1.4.1. De Russische veldtocht

image

Routes van de Zweedse hoofdmacht vanaf Dresden,
de 
bevoorrading vanaf Riga en de thuisreis van Johan August

Tsaar Peter de Grote weet nog steeds niet welke richting de Zweedse hoofdmacht zal inslaan: naar het noorden (Baltische gebied), het oosten (Moskou) of een combinatie. Juni 1708 komt het antwoord; de hoofdmacht trekt oostwaarts via de lijn Minsk-Smolensk. De Russen graven zich in achter de rivieren Berezina en Dnjepr. De eerste rivier nemen de Zweden op hun beproefde wijze, maar nu met een zuidwaartse omleiding.

Beide legers sturen dan opeens voor het eerst op een directe confrontatie aan. Op 4 juli 1708 komt het tot een treffen bij Golovcin, dat weliswaar opnieuw door Karel XII wordt gewonnen, maar waarbij voor het eerst van een zekere discipline en vechtlust bij de Russen blijkt. Aangezien Johan August zich met zijn regiment in de laatste marsrij bevindt blijft hij 80 à 90 kilometer van dit gevecht verwijderd.

Eenmaal aangekomen bij de grensplaats Malatitze aan de Dnjepr blijft Karel XII met de hoofdmacht liggen, terwijl hij Johan August met een deel van het leger op de rivier afstuurt. Zonder dat er een schot valt trekt hij de rivier over en voert enkele patrouilles uit. Het hoofddoel komt steeds naderbij: nog 150 kilometer naar Smolensk en dan nog 300 naar Moskou. Karel XII blijft echter twee kostbare zomermaanden op dezelfde plaats liggen.

Deze vertraging is te wijten aan de uitvoering van het bevoorradingsplan. Vanuit het Baltische gebied had zich hier een grote bevoorradingstrein onder Lewenhaupt bij de hoofdmacht moeten voegen. Dit leger was ook wel vertrokken, maar op een veel te laat tijdstip en met een veel te laag tempo. Overste Carl Fredrik Meijerfeldt behoort tot dit leger en krijgt opdracht om diep op de noordflank te penetreren. In de maand juli bevindt hij zich zelfs al te ver voor de linies uit. (1) Hij moet zich met zijn regiment aan een lange mars zuidwaarts zetten om zich met Lewenhaupt te kunnen verenigen. Daar steunt hij hem in een conflict met Stackelberg, die zegt dat er stiekem opbrengsten uit Lijfland naar de familie Lewenhaupt in Zweden zouden zijn overgebracht en dat Piper en Johan August Meijerfeldt daar ook achter zouden zijn gekomen. Lewenhaupt had daarop via zijn vrouw via Anna Christina Hastfer “die ein sehr artige Frau war” via Carl Fredrik aan Johan August Meijerfeldt om uitkomst gevraagd, die in een brief geantwoord had dat niets van dit alles klopte. (2)

Eind augustus besluit Karel XII niet langer op Lewenhaupt te wachten. Met het gehele leger steekt hij de Dnjepr over en volgt een zuidoostelijke route. Bij het moeras van Moljatitsji (Mol’atici) slaan de Zweden hun kamp op. Daar geven de Moskovieten er opnieuw blijk van te hebben bijgeleerd: zij zetten een infanterieaanval in en trekken zich pas terug nadat de Zweedse hoofdmacht is gearriveerd.

Johan August trekt met 6000 man over een eerder geslagen brug over de rivier Tsjornjaja Natopa. De volgende dag, 3 september, komt hij bij de Moskovische linies aan, waar hij nog net kan zien hoe de laatste rijen zich terugtrekken en dorpen en landerijen in brand steken. Hij raakt nog in een kamp Kozakken en Kolmukken, waaruit hij door 2 andere compagnieën wordt ontzet. (3)

De mars van de hoofdmacht wordt nu noordwaarts naar Smolensk voortgezet. Op 11 september komt in Tatarsk, de opening van de route Smolensk-Moskou, een moeilijk beslissingsmoment. In de eerste plaats zijn het nu weer de Russen die een veldslag ontwijken. Behoudens verrassingsaanvallen kan een veldslag niet worden geleverd, als niet beide veldheren daartoe bereid zijn. De veldheer die een slag wil ontwijken trekt zich steeds in geaccidenteerd terrein terug of marcheert gewoon weg als zijn tegenpartij aan de urenlange opstelling in slagorde begint. Bovendien begint het voedseltekort nijpend te worden door de Russische tactiek van de verschroeide aarde, terwijl Lewenhaupt – ondanks de omweg van de hoofdmacht – nog in geen velden of wegen te zien is.

