1.3.4. Het vaderland ontzet

Rond de eeuwwisseling concentreert zich een Saksisch leger van 5000 man onder luitenant-generaal Flemming vlakbij Riga, aan de andere kant van de rivier de Duna, in Koerland. Omdat de keurvorst van Saksen Augustus II de Sterke zich tot koning van Polen en Lithouwen had weten te laten kronen, claimt hij nu Lijfland, dat in het verleden ooit door Polen bezet geweest was. Gealarmeerd door deze troepen en dreigbrieven van de overloper Patkul versterkt de Zweedse gouverneur-generaal Dahlberg de vesting Riga. Zonder oorlogsverklaring overschrijden de Saksers de dichtgevroren rivier en starten daarmee een strijd die 21 jaar zal duren en de naam Grote Noordse Oorlog meekrijgt. Van de drie broers Meijerfeldt krijgt Carl Fredrik in eerste instantie met deze oorlog te maken, omdat hij als kapitein in zijn Österbotten regiment mee gaat werken aan de verdediging van de stad Riga. Luitenant Wolmar Johan ligt met de Livländska Adelsfanan in de buurt van Dorpat.

De aanval van Saksen is onderdeel van een akkoord met Koning Frederik IV van Denemarken, die in maart 1700 het pro-Zweedse hertogdom Holstein-Gottorp binnenvalt en drie zuidelijke provincies van Zweden opeist, die in het verleden ooit door Deense troepen bezet geweest waren. De Saksen vatten hierdoor moed en veroveren een tweede burcht buiten de vestingstad Riga. Karel XII regelt dat enkele Finse regimenten en generaal-majoor Otto Welling (Vellingk) uit de grensstad Narva met 3000 man naar Riga afreizen. In Stockholm benoemt hij Carl Gustaf Frölich op 10 maart 1700 tot luitenant-generaal en gouverneur van Lijfland. Johan August Meijerfeldt biedt daar opnieuw zijn diensten aan en nu zendt de koning hem met Frölich mee naar Riga.

In Riga ontmoeten de broers Carl Fredrik en Johan August elkaar en helpen mee met de verdediging van de stad in dienst van gouverneur Frölich. Er is in diens geworven infanterieregiment geen vacature voor een majoor. Eind mei arriveert Welling met zijn troepen en formeert een grote strijdmacht in Drehlinghof. Hij wil het Saksisch-Poolse leger over de Duna terugdringen en zelfs oversteken. De hoge militairen Frölich en Dahlberg blijven achter in de stad vanwege hun bestuurlijke functies en adviseren Johan August op het aanbod van Welling in te gaan om zich onder zijn commando te stellen en een eigen esquadron ruiters te werven. Op 1 juli vindt zijn capitulatie plaats, op 2 juni 1700 zijn bevordering tot overste (luitenant-kolonel) over een in 6 compagnieën te verdelen esquadron van 200 uit de cavalerie toegewezen ruiters en op 3 juli verkrijgt hij patent om in stad en land van Lijfland en Estland in zes maanden tijd nog eens 100 ruiters te werven. Johan August is zodoende verzekerd van een zelfstandige snelle eenheid, die hem een unieke plaats in het leger verschaft. (1)

Dit is waarschijnlijk één van de redenen, waarom Johan August kort daarna regelmatig met opdrachten wordt belast. Aan de Saksische zijde ligt het tot 20.000 man aangegroeide leger onder veldmaarschalk Steinau. In opdracht van Welling rijdt Johan August  in de nacht van 20 op 21 juli met zijn esquadron en 50 ruiters samen met ritmeester Gustaf Wilhelm de la Barre uit het hoofdkwartier in Yxkul weg. Hij stuit in de morgen op 100 kozakken, die op hun authentieke manier om hen heen gaan cirkelen. De kozakken trekken zich terug zodra enkelen de dood vinden. Na een uur komen ze weer opzetten, versterkt met enkele honderden dragonders. Enkele schermutselingen leiden tot niet veel slachtoffers. (2) 

Eind juli arriveert de Saksische koning Augustus II bij zijn troepen. Hij is heel wat assertiever dan zijn generaals en steekt met de hoofdmacht de Duna over. Steinau en Welling proberen een slag te vermijden, maar bij Probstingshof (Lielvärde) komt het toch tot enkele schermutselingen. Door de grote meerderheid van de vijand ziet Welling zich genoodzaakt zich terug te trekken. Carl Fredrik verweert zich onder Dahlberg tegen de tweede belegering van Riga, terwijl Johan August onder Welling en 4000 man langs de kust naar de noordelijk gelegen havenstad Pernau (Pärnu) optrekt.

Door slinkende troepen (desertie, ziekte, vijandelijk vuur) en protesten van zijn Hollandse en Engelse geldschieters tegen het platbombarderen van hun Hanzekantoren druipt Augustus II tot Zweedse verbazing al naar een maand weer af. Er is nog een andere reden voor de Saksische terugtrekking. Na een bliksemactie van een gecombineerde Zweeds-Engels-Hollandse vloot tegen Kopenhagen wordt al in augustus de Vrede van Travendal getekend. Als Augustus II van de Deense nederlaag en van de aantocht van een Zweedse vloot verneemt, besluit hij zich na de verovering van het vestingstadje Kokenhusen (Koknese) wijselijk terug te trekken in de winterkwartieren in Koerland en Litouwen. 

Johan August ligt onder Welling bij het plaatsje Reyen, tussen Butnik en Dynger, in een moerasgebied dat hem buiten het zicht van de Russen en Saksen houdt. Nadat de Zweedse koning met een deel van de vloot op 6 oktober 1700 aanmeert in Pernau, komt hij een week later naar hun kamp en hoort van Welling niet alleen dat Augustus II in winterkwartier is gegaan, maar ook dat tsaar Peter de Grote ondanks zijn vriendelijke brieven na zijn vrede met de Turken begonnen is met de omsingeling van Narva en troepen op weg heeft gestuurd om het Zweedse magazijn in Wesenberg (Rakvere) in brand te steken en de hoofdstad Reval te veroveren. De tsaar wil uiteindelijk Karelië, Ingermanland en Estland rondom de Finse Golf helemaal bezetten om een nieuwe hoofdstad Sint Petersburg te bouwen.

Peter de Grote had de oversteek van Karel XII zo dicht op het winterseizoen niet zien aankomen, en zeker niet dat diens veldtocht in plaats van op het zuiden op het oosten gericht zou zijn. Johan August gaat direct met Welling op mars om Wesenberg te beschermen. Bij missive van 17 oktober keurt Karel XII het verzoek van Welling d.d. 16 augustus goed ter formalisatie van de capitulatie van en werving door Johan August. (3) Hij heeft inmiddels ruiters weten te werven en komt nog 20 te kort, maar klaagt over de druk die de financiering van twee compagnieën op zijn vermogen legt, met name op zijn landgoed Bevershoff, dat door de zich vlakbij gelegerde Saksische troepen in Kokenhusen regelmatig geplunderd wordt.

Drie dagen later, op 20 oktober 1700, ondertekent Karel XII de bevordering van Carl Fredrik tot majoor als opvolger van Klas von Borgen in het Österbottenregiment. Hij is één van de zeven commandanten van de compagnieën in het regiment en is na kolonel Campenhausen en overste Stålhammers nu de derde in lijn. Hij krijgt hierdoor kennelijk geen extra taken, omdat in de staf van zijn compagnie naast luitenant Voigt en vaandrig Fleming geen uitbreiding komt. Met zijn regiment blijft hij in Riga liggen voor de verdeding tegen de Saksen. (4)

Op 27 oktober komt Johan August met Welling in Wesenberg aan en enige tijd later de hoofdmacht vanuit Pernau onder Rehnskiöld, het tweede deel van de vloot uit Reval en ook Karel XII zelf. Op 16 november start de mars in een door de Moskovieten verwoest landschap met weinig proviand. Drie dagen later bereikt het leger uitgeput en uitgehongerd het front. Met een woedende sneeuwstorm in de rug worden de Russen aangevallen. Johan August strijdt met zijn esquadron ruiters op de rechtervleugel onder Welling. (5) De dan nog onbekende tsaar Peter de Grote is een dag eerder met stille trom van zijn troepen weg gereisd. Van de 37.000 Russen komen er 9.000 om. Na de capitulatie worden de soldaten naar huis gezonden en de legerleiding gevangen genomen. Narva wordt ontzet en van een versterkt Zweeds garnizoen voorzien.

