1.6.4. In Keizerlijke krijgsdienst

De broers Carl Fredrik en Johan August Meijerfeldt jr zoeken naar mogelijkheden om oorlogservaring op te doen. Door een groot gebrek aan officieren, die immers uitsluitend uit de adellijke kringen worden gerekruteerd, is het voor de jonge graven niet zo moeilijk om op de Europese krijgstonelen te acteren. Zij treden beiden, in navolging van hun kort daarvoor overleden oom graaf Wolmar Johan Meijerfeldt, met de nodige Zweedse goedkeuring in dienst van de Duitse keizer.

Hun zuster Anna Catharina maakt de jaren veertig heel wat vrediger mee. Zij treedt op 19-jarige leeftijd in Täby bij Stockholm in het huwelijk met graaf Adam Arvidsson Horn van Ekebyholm. Deze graaf was op 25 november 1717 te Stockholm geboren als zoon van de hiervoor regelmatig genoemde staatsman graaf Arvid Bernhard Horn (1664-1742) en gravin Margaretha Gyllenstierna (-1740). De vaders van het bruidspaar zijn zwagers vanwege hun eerste huwelijken met Ingrid respectievelijk Anna Maria Törnflycht. Ook de echtgenoot van Anna Catharina wordt een man van groot aanzien. Hij bekleedt ondermeer de functie van Staatsraad. Het echtpaar krijgt vier kinderen. Op 14 april 1742 wordt een zoon Arvid August geboren, die al een dag later overlijdt. Een dergelijk ongeluk overkomt hen niet met de tweede zoon Johan Gustav, die op 15 juni 1743 wordt geboren. Ook hun dochter Brita Margaretha, geboren op 24 oktober 1745, blijft in leven. Het vierde kind Ulrika Eleonora, dat 8 september 1748 op Fågelvik onder Stockholm wordt geboren, leeft echter maar tot 28 november.

Oostenrijkse Successieoorlog (1741-1748)

De vrouw van de Duitse keizer Frans I van Lotharingen, Maria Theresia, wordt in 1740 aartshertogin van Oostenrijk. Diverse Oostenrijkse erfgebieden staan op het spel, ofwel omdat aanspraak op de erfenis van het Habsburgse Rijk wordt gemaakt (Pruisen in Silezië)), ofwel omdat gebiedsuitbreiding wordt gezocht (Frankrijk in de Zuidelijke Nederlanden en enkele aangrenzende Duitse vorstendommen).

Carl Fredrik jr kiest in 1741 voor het front aan de Rijn, waar hij de succesvolle opmars van het Rijksleger tegen het zwakke Franse leger meemaakt.

Johan August jr kiest in 1745 voor het front waar een jaar eerder de Tweede Silezische Oorlog was ontbrand. Maria Theresia was dit grondstofrijke deel van Bohemen twee jaar eerder verloren aan koning Frederik II de Grote van Pruisen. Hij neemt deel aan de verloren slag bij Soor, maakt de winterveldtocht in Saksen mee en strijdt in de eveneens verloren slag bij Kesseldorf tegen de Pruisische prins Leopold von Anhalt-Dessau. Met de vrede van Dresden in 1745 komt een einde aan deze episode.

Johan August jr vraagt aan de Zweedse koning Fredrik een aanbeveling om na zijn belevenissen in Silezië verder in het buitenland militaire ervaring op te mogen doen. Hij ontvangt een aanbeveling om dienst te doen bij Karel August Frederik, vorst van Waldeck en Pyrmont (1704-1763), bevelhebber van de Nederlandse legers. Nadat hij op 9 mei 1746 is benoemd, reist de 21-jarige graaf af naar Venlo in de richting van het front ten westen van Maastricht, waar hem een gunstige ontvangst wacht.

De Franse troepen worden geleid door de eerdergenoemde Franse veldmaarschalk Maurits van Saksen (1696-1750). Hij heeft het grootste deel van de Zuidelijke Nederlanden weten te veroveren, door grote veldslagen uit de weg te gaan totdat hij een ideale kans ziet. Hij maakt zich nu op om het laatste stuk te veroveren en gevreesd wordt dat hij verder naar het noorden zal optrekken, naar de Republiek dus. Bij parallelle onderhandelingen in Breda stelt Frankrijk aan de Republiek voor zich niet in de strijd te mengen met behoud van enkele barrièresteden in de Zuidelijke Nederlanden, maar de regenten van de Republiek vertrouwen het niet en de bondgenoten zijn uiteraard mordicus tegen.

Op 11 oktober van dat jaar vindt één van grootste veldslagen van die eeuw plaats bij het plaatsje Rocourt, ten westen van Luik. Er staan 200.000 soldaten tegenover elkaar. De Franse hoofdmacht stort zich op de kleinere Nederlandse linkerflank. Johan August jr had tot dan toe niet veel meegemaakt, behalve dat zijn paard bij een achterhoedegevecht gewond was geraakt. Nu is hij bij een groepje dat Waldeck begeleidt in zijn al te roekeloze aanval op een paar Beierse bataljons, waarbij de vorst musketvuur door zijn mantel krijgt en zijn begeleiders – met uitzondering van Meijerfeldt – gewond raken. Ondanks kranig verweer moeten de Nederlanders en later ook de Britten zich over de Maas terugtrekken, terwijl de Oostenrijkers werkeloos toekijken. De Fransen bezetten de vesting Luik.