Karel XII heeft lange gesprekken met graaf Piper en veldmaarschalk Rehnskiöld, en ook Johan August is soms aanwezig. Er wordt wel aangenomen, dat de baron in het bijzonder aanwezig is om te adviseren over het moreel van de niet-Zweedse soldaten. Dat moreel laat te wensen over, in verband met de extreme veldomstandigheden en het gebrek aan voedsel. Het kan ook zijn dat hij juist op dat moment de in de generale staf dienstdoende generaal-majoor is. (4) Hij is in elk geval aanwezig bij het besluit niet naar Moskou te gaan, maar naar het zuidelijk gelegen vruchtbare Severië.

Johan August had zich een tegenstander van deze keuze getoond en gepleit voor een directe mars naar Moskou. Piper – die zelf voor een terugtocht naar Polen had gepleit – brengt in zijn memoires naar buiten, dat zijn zwager had gehoopt zijn jonge vrouw naar het leger te kunnen laten overkomen. (5) Dit moet Karel XII hebben gesterkt in zijn voorkeur voor ongehuwde officieren. Ook het versturen van brieven zou door de mars naar het zuiden erg bemoeilijkt worden. Johan August had al ervaring opgedaan met een brief aan Lewenhaupt om hem tot spoed te manen, welke eerst maanden later via een monnik te bestemder plekke kwam.

Het leger van Lewenhaupt raakt door de snelle zuidwaartse mars van Karel XII verder van de hoofdmacht verwijderd. Op 29 september komt Carl Fredrik eindelijk bij Lewenhaupt aan en krijgt het bevel over de voorhoede. Kort daarop winnen de Moskovieten een belangrijke slag. Bij Lesjna wordt Lewenhaupt ernstig verslagen en verliest het grootste deel van de voorraden. (6)

De hoofdmacht zet de mars intussen steeds verder in zuidelijke richting voort, maar de Moskovieten weten voortdurend als eerste ter plaatse te zijn om voedselvoorraden te plunderen of te verbranden. Op aanraden van de overgelopen beroemde Kozakkenaanvoerder Mazeppa trekken de Zweedse legers naar de nog verder zuidwaarts gelegen Oekraïne, waar grote graanvoorraden beschikbaar zijn.

In de wedloop legt Karel XII eer in het beleven van dappere avonturen met zo min mogelijk begeleiders. Eenmaal raakt de koning echter hopeloos omsingeld door de Moskovieten in Rajavka. Over de reddingsoperatie van het Zweedse leger schrijft Johan August:

kam Dahldorff mit seinen wenigen Leute von der rechten Seite, und Ge. Major Meijerfeldt von der linken Seite an dem Könige, und die übrigen kahmen immer nach und nach, daß alßo der König glückl. salviret, der Feint poußiret, und Ihro Königl. May glückl. daß Felt behalten. 

Aangezien Johan August de enige bron voor zijn aandeel in deze operatie is, wordt wel gesuggereerd dat hij aan zelfoverschatting lijdt. (7) Er moet echter toch ook een andere bron zijn, omdat er meer details bekend zijn. Hij zou met zijn regiment een zware pas aan het beklimmen zijn (vreemd genoeg wordt hier het veraf gelegen Holowczin genoemd), toen Rehnskiöld hem van de moeilijkheden van Karel XII op de hoogte bracht; daarop zou hij met enkele squadrons in gestrekte draf naar de plaats des onheils zijn gereden om de koning te ontzetten. (8)

Op 23 november staat Johan August enige weken met enkele regimenten in de voorstad van Romny, ter voorbereiding van het Zweedse winterkwartier. Als hij naar Lochvitsa wil doorstoten raakt hij in een hard gevecht verwikkeld met graaf Wolkonski, die hij tenslotte een behoorlijk verlies kan toebrengen. Kort nadat hij zijn mars heeft voortgezet valt Johan August van zijn paard en breekt een been.

Oprechte Haarlemsche Courant 02-04-1709

Oprechte Haarlemsche Courant, 2 april 1709, voorpagina

Omdat hij hierdoor voor de winter toch als actief officier is uitgeschakeld, zou hij aan de tsaar om een reispas hebben gevraagd, teneinde ongehinderd door Polen te kunnen reizen en in Duitsland zijn been tot genezing te laten komen. (9) Van een dergelijke reis komt echter niets.

De winter van 1708-1709 is de strengste sinds mensenheugenis. In heel Europa vriezen rivieren en zelfs zeeën dicht. Deze winter maakt meer slachtoffers onder de Zweden dan de Moskovieten tot dusverre hebben kunnen toebrengen. Schildwachten vriezen dood, duizenden soldaten hebben bevroren ledematen. Peter de Grote verergert de ellende, door Karel XII te verleiden uit het behaaglijke winterkwartier in Romny weg te trekken naar de Russische hoofdmacht bij Gad’ac, waar de Russen zich tijdig terugtrekken. Woedend besluit de koning tot een haast onmogelijke bestorming van de vesting Veprik. De slotcommandant geeft opdracht vooral op de voorste linies te schieten, waardoor Johan August de belangrijkste officieren uit zijn regiment kwijtraakt.