Slag bij Narva 19 november 1700
Schilderij van Alexander Kotzebue

Karel XII heeft voor de tweede maal bewezen een groot veldheer te zijn. Een gunstig vredesaanbod van Peter de Grote wijst hij – anders dan bij de Denen – van de hand. Zijn generaals adviseren hem niet voor de moerastocht naar Moskou te kiezen. De koning is vechtlustig, maar kiest om een andere reden evenmin voor Moskou: het geringe gevaar dat van de passieve, ongetrainde Russen uitgaat. Hij legt meer prioriteit bij het verslaan van de geduchte Saksisch-Poolse legers. Sommige historici spreken van de eerste taxatiefout van de Zweedse koning om noch af te rekenen noch vrede te sluiten met de Russen. Deze taxatiefout zal uitgroeien tot een koppigheid met rampzalige gevolgen.

Karel XII trekt zuidwaarts Lijfland in waar voorraden zijn voor de soldaten. Desondanks  zijn er nogal wat sterfgevallen door ziekten, waaronder zijn lijfarts Johann Martin Ziervogel, wiens achterneef later in deze geschiedenis in Nederland zal opduiken. Generaal Fleming biedt de koning zijn landgoed en Ordekasteel Lais (Laiuse). Daar wordt een vrolijk Kerstfeest gevierd en het hoofdkwartier opgeslagen. Johan August bevindt zich niet bij het hoofdleger in Dorpat maar bij de koning in Lais. (6) Als Laisholm dan nog in het bezit van de Meijerfeldts is, dan zal hij de afstand van 10 kilometer ongetwijfeld hebben weten te overbruggen.

 

1. Uppsala Universitetsbiblioteket, X.240. Svensk biografi i portföljer, Meijerfelts papper, Capitulation, ÖfwerstLieut:s fullmacht & Värfning=Patent. J. Mankell, “Uppgifter rörande svenska krigsmagtens, sedan slutet affemtonhundratalet, Styrka, sammansättning och fördelning”, Stockholm 1865, deel 2, pag. 378, wijkt van de originele documenten af door niet te schrijven ‘ruiters’ maar ‘dragonders’ (infanterie die zich te paard verplaatst).
2. J.A. Nordberg, “Konung Carl den XII: tes historia”, Stockholm 1740, deel 1, pag. 91, spreekt van “Öfwerste Lieutenanten Carl Friedric Mejerfeldt“. Hij haalt de broers door elkaar. Carl Fredrik is op dat moment twee rangen lager kapitein en heeft geen ruiterij maar infanterie. Johan August is dan wel luitenant-kolonel (overste) en beschikt over cavalerie. Omdat Nordberg pas in 1703 in het Zweedse kamp arriveert moet hij een eerdere bron gebruikt hebben. 
F.K. Gadebusch, “Livländische Jahrbücher”, Riga 1780-1783, deel 3-2, pag. 74, en latere bronnen volgen Nordberg.
3. Riksarkivet, 1112.1. Riksregistraturet 1523-1718, B/619, folio 105, “Til General Otto Vellingk svar angl: capitulationerne med Brakel och Meyerfelt”. Johan August wordt nog als majoor aangeduid.
4. Riksarkivet, 1112.1. Riksregistraturet 1523-1718, B/619,
folio 159, “Majors fullmakt under Österbottens infanterie regemente för Carl Friederich Mejerfelt”.  Krigsarkivet, 0022 Rullor 1620-1723, 1700/6 Östersjöprovinserna, folio 85. Rúlla pro November Månad A:o 1700 af Kongl Majstz Österbottens Regiment Infanterie och Capitain Carl Friderich Meijerfeltz Compagnie”.
5.
Frijherre Bref för General Major Johan August Mejerfeldt“, Rawitz d. 12. July 1705. Zelf noemt hij zijn deelname niet in zijn “Untertähnigeβ Memoriall wo und wie lang Ich in diensten gestanden”(Uppsala Universitetsbiblioteket, X.240. Svensk biografi i portföljer, Meijerfelts papper), maar het kan zijn dat hij dat document al in Wesenberg had afgerond. Zijn naam komt ook niet voor in de nauwkeurige lijsten van officieren van tijdgenoten als S. Faber, “Der Ausführlichen Lebens-Beschreibung Carls den XII. Königs in Schweden”, deel 1, Frankfurt und Leipzig 1701, G. Adlerfeld, “Histoire Militaire de Charles XII, Roi de Suéde”, Amsterdam 1730, en J.A. Nordberg, deel 1.
6. Riksarkivet, 720266 Ericsbergarkivet, Svenska Autografer, Vol: 139. Martin-Meijerfelt, folio 486, brief uit Lais van 13 maart 1701 aan gouverneur-generaal Dahlberg over diverse diplomatieke en militaire ontwikkelingen in het hoofdkwartier, met een reactie d.d. 23 maart op de achterzijde van de envelop.