2.1.4. Overleveringen

De telgen van de Nederlandse familie Von Meijenfeldt zijn er verantwoordelijk voor dat een reeks overleveringen over de afkomst de ronde doen. In deze paragraaf worden die overleveringen in een chronologische volgorde gezet en kort besproken. Over de eerste Nederlandse Von Meijenfeldt gaat het verhaal de ronde dat hij:

a. een echte zoon was van de laatste Zweedse graaf en gravin Meijerfeldt, die zijn overlijden in scene had gezet en gevlucht was.
b. in 1781 deelnam aan de Slag bij de Doggersbank.
c. verbonden was met de 
luite­nant der huzaren Carl August von Meyen­feldt, die bij de Pruisische inval in 1787 in Nijmegen was ingekwartierd.
d. geen p
apieren over zijn afstamming meer had vanwege een ontploffing of brand.
e. nauw bevriend raakte met Pieter Ziervogel, afkomstig uit de Zweedse marinehaven Karlskrona en officier in de Nederlandse marine.
f. (klein)kinderen had die correspondeerden met de Zweedse overheid  over 
herstel van de titel baron tegen betaling van een zeer substantieel bedrag.

a. Echte en gevluchte gravenzoon

Overlevering: De eerste Nederlandse Johan August von Meijenfeldt (1760-1835) is een echte zoon van de Zweedse graaf en gravin Meijerfeldt, die niet overleden maar gevlucht was.
Bron: Briefwisseling tussen Govert en Frits von Meijenfeldt.
Analyse: Johan August zou het eerste deel volgens zijn kinderen en kleinkinderen zelf altijd beweerd hebben. Deze bewering klopt in elk geval niet voor zijn moeder, omdat hij bij zijn huwelijk in 1807 opgeeft dat beide ouders dood zijn. Gravin Lovisa Augusta Meijerfeldt-Sparre woont op dat moment in Stockholm en zal daar nog 10 jaar leven. Dat zijn dood daarbij geënsceneerd zou zijn om hem vanwege een samenzwering kans te geven naar het buitenland te vluchten is door anderen gezegd.
Conclusie: Zie de aparte paragraaf over deze mogelijkheden.

b. Slag bij de Doggersbank

Overlevering: De eerste Von Meijenfeldt nam deel aan de Slag bij de Doggersbank.
Bron: Brief van …
Analyse: Dit was een zeeslag tussen het Verenigd Koninkrijk en de Nederlandse Republiek. Sinds de Glorieuze Revolutie van Willem III had het lange bondgenootschap er toe geleid dat Engeland sterker en Nederland zwakker werd, waardoor de onderlinge irritaties toenamen. De relatie liep stuk op de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog. In 1776 had de gouverneur van St. Eustatius de Britten al woedend gemaakt door als vrijhandelshaven welkomstschoten te lossen voor het eerste Amerikaanse schip “Andrew Doria”. Nederland had geweigerd zich hiervan te distantiëren en had zich integendeel ter bescherming van de internationale vrijhandel in de richting bewogen van het Verbond van de Gewapende Neutraliteit. Toen er op een gekaapt schip een handelsverdrag tussen Amsterdam en de Amerikaanse opstandelingen werd aangetroffen, verklaarde Engeland op 20 december 1780 Nederland de oorlog en was de Vierde Nederlands-Engelse Oorlog een feit.
De Slag bij de Doggersbank woedde op 5 augustus 1781. Een Nederlands handelskon­vooi onder schout-bij-nacht Zoutman was onderweg naar de Oostzee bij de Dog­gersbank (ten noorden van de eilanden) op een terugkerend vijandig Brits konvooi gestuit. In de Nederlandse en Engelse registers van de marine officieren komt Johan August niet voor, maar aan beide zijden worden alleen officieren vermeld. Pieter Hartsinck was in die slag een opkomende ster, in wiens dienst Johan August elf en een half jaar later trad.
Conclusie: Op basis van de archieven kan geen finaal oordeel worden gegeven, maar het is niet waarschijnlijk dat Johan August deelnam.