In het voorjaar trekt het Zweedse leger nog zuidelijker, naar het gebied langs de rivier de Vorskla, een zijrivier van de Dnjepr. Johan August blijft bij zijn regiment, zoals bij Borki (begin maart), bij Budysji (25 april) en Moljatitji (als hij werkloos moet toezien hoe een groep Zweden een mijl verderop wordt ingesloten). Opnieuw dringen Piper en enkele officieren aan op een terugtocht naar Polen, maar Karel XII wil daar niets van weten. Hij zoekt een bondgenootschap met de Zaporozje-Kozakken en Krim-Tataren, terwijl hij de Poolse koning Stanislaus en het achtergebleven Zweedse leger in Polen opdracht geeft naar de Oekraïne op te marcheren.

Half genezen neemt Johan August begin mei weer aan de gevechten deel. Hij verjaagt de vijand bij Sorrotzin, brandt de voorstad plat, voert gevangen Kozakken naar Lydno en proviand naar Lukowitz. (10) Op 8 mei 1709 steekt de Moskovische opperbevelhebber Mensjikov met 40.000 man de rivier de Vorskla over, verslaat twee Zweedse regimenten en bedreigt er vier in de stad Oposn’a. Meijerfeldt krijgt opdracht met het halve Zweedse leger te hulp te schieten. Hij arriveert om ongeveer 9 uur, ziet de vijand rond de stad gelegerd en rukt op in slagorde. Zonder enige tegenstand te bieden marcheren de Moskovieten zo snel zij kunnen terug over de bruggen, die zij over de rivier hadden geslagen. (11)

Johan August zet geen achtervolging in, omdat hij vanwege zijn blessure niet in staat is in galop te rijden. Van zijn offerbereidheid in die tijd geeft hij zelf hoog: 

obgleich nicht stehen nicht gehen könte der Gen: Major Meijerfelt, sondern sich zu Pferde heben laßen muste, wahr er doch mit. Wie er den allemahl, wan waß vorfiel, ungeacht seines schwerer Accidence sich doch allemahl badey einfant und so viel möglich Seine Dienste offerirte, so allen so dahmahls mit gewesen nicht unbekant. (12)

Maar ook de koning prijst zijn doorzettingsvermogen ondanks zijn ziekelijke toestand. (13) Dankzij de bemiddeling van de Pruisische minister graaf Dohna zou hij overigens uiteindelijk in juni zijn reispas hebben gekregen. (14)

1. C. Hallendorff, “Karl XII och Lewenhaupt år 1708”. UUÅ (Uppsala Universitets Årsskrift) 1902:3, pag. 110.
2. A.L. Lewenhaupt, “Kurzer Bericht was sich mit mir seit der Zeit, da ich in Königliche Dienste gekommen, bis auf die Kupitulation beym Dnieper zugetragen», red. Schlözer, Altona und Lübeck 1760.
3. Gravenbrief, folio 152.
4. C. Bennedich, “Karl XII:s krigsföring 1707-1709 och krigsskadeplatsens natur och kultur, I”, KFÅ 1911, pag. 105. Petri, pag. 253-254. Hutton, pag. 268 met noot *.
5. Hallendorff, pag. 130-131 (gesproken wordt van “persoonlijke wensen”). A. Gyllenkrook, “Relationer från Karl XIIs krig”, Stockholm 1913, pag. 58. H. Villius, “Karl XII:s ryska fälttåg”, Lund 1951, pag. 153 noot 92.
6. Hallendorff, pag. 140-141.
7. Villius (1951), pag. 149.
8. F.F. Carlson, “Carl den Tolftes tåg mot Ryssland”, Stockholm 1885, pag. 69.
9.. Ranft, pag. 316-317. In zijn roman “Carolus Lex » overdrijft E. Brunner dat Meijerfeldt beide benen breekt.
10. Gravenbrief, folio 152v.
11. A. Åberg, “Karlolinska Dagböker, J.M. Lyth”, Stockholm 1958, pag. 83.
12. Villius (1951), pag. 149.
13. Gravenhrief, folio 153.
14. D.N. von Siltmann, “Dagbok”, KKD III, Lund 1907, pag. 312. G. Adlerfeld, “Histoire Militaire de Charles XII, Roi de Suède”, Amsterdam 1730, deel IV, pag. 89.