2.3. Rotterdams gezin

In 1809 of 1810 verhuist Johan August von Meijenfeldt met vrouw Catharina Margaretha Pieploo, zoon Jan en schoonouders Pieploo van Amsterdam naar Rotterdam. Zij betrekken een huis aan de Vest, wijk L, nummer 686. De Vest is een gracht die Rotterdam in een wijde bocht ten noorden van de Maas begrenst. Wat kan de reden voor deze verhuizing zijn geweest?

Zomer 1810 lijft de Franse keizer Napoleon Bonaparte het door zijn broer geleidde Koninkrijk Holland bij zijn Keizerrijk in, mede vanwege de – overigens mislukte – invasie van de Britten op Walcheren. Daardoor gelden de Franse wetten, waaronder de invoering van de dienstplicht. De 50-jarige Johan August kan hieraan ontkomen, omdat bij de marine de maximumleeftijd op 49 jaar is gesteld. Bij zijn recente huwelijk had hij zich 8 jaar jonger voorgedaan dan hij werkelijk was; in plaats van dit op te biechten belandt hij in dienst van de Keizerlijke Marine. In 1809 was hij nog Commandeur in de Armada voor Amsterdam, maar in Rotterdam is hij arsenaalkanonnier. (1) Hij gaat dus aan wal dienstdoen, en wel aan de Nieuwehaven; in al zijn tochten tussen 1793 en 1811 aan boord van marineschepen is hij per saldo geen enkele keer in een actief gevecht verwikkeld geraakt.

In Rotterdam wordt op 17 oktober 1810 een tweede kind geboren. Hij heet Hendrik, vernoemd naar zijn grootvader Hendrik Pieploo. De grootouders zijn ook getuige bij de doop in de Evangelisch-Lutherse Gemeente op 20 oktober. De doop wordt voltrokken door dominee Sander (1754-1823) in Rotterdam. (2)    In 1812 wordt een eerste dochter geboren met de Anthonetta. Johan August en Hendrik Pieploo doen de aangifte bij de stad Rotterdam. Johan August corrigeert zijn leeftijd naar 52 jaar. Anthonetta overlijdt al in 1814. In 1815 volgt een zoon Carl. Kort daarvoor was Johan August weggetrokken bij zijn schoonouders en had een eigen woning in dezelfde straat op nummer 296 geregeld.

Op de Rotterdamse Admiraliteit en in de Evangelisch-Lutherse Kerk ziet Johan August zijn vriend Pieter Ziervogel terug. Deze was na het gezamenlijke avontuur in Suriname via Bergen als inspecteur van de zeeartillerie naar Rotterdam teruggekeerd. Hij was overgeplaatst naar Duinkerken, waar hij in 1802 was getrouwd met Anna Catharina Tønder, dochter van een Deense vice-admiraal. Hun eerste kinderen waren daar ook geboren. Hij had een divisie platbodems aangevoerd en twee keer een succesvol treffen gehad met de Engelse admiraal Sidney Smith. In 1807 was hij op eigen verzoek uit Zweedse dienst ontslagen. In 1808 was Pieter weer met zijn gezin naar Rotterdam teruggekeerd, had zijn kinderen alsnog Luthers laten dopen en was als adjudant van de admiralen Winter en Verhuell gaan dienen. Bij de inlijving door Frankrijk was hij ook in de Keizerlijke marine getreden, als “Capitaine de Haut Bord”.

 

  1. Stadsarchief Rotterdam, Liste Civique (burgerlijst, eigenlijk alleen van weerbare mannen) 1811, kaart 35, folio 090: “Jacobus Augustus van Meyenveld, artilleriste au magasin (arsenaalkanonnier), 43 jaar oud”.
  2. Stadsarchief Rotterdam, Particuliere Archieven nr. 28, boeken 238 en 239, Doopregister Evangelisch-Lutherse Gemeente 1804-1832. 3. Nationaal Archief, Directie der Marine Rotterdam (3.09.16), Betaalds Rol der Losse bedienden 1814 en 1815 (inventarisnummers 156-159).