2.4.5. Oma overlijdt

Carl von Meijenfeldt krijgt een aanstelling tot schilder en schrijver bij de tweede meesterknecht A. van der Sluis. De cholera epidemie kost in die tijd in Amsterdam 1100 levens. Nadat deze is uitgewoed bevalt Nel op 3 april 1856 van een dochter. Zij krijgt de namen van grootmoeder Catharina Margaretha (Cato). Vroedvrouw Horskens helpt niet alleen bij de bevalling, maar verzorgt ook de aangifte op het stadhuis twee dagen later. Nels vader kon in Rotterdam nog gemakkelijk bij de doop getuigen toen de oudste zoon naar hem vernoemd werd,  maar nu is een treinreis voor Carls 72-jarige moeder naar Amsterdam wat veel van het goede.

Op 1 september 1857 om 10 uur in de morgen krijgt Carl een vierde zoon. Bij de aangifte op het stadhuis de volgende dag geeft hij hem alsnog de namen Johan August. Na het overlijden van zijn Rotterdamse neefje acht jaar eerder krijgt de derde generatie daarmee een Johan August III. Hij geeft als beroep commandeur op, terwijl hij net op 24 augustus is benoemd tot aannemer in de houthavens.

Terwijl de oudste  zoons aan de lagere school beginnen, moet de doop van de twee jongste kinderen nog plaatsvinden. Dat is merkwaardig, omdat de Lutherse kerk net als de Katholieke voorschrijft een pasgeboren kind binnen een paar dagen te dopen om het van de erfzonde te bevrijden. Dat in tegenstelling tot de Hervormde kerk, die de ceremoniële doopdienst ziet als een middel om het kind in de geloofsgemeenschap op te nemen, waarbij de aanwezigheid van de moeder gewenst is, dus na de kraamtijd.

Carl staat in Amsterdam nog wel ingeschreven als Evangelisch-Luthers. Na het overlijden van dominee Lagers is hij niet de vrijzinnige richting gevolgd van dominee Domela Nieuwenhuis, hoogleraar aan het seminarie, wiens zoon de later beroemde sociaal voorman en revolutionair is. Hij heeft de orthodoxe nieuwe dominee Lentz één keer gevraagd zijn kind te dopen, maar daarna niet meer, mogelijk door diens terugkeer naar de Augsburgse Confessie en hereniging met de Hersteld Lutherse Gemeente. De vader van Carl was daar ooit lid van en zijn halfzus nog steeds. Overigens verliest Wilhelmina Augusta haar 27-jarige dochter Johanna Susanna van Paddenburg op 11 november 1857 en haar twee kleinkinderen kort daarop, waarna zij in 1858 met haar man en twee zoons naar de Dirk van Hasseltsteeg 616 verhuist. 

Broer Hendrik staat ook nog ingeschreven als Evangelisch-Luthers, maar laat zijn kinderen vanwege zijn huwelijk in de Hervormde staatskerk dopen. Carl voelt zich weliswaar meer verwant met de leerstellingen van Calvijn dan Luther, maar vooral door de Dordtse leerregels en de zelfstandigheid van de lokale geloofsgemeente. Om die reden spreekt de Afscheiding van 1834 hem aan. Voorlopig neemt hij geen besluit, omdat hij zich laat afschrikken door het verbod van de Koning op de naamgeving ‘gereformeerd’ en het beboeten en detineren van halsstarrige dominees. Beweerd wordt dat de broers enige tijd Vrijmet­selaar zijn geweest, maar de elites bevolken de loges en religieuze disputen zijn uit den boze, dus misschien is er verwarring met graaf Carl Friedrich von Meijerfeldt jr, die lid was van de loge van de Zweedse koning. (1)

In Rotterdam blaast moeder Catharina Margaretha Pieploo haar laatste adem uit. Zij overlijdt op 25 januari 1858 om 22:00 uur thuis op 74-jarige leeftijd. Gedurende 23 jaar is zij weduwe van de stamvader geweest en sterft als laatste van de oorspronkelijke generatie. Uit Amsterdam komen Carl en Nel met misschien één of meer van de jongens met de stoomtrein. Vanaf Delft reizen Hendrik en Naatje op hetzelfde spoor, samen met dochter Anna die haar eerste borduursteken van oma in Rotterdam leerde. Jan en Nellie ontvangen hen in de woning aan de Goudsche Singel 883. Op 30 januari is de begrafenis van moeder op Crooswijk. Voor een eigen familiegraf is geen geld, dus eindigt zij net als vader in een huurgraf, in haar geval vierde klasse, rij 30. (2)

Na de begrafenis wordt Hendrik op 1 april teruggeplaatst tot Commies der Vierde Klasse en op 15 januari 1859 overgeplaatst van Delft naar Rotterdam. Op 18 oktober verhuist hij met zijn gezin naar een huurhuis aan de Mannenlaan 373 (later Generaal van der Heijdenstraat), in een woonblok tussen het oude familiehuis en het noordelijk gelegen Crooswijk. Op 1 februari 1860 is hij wel weer Commies Roeijen Derde Klasse.

Het Amsterdamse gezin van Carl en Nel groeit op 31 juli 1859 verder. Voor de vierde keer wordt een dochter geboren. Zij krijgt de namen Petronella Wilhelmina van haar moeder, net als haar twaalf jaar eerder in Rotterdam overleden zus. Net als andere vrouwen bevalt Nel thuis. De ziekenhuizen hebben niet veel capaciteit en er heerst veel kraamvrouwenkoorts, doordat een goede afscheiding van zieke patiënten en hun artsen ontbreekt. Thuis is de kwaliteit van de zorg door vroedvrouwen verhoudingsgewijs hoog. Desondanks verliest Nel haar dochter al na zes weken op 10 september. Dat is te vroeg om te denken dat het aan het wisselen van de borstvoeding naar vervuilde melk en spenen ligt. Van die zomer is bekend dat het heet en droog is, zodat veel bacteriën het maag- en darmstelsel via ongewassen doeken kunnen bereiken. Zelfs bij artsen is de zuigelingensterfte in die tijd nog een raadsel en voor de ouders is het een verdrietige goddelijke beschikking.

Terug   ***   Verder

1. Brief van xxx.
2. Overlijdensakte 258, Stadsarchief Rotterdam 999-09, Inv 1858A,
fol 67. Begrafenis 211, SR 676, Inv 19, fol 110.