1.3.3. Het vaderland ontzet

Direct na de eeuwwisseling komt het krijgstoneel vanzelf naar de drie broers Meijerfeldt toe. Zonder oorlogsverklaring steekt een groot Saksisch-Pools leger de Duna over. Het leger komt vanuit Koerland (Kurzeme), de meest noordelijke provincie van het onder Pools bewind verkerende Litouwen (Lietuva). Riga wordt ingesloten. Saksen-Polen had met Denemarken en Moskovië een monsterverbond gesloten om de in de afgelopen decennia verloren gegane grondgebieden rond de Oostzee te heroveren en de handelsblokkades op te heffen. Op de Zweedse troon zit een 18-jarige jongen, Karel XII, waar weinig van wordt verwacht. De Grootse Noordse Oorlog (1700-1721) is een feit.

Zowel Carl Fredrik als Johan August zijn betrokken bij de tegenaanval op de Saskers en wellicht Wolmar Johan ook. De vijand wordt teruggeslagen en de Saksische architect van de aanval generaal Von Carlowitz vindt de dood.

In maart 1700 opent Denemarken een tweede front met een inval in Holstein-Gottorp, bondgenoot van Zweden. Daardoor vatten de Saksen moed en rukken opnieuw richting Riga op. Johan August, medio 1700 tot overste van een squadron ruiters benoemd, ondersteunt de oude gouverneur-generaal Dahlberg bij de succesvolle verdediging van de stad. In deze nieuwe functie is hij verzekerd van het zelfstandig commanderen van een overzichtelijke snelle eenheid, die hem een unieke plaats in het leger verschaft. Dit is waarschijnlijk een van de redenen, waarom hij kort daarna veelvuldig met opdrachten zal worden belast. In de nacht van 20 op 21 juli 1700 rijdt Meijerfeldt bijvoorbeeld met 150 ruiters uit het hoofdkwartier weg. Hij stuit in de morgen op 100 kozakken, die op hun authentieke manier om hen heen gaan cirkelen. De kozakken trekken zich terug zodra enkelen de dood vinden. Na een uur komen ze weer opzetten, versterkt met dragonders. Enkele schermutselingen leiden niet tot veel slachtoffers. (1) 

Na een bliksemactie van een gecombineerde Zweeds-Engels-Hollandse vloot tegen de hoofdstad Kopenhagen wordt al in augustus de Vrede van Travendal getekend. Als het Saksische leger van de Deense nederlaag en bovendien van de aantocht van een Zweedse vloot verneemt, trekt het zich wijselijk terug in de winterkwartieren in Koerland. Als waardering voor de geleverde inspanningen bij Riga wordt Carl Fredrik tot majoor bij zijn regiment bevorderd.

Vlak voor de Vrede van Travendal verklaart tenslotte ook Moskovië – dankzij vrede met de Turken – de oorlog aan Zweden, met als eis teruggave van Karelië en Ingermanland. Een Russisch leger trekt in november op naar de vestingstad Narva aan de Finse Golf. Bij de landing van de Zweedse hoofdmacht in de Golf van Riga, wordt onmiddellijk besloten deze stad te hulp te schieten. In de Estse stad Wesenberg (Rakvere) voegt een deel van het garnizoen van Riga zich bij de hoofdmacht. Daarbij is Carl Fredrik waarschijnlijk niet, Johan August wel. Na een moeizame mars neemt hij in een woedende sneeuwstorm deel aan de Slag bij Narva, waar een vijfvoudige Russische meerderheid wordt overwonnen. De dan nog onbekende tsaar Peter de Grote is enkele dagen daarvoor met stille trom van zijn troepen weggereisd.

De andere onbekende vorst, de Zweedse koning Karel XII, heeft voor de tweede maal bewezen een goed veldheer te zijn. Hij gunt zich niet de tijd om de Moskovieten tot capitulatie te dwingen of naar Moskou op te trekken. Niet onbegrijpelijk ziet de Zweedse koning weinig gevaar in de passieve, ongetrainde Russen en legt hij meer prioriteit bij het verslaan van de geduchte Saksisch-Poolse legers. een vredesaanbod van de Russen wijst hij eveneens van de hand. Dat sommige historici hier spreken van de eerste taxatiefout van Karel XII is wijsheid achteraf.

De Grote Noordse Oorlog heeft vanaf dat moment een verwoestende werking op de daarbij betrokken mensen en op het gebied waar het krijgstoneel zich afspeelt. Vele tienduizenden soldaten worden in barre omstandigheden onafgebroken tegen elkaar in het veld gestuurd. De bevolking van het vaderland moet de soldij opbrengen, de bevolking van het strijdtoneel de rantsoenen. Steden en velden worden leeggeroofd en in brand gestoken, hetzij door de vijandelijke troepen, hetzij door de zich terugtrekkende vaderlandse troepen.

Bij zoveel ellende komt dan nog de deceptie dat de zaak waarvoor gevochten wordt voor slechts weinigen duidelijk is. Natuurlijk liggen de bekende machtsvraagstukken aan de oorlog ten grondslag: de religieuze macht (Lutheranen tegen Roomsen), de militaire macht en de economische macht (vooral over de Oostzeehavens). Maar bovenal wordt het strijdverloop bepaald door drie eigenzinnige vorsten: Karel XII van Zweden, Peter de Grote van Rusland en Augustus II van Saksen. Steeds als alle andere argumenten voor vrede pleiten, besluiten de vorsten hun onderlinge wraakacties voort te zetten. Karel XII is van de drie vorsten het minst tot compromissen bