitenantsrang in de Zweedse geschiedenisboeken nog aan zijn bekwaamheid werd toegeschreven, onthult hij zelf dat het door geld en begunstiging kwam.

De broers zoeken naar mogelijkheden om oorlogservaring op te doen. In die tijd is bijna het hele continent verwikkeld in onderlinge oorlogen onder de noemer van de Oostenrijkse Successieoorlog (1741-1748). Diverse Oostenrijkse erfgebieden staan op het spel: koning Frederik II de Grote van Pruisen maakt aanspraak op de erfenis van het Habsburgse Rijk (in het bijzonder Silezië), terwijl Frankrijk gewoontegetrouw gebiedsuitbreiding zoekt in de Zuidelijke Nederlanden en enkele aangrenzende Duitse vorstendommen. Juist dan wordt een vrouw Maria Theresia aartshertogin van Oostenrijk en koningin van Hongarije en Bohemen. Zij krijgt de steun van haar echtgenoot, de Duitse keizer Frans I van Lotharingen. Bovendien wordt een alliantie gesloten met Saksen-Polen, Engeland en de Nederlanden.

Door een groot gebrek aan officieren, die immers uitsluitend uit de adellijke kringen worden gerekruteerd, is het voor de jonge graven niet zo moeilijk om op deze krijgstonelen te acteren. Zij treden beiden, in navolging van hun kort daarvoor overleden oom graaf Wolmar Johan Meijerfeldt, met de nodige Zweedse goedkeuring in dienst van de Duitse keizer. Carl Fredrik jr kiest in 1741 voor het front aan de Rijn, waar hij de succesvolle opmars tegen het zwakke Franse leger meemaakt. Johan August jr kiest in 1745 voor het front in Silezië, waar de Tweede Silezische Oorlog is ontbrand. Hij neemt deel aan de verloren slag bij Soor, maakt de winterveldtocht in Saksen mee en strijdt in de eveneens verloren slag bij Kesseldorf tegen de Pruisische prins Leopold von Anhalt-Dessau. Met de vrede van Dresden in 1745 komt een einde aan deze episode van de Oostenrijkse Successieoorlog.

Graaf Johan August Meijerfeldt jr. vraagt aan de Zweedse koning Fredrik een aanbeveling om na zijn belevenissen in Silezië verder in het buitenland militaire ervaring op te mogen doen. Hij ontvangt een aanbeveling om dienst te doen bij Karel August Frederik, vorst van Waldeck en Pyrmont (1704-1763), bevelhebber van de Nederlandse legers. Nadat hij op 9 mei 1746 is benoemd, reist de 21-jarige graaf af naar Venlo in de richting van het front ten westen van Maastricht, waar hem een gunstige ontvangst wacht.
De Franse troepen worden geleid door de Franse veldmaarschalk Maurits van Saksen (1696-1750), een erkende natuurlijke zoon van de Saksische koning Augustus II de Sterke en Aurora von Königsmarck.(2) Hij heeft het grootste deel van de Zuidelijke Nederlanden weten te veroveren, door grote veldslagen uit de weg te gaan totdat hij een ideale kans ziet. Hij maakt zich nu op om het laatste stuk te veroveren en gevreesd wordt dat hij verder naar het noorden zal optrekken, naar de Republiek dus. Bij parallelle onderhandelingen in Breda stelt Frankrijk aan de Republiek voor zich niet in de strijd te mengen met behoud van enkele vestingsteden in de Zuidelijke Nederlanden, maar de regenten van de Republiek vertrouwen het niet en de bondgenoten zijn uiteraard mordicus tegen.

Op 11 oktober van dat jaar vindt één van grootste veldslagen van die eeuw plaats bij het plaatsje Rocourt, ten westen van Luik. Er staan 200.000 soldaten tegenover elkaar. De Franse hoofdmacht stort zich op de kleinere Nederlandse linkerflank. Graaf Meijerfeldt jr had tot dan toe niet veel meegemaakt, behalve dat zijn paard bij een achterhoedegevecht gewond was geraakt. Nu is hij bij een groepje dat Waldeck begeleidt in zijn al te roekeloze aanval op een paar Beierse bataljons, waarbij de vorst musketvuur door zijn mantel krijgt en zijn begeleiders – met uitzondering van Meijerfeldt – gewond raken. Ondanks kranig verweer moeten de Nederlanders en later ook de Britten zich over de Maas terugtrekken, terwijl de Oostenrijkers werkeloos toekijken. De Fransen bezetten de vesting Luik.