c. Nijmegen

Overlevering: Luite­nant der huzaren Carl August von Meyen­feldt was ingekwartierd in Nijmegen bij de Pruisische inval in Nederland in 1787.
Bron:
Een jonkheer Van Gendt haalde deze informatie uit een Deens boekwerk over adellijke geslachten. (1)
Analyse: In 1784 was er een eind aan de oorlog tussen  Engeland en Nederland gekomen en een jaar later sluiten Frankrijk en Nederland een alliantie, waarbij de Patriotten het heft in handen nemen in de grote steden. Zij sturen Wil­helmina van Pruisen bij Goejan­verwellesluis terug naar haar man prins Willem V van Oranje in Nijmegen. Zij weet haar broer de koning van Pruisen te bewegen om met 20.000 man op 13 september 1787 in Nijmegen te arriveren en vandaar de Republiek binnen een maand onder de Prins terug te brengen.
Ten aanzien van de Pruisische veldtocht in Holland blijkt wel, dat de Hertog van Bruns­wijk troepen (het grenadierbataljon van Bonin op 13 septem­ber 1787) in Nijmegen inkwar­tierde­. La­ter treden verscheidene bij Am­sterdam gele­gerde batal­jons in dienst van de Staten-Gene­raal: op 22 februari 1788 staat de hertog 2.906 man af; op 5 mei van dat jaar gaat nog eens een korps van 3 bataljons van totaal 1.000 man (2 batal­jons muske­tiers uit Rostock onder Von Gluër en 1 bataljon grenadiers uit Schwerin onder Von Both) over van hertog Fried­rich Franz von Mecklen­burg-Schwerin und Güstrow. Onderzoek levert op dat hier geen Von Meyenfeldt bij aanwezig is en dat de militairen in 1796 naar Duitsland zijn teruggekeerd. (2)
Conclusie: De bron is niet traceerbaar en het belang voor de herkomst van de Nederlandse familie nog onduidelijk.

d. Ontploffing of brand

Overlevering: De familiepapieren over de afstamming van de familie gingen bij een ontploffing of brand verloren.
Bron: Brief van Carl von Meijenfeldt d.d. 14 oktober 1935. (3)
Analyse: De eerste mogelijkheid is een ontploffing van een kruitmagazijn in Amsterdam. Volgens Carl zou dit zelfs de reden voor verhuizing van Amsterdam naar Rotterdam zijn. Bekend is dat in de nacht van 5 op 6 juli 1791 ’s Lands Zeemagazijn (nu het Scheepvaartmuseum) in Amsterdam helemaal uitbrandde, maar daar lagen in beginsel geen privébezittingen van het zeevolk. Bovendien is de eerste bekende inschrijving van Johan August 1793. Een kleinere brand is ook mogelijk geweest.

Brand in de Bloemstraat, waar de stamvader woonde rond 1801 (pentekening uit het gemeentearchief Amsterdam)
Brand in de Bloemstraat, waar de stamvader woont rond 1801
(pentekening Stadsarchief Amsterdam)

In Rotterdam zijn nog twee relevante rampen bekend: op 15 maart 1822 een grote brand in de binnenstad en op 4 januari 1827 een ontploffing van 900 pond buskruit in de kruitmolen aan de Schie. Johan August bezat zijn huis aan de Goudse Singel sinds 1816 en in 1829 sloot hij er nog een hypotheek op af. Na zijn overlijden is het huis openbaar geveild, dus dan moet het overgrote deel van het huis behouden zijn gebleven, evenals de andere familiedocumenten. Een relatie met Bergen op Zoom is niet te leggen (afgezien van de latere verbinding met het geslacht Augustijn).
Conclusie: het verlies van huisraad door een brand of explosie klopt vermoedelijk wel, maar in elk geval zijn nog enkele originele papieren behouden gebleven, zoals geboortebewijzen en de tekeningen.

e. Ziervogel

Overlevering: Pieter Ziervogel uit de Zweedse marinehaven Karlskrona deed net als de eerste Von Meijenfeldt dienst bij de Nederlandse marine en zij raakten bevriend. 
Bron: Brief van Govert von Meijenfeldt …
Analyse: Johan August en Pieter Ziervogel zijn allebei rond 1795 in Paramaribo en maken daar allebei jarenlange wachttijd mee. In 1800 keerden zij beiden in een groot konvooi via het Noorse Bergen naar Nederland terug. Als Johan August in 1809 of 1810 in Rotterdam aankomt, woont Pieter daar al sinds 1808.
Conclusie: Een vriendschap tussen Pieter Ziervogel en Johan August von Meijenfeldt is goed denkbaar. Zij hebben allebei een Zweedse oorsprong (Stralsund resp. Karskrona), functies in de Nederlandse marine en verblijven gedurende dezelfde periode in Paramaribo en Rotterdam.

f. Herstel van de titel baron

Overlevering: De (klein)kinderen hebben gecorrespondeerd met de Zweedse overheid  over het tegen betaling van een zeer substantieel bedrag herstellen van de titel baron.
Bron: Brief van Niels von Meijenfeldt, gehoord van zijn vader Carl Frederik (1921-1984).
(5)
Analyse: Werkelijk h
erstel zou niet de titel baron maar de titel graaf moeten betreffen. Er is wel een brief van Carl von Meijenfeldt bekend die hier iets ook lijkt. De brief was niet gericht aan de Zweedse overheid maar aan de Universiteit van Helsingborg (Helsinki) en het ging niet over herstel in de gravenstand maar de ontzegeling van de nagelaten papieren van de Zweedse graaf. een slordigheidje is in de familieoverleveringen snel gemaakt.
Conclusie: De Nederlandse familie heeft niet geprobeerd de gravenstand terug te krijgen, maar heeft wel geïnformeerd of de papieren van de Zweedse graaf licht op de familierelatie kan werpen. In een aparte paragraaf wordt deze brief van Carl uitvoerig behandeld.

 

1. Brief van Frits von Meijenfeldt (Nk.33), Baarn 14 augustus 1984 [CH-39].
2. Brieven van Militärarchiv, Bundesarchiv Freiburg, 3 december 1990 [CH-177], Mecklen­bur­gisches Lan­deshauptarchiv (v/h Staatsarchiv) Schwerin, 25 januari 1991 [CH-186], Nieder­sächsi­sches Staatsarchiv Wol­fenbüttel, 29 januari 1991 [CH-198] en Sectie Militaire Geschiedenis van de Koninklijke Landmacht, ‘s-Gravenhage 11 januari 1996 [CH-278]. T.Ph. von Pfau (vert.), “Geschiedenis van de veldtogt der Pruissen, in Holland, in 1787”, Amsterdam 1792. Th. von Troschke (vert.), “De Pruisische veld­tocht in Nederland in den jare 1787”, Gouda 1875. J.C. Wagner, “Mecklenburgsche troepen in Neder­landsche dienst 1788-1796”. Gerd Brügmann, “Ein vermißtes Kirchenbuch taucht wieder auf”, Zeitschrift für Niederdeutsche Familienkunde 1966, blz. 73-75. J.P.C.M. van Hoof, “Militairen in de Bataafs-Franse tijd”, Jaarboek Centraal Bureau voor Genealogie 1995, pag. 204.
3. Brief van Carl von Meijenfeldt (Nl.1), 14 oktober 1935 [CG-38]
4. Brieven van A.R. Buchholz, Amtsleiter Stadtarchiv Magdeburg, 6 januari en 3 februari 1992 [CH-228 t/m CH-230].
5. Brief van Niels von Meijenfeldt, Vancouver 22 november 1984. [CH-62]