Die winter volgt Meijerfeldt Waldeck naar Den Haag en de garnizoensstad Arolsen in diens vorstendom. Daarna verblijft hij in Amsterdam. Op een woensdagmorgen vertrekt graaf Meijerfeldt en rijdt in één ruk tot vrijdagmiddag door naar Den Haag. Hij heeft de plannen voor een nieuwe veldtocht bij zich, om de Fransen uit de Zuidelijke Nederlanden terug te dringen. De Fransen doen weer een poging de Republiek uit de coalitie met Engeland en Oostenrijk los te weken door een gunstige afzonderlijke vrede aan te bieden. Om dat kracht bij te zetten overschrijden de Franse legers de grens met Staat-Vlaanderen en Staats-Brabant. Dat leidt tot een tegengesteld resultaat: het Nederlandse volk roept om de sterk aan Engeland verbonden Oranjes, waardoor na een geweldloze revolutie een einde komt aan het Tweede Stadhouderloos Tijdperk en prins Willem IV tot erfstadhouder van alle gewesten en kapitein-generaal wordt uitgeroepen. Waldeck blijft bevelhebber, maar is het vaak met de prins oneens.

Bij het begin van de campagne wordt Meijerfeldt één van de adjudanten-generaal van Waldeck. De Fransen trekken op naar Maastricht. Voordat zij de Maas kunnen oversteken zien zij in een rechte westelijke lijn de geallieerde troepen tegenover zich liggen. Op 2 juli 1747 vindt de Slag bij Lafelt plaats tussen totaal 150.000 soldaten. Tijdens het gevecht krijgt Meijerfeldt opdracht naar de geallieerde bevelhebber – William Augustus, Hertog van Cumberland, zoon van de Britse koning George II, vertrouweling van prins Willem IV van Oranje-Nassau – te gaan en informatie over posities door te geven. Vandaar krijgt hij opdracht zich naar de Oostenrijkse veldmaarschalk Karl Josef Batthyáni te haasten om hem tot de aanval te bewegen, want de slag woedt in volle hevigheid terwijl diens rechterflank buiten de strijd blijft en er net als in de kort daarvoor verloren Slag bij Rocourt dus eigenlijk maar half strijd wordt geleverd.

In het heuvelachtige terrein wordt een strijd van greppel naar greppel gevoerd, waardoor het voor Meijerfeldt niet eenvoudig is terug te keren naar zijn onderdeel. Als hij door Ollitikze rijdt merkt hij dat het ontruimd is en de vijandelijke cavalerie binnenrukt. Hij ziet geen kans meer met zijn vermoeide paard te ontsnappen en geeft zich na een omsingeling over. Hij maakt zich bekend en wordt meteen naar het zwaar verdedigde kamp van de Franse koning Lodewijk XV hoog op de Sieberg bij Herderen gebracht. Hij geeft alleen algemene en niet-nuttige informatie en wordt daarom al snel naar een afgelegen huis gebracht, waar hij samen met een Engelse officier door 12 tot 15 man gedurende de nacht wordt bewaakt. De strijd is inmiddels tot een einde gekomen. Er zijn totaal 18.000 doden te betreuren en de Fransen hebben weer een overwinning behaald dankzij de uiteindelijke inname van het cruciaal gelegen Lafelt.

IMG_0306Slag bij Lafelt

De volgende dag wordt Meijerfeldt met de Engelse officier afgevoerd naar Thagern, waar andere gevangen genomen geallieerde hoge officieren verblijven. Onderweg komt hij zijn kamerdienaar met de trompetter van Waldeck tegen. Deze hebben de opdracht ofwel zijn lijk op te vorderen ofwel hem te ruilen tegen 12 officieren. Daarvan horende stuurt de Franse maarschalk terstond zijn adjudant-generaal om Meijerfeldt te halen, die natuurlijk meteen bereid is. Hij laat zich door de hem vriendschappelijk gezinde hoge officieren, waaronder de Britse bevelhebber Jack Ligonier, overhalen om pas de volgende ochtend af te reizen en eerst te genieten van de door de Franse koning betaalde overvloedige lunch met zilveren servies. Hij zegt de Fransen geen moeite te doen om zijn degen en pistool terug te geven, maar zijn paard wil hij – onder de belofte er zo snel mogelijk een paar terug te sturen – wel graag voor de rit terughebben.

Na een ontbijt in het Franse hoofdkwartier ontmoet Meijerfeldt veldmaarschalk Van Saxen, die hem na enige vriendelijkheden op weg stuurt met zijn kamerdienaar en de trompetter naar het hoofdkwartier van Waldeck ergens te velde. Vandaar vertrekt hij zonder afscheid te nemen vermoedelijk met Waldeck naar ’s-Hertogenbosch en 14 dagen na de slag samen met Hessische troepen richting Duitsland. Na de Vrede van Aken van 17 oktober 1748 trekt Frankrijk zich terug uit de Republiek en uit de Zuidelijke Nederlanden in ruil voor teruggave van eerdere kolonies. De troepen van Waldeck liggen in Etten bij Doetinchem, niet ver van de Duitse grens.