Die winter volgt Meijerfeldt Waldeck naar Den Haag en de garnizoensstad Arolsen in diens vorstendom. Daarna verblijft hij in Amsterdam. Op een woensdagmorgen vertrekt graaf Meijerfeldt en rijdt in één ruk tot vrijdagmiddag door naar Den Haag. Hij heeft de plannen voor een nieuwe veldtocht bij zich, om de Fransen uit de Zuidelijke Nederlanden terug te dringen. De Fransen doen weer een poging de Republiek aan de bescherming van Engeland en Oostenrijk te ontrukken door een gunstige afzonderlijke vrede aan te bieden. Om dat kracht bij te zetten overschrijden de Franse legers de grens met Staat-Vlaanderen en Staats-Brabant. Dat leidt tot een tegengesteld resultaat: het Nederlandse volk roept om de sterk aan Engeland verbonden Oranjes, waardoor na een geweldloze revolutie een einde komt aan het Tweede Stadhouderloos Tijdperk en prins Willem IV tot erfstadhouder van alle gewesten en kapitein-generaal wordt uitgeroepen. Waldeck blijft bevelhebber, maar is het vaak met de prins oneens.

Bij het begin van de campagne wordt Meijerfeldt één van de adjudanten-generaal van Waldeck. De Fransen trekken op naar Maastricht. Voordat zij de Maas kunnen oversteken zien zij in een rechte westelijke lijn de geallieerde troepen tegenover zich liggen. Op 2 juli 1747 de Slag bij Lafelt plaats tussen totaal 150.000 soldaten. Tijdens het gevecht krijgt Meijerfeldt opdracht naar de geallieerde bevelhebber – William Augustus, Hertog van Cumberland, zoon van de Britse koning George II, vertrouweling van prins Willem IV van Oranje-Nassau – te gaan en informatie over posities door te geven. Vandaar krijgt hij opdracht zich naar de Oostenrijkse veldmaarschalk Karl Josef Batthyáni te haasten om hem tot de aanval te bewegen, want de slag woedt in volle hevigheid terwijl diens rechterflank buiten de strijd blijft en er net als in de kort daarvoor verloren Slag bij Rocourt dus eigenlijk maar half strijd wordt geleverd.

In het heuvelachtige terrein wordt een strijd van greppel naar greppel gevoerd, waardoor het voor Meijerfeldt niet eenvoudig is terug te keren naar zijn onderdeel. Als hij door Ollitikze rijdt merkt hij dat het ontruimd is en de vijandelijke cavalerie binnenrukt. Hij ziet geen kans meer met zijn vermoeide paard te ontsnappen en geeft zich na een omsingeling over. Hij maakt zich bekend en wordt meteen naar het zwaar verdedigde kamp van de Franse koning Lodewijk XV hoog op de Sieberg bij Herderen gebracht. Hij geeft alleen algemene en niet-nuttige informatie en wordt daarom al snel naar een afgelegen huis gebracht, waar hij samen met een Engelse officier door 12 tot 15 man gedurende de nacht wordt bewaakt. De strijd is inmiddels tot een einde gekomen. Er zijn totaal 18.000 doden te betreuren en de Fransen hebben weer een overwinning behaald dankzij de uiteindelijke inname van het cruciaal gelegen Lafelt.

IMG_0306
                                    Slag bij Lafelt

De volgende dag wordt Meijerfeldt met de Engelse officier afgevoerd naar Thagern, waar andere gevangen genomen geallieerde hoge officieren verblijven. Onderweg komt hij zijn kamerdienaar met de trompetter van Waldeck tegen. Deze hebben de opdracht ofwel zijn lijk op te vorderen ofwel hem te ruilen tegen 12 officieren. Daarvan horende stuurt de Franse maarschalk terstond zijn adjudant-generaal om Meijerfeldt te halen, die natuurlijk meteen bereid is. Hij laat zich door de hem vriendschappelijk gezinde hoge officieren, waaronder de Britse bevelhebber Jack Ligonier, overhalen om pas de volgende ochtend af te reizen en eerst te genieten van de door de Franse koning betaalde overvloedige lunch met zilveren servies. Hij zegt de Fransen geen moeite te doen om zijn degen en pistool terug te geven, maar zijn paard wil hij – onder de belofte er zo snel mogelijk een paar terug te sturen – wel graag voor de rit terughebben.

Na een ontbijt in het Franse hoofdkwartier ontmoet Meijerfeldt veldmaarschalk Van Saxen, die hem na enige vriendelijkheden op weg stuurt met zijn kamerdienaar en de trompetter naar het hoofdkwartier van Waldeck ergens te velde. Vandaar vertrekt hij zonder afscheid te nemen vermoedelijk met Waldeck naar ’s-Hertogenbosch en 14 dagen na de slag samen met Hessische troepen richting Duitsland. Na de Vrede van Aken van 17 oktober 1748 trekt Frankrijk zich terug uit de Republiek en uit de Zuidelijke Nederlanden in ruil voor teruggave van eerdere kolonies. De troepen van Waldeck liggen in Etten bij Doetinchem, niet ver van de Duitse grens.

Het derde kind van Johan August sr, Anna Catharina, maakt de jaren veertig heel wat vrediger mee. Zij treedt op 19-jarige leeftijd in Täby bij Stockholm in het huwelijk met graaf Adam Arvidsson Horn van Ekebyholm. Deze graaf was op 25 november 1717 te Stockholm geboren als zoon van de hiervoor regelmatig genoemde staatsman graaf Arvid Bernhard Horn (1664-1742) en gravin Margaretha Gyllenstierna (-1740). De vaders van het bruidspaar zijn zwagers vanwege hun eerste huwelijken met Ingrid respectievelijk Anna Maria Törnflycht. Ook de echtgenoot van Anna Catharina wordt een man van groot aanzien. Hij bekleedt ondermeer de functie van Staatsraad. Het echtpaar krijgt vier kinderen. Op 14 april 1742 wordt een zoon Arvid August geboren, die al een dag later overlijdt. Een dergelijk ongeluk overkomt hen niet met de tweede zoon Johan Gustav, die op 15 juni 1743 wordt geboren. Ook hun dochter Brita Margaretha, geboren op 24 oktober 1745, blijft in leven. Het vierde kind Ulrika Eleonora, dat 8 september 1748 op Fågelvik onder Stockholm wordt geboren, leeft echter maar tot 28 november.

De oude graaf Meijerfeldt voelt in de jaren veertig zijn hoge leef­tijd. De stoeterij van Nehringen is beroemd geworden om de magnifieke paarden die daar worden gefokt. (3) De graaf blijft zijn band met het koninklijk huis benadrukken en hij is in het jaar 1743 dan ook zeer voldaan over de vrede met Rusland en de keuze voor Adolf Frederik van Holstein als toekomstige koning van Zweden. Deze reist via Stralsund naar zijn nieuwe vaderland. Hij overnacht op 20 september 1743 op Löbnitz, het landgoed van baron Schwerin, de commandant van Stralsund. Daar voegt gouverneur-generaal zich met zijn regering bij hem en een imposante stoet gaat richting Stralsund: een Moorse trompetter voorop, dan in blauw geklede kooplieden, vervolgens de regenten afgesloten door graaf Meijerfeldt en tenslotte de koninklijke garde met de kroonprins en diens broer ieder in een rijtuig met zes paarden. In Stralsund verdringen de soldaten en burgers zich langs de kant en vanaf de drie kerktorenspitsen klinkt trompetgeschal, alsook kanon- en geweervuur buiten de stad. Na een week in Meijerfeldt’s paleis en uitvoerige inspecties en rondgangen zet de kroonprins zich op 27 september op weg naar Rügen voor de oversteek naar Zweden. (4)

Nadat de kroonprins Lovisa Ulri­ka van Pruisen tot zijn vrouw kiest, reist ook zij via Stralsund naar haar nieuwe vaderland. Zij verblijft van 31 juli tot 6 augustus 1744 in Meijerfeldt’s paleis. De graaf is zo slecht ter been, dat zijn vrouw Brita Barnekow de koninklijke gasten steeds in haar suite ontvangt. Hij is bovendien doof geworden, want tijdens een diner op slot Karlsburg (Gnatzkov) stelt de prinses hem allerlei vragen over zijn avonturen met Karel XII, maar antwoordt hij op geheel andere vragen. Zijn vrouw beschermt hem met overgave tegen afgunstige kritiek: Sie zwang die Tadler Ihren Greis zu verehren, und zerstörte also die schädliche Rotte. (5)

Sterk verzwakt legt graaf Johan August Meijerfeldt sr rond de jaarwisseling van 1747 op 1748 al zijn ambten neer. Hij is dan meer dan 30 jaar Rijksraad geweest. Hij trekt zich terug in Zweden op Sövdeborg. Op grond van zijn 84-jarige leeftijd bedankt hij bovendien voor de hem aangeboden nieuwe Serafimer Orde. (6)

IMG_0307               ’s Gravenhaegsche Courant 15-01-1748

In 1749 bezoekt Linnaeus – de beroemde Zweedse plantkundige en arts, die geruime tijd in de Nederlanden had gewerkt – de graaf in diens kasteel Sövdeborg: Graaf Meijerfeldt, rijksraad en gouverneur-generaal, heeft zich hier gevestigd, nadat hij zich door deugd, vlijt, verstand, dapperheid tot de hoogste ereplaatsen had opgewerkt, nadat hij koning Karel XII in legertochten was gevolgd, nadat hij vele jaren Pommeren had bestuurd, en nadat hij nu uiteindelijk alle hoge krijgsheren in leeftijd en leven overtreft, omdat hij hier zijn resterende dagen wil slijten; hij had nog immer een flinke buik en redelijke gezondheid, ondanks het door de hoge ouderdom verzwakte gebeente, uitspraak en zenuwen, maar overleed niet lang daarna. (7)

Na een langdurige ziekte geeft graaf Johan August Meijerfeldt op 9 november 1749 de strijd op. Hij overlijdt in zijn kasteel Sövdeborg. Zijn lichaam wordt twee dagen later opgebaard in de kerk van Sövde en daarna verscheept naar Ystad op 23 november. Brita Barnekow neemt dan de leiding over de organisatie van een grootse begrafenis. Bijna een jaar later, op 19 oktober 1750, vindt er een processie plaats in Stralsund en een dag later de begrafenisplechtigheid in de kapel van Nehringen, waar het lichaam in het verfraaide familiegraf wordt bijgezet. (8) Ter nagedachtenis aan haar man schenkt zijn weduwe een zilveren kan aan de dorpskerk van Täby bij Näsby en laat zij in 1770 de grote klok van Sövde omgieten.

 

1. B. Steckzen, “Västerbottens Regementes Officerare till 1841”, pag. 312-317. Zie ook zijn soldatenconduitstaat in C.O. Nordensvan, “Värmlands Regementes (Närke och Värmlands Reg:tes) Historia”, pag. 156-157.
2. Zie over beide personen hoofdstuk 1.3.4, onder andere de verwikkelingen omtrent de aanwezigheid van Aurora op de bruiloft van graaf Meijerfeldt sr in Günthersdorff.
4. C. Tersmeden, “Admiral Carl Tersmedens Memoarer”, Stockholm 1915, deel III, pag. 199. S. Leijonhufvud, “Omkring Carl Gustaf Tessin”, Stockholm 1918, deel II, pag. 7.
5. Ranft, pag. 337-338.
6. C.F. Meijerfeldt, pag. 18-19.
7. C. von Linné, “Carl Linnaei Skånska resa”, Stockholm 1999, pag. 302. M. Stenbock, “Bref till Carl”, KKD XII, Lund 1918, pag. 280, voetnoot.
8. Evangelisches Pfarrambt Glewitz, Kirchebuch Nehringen 1682-1792. [DD/GA/3]. C.F. Meijerfeldt, pag. 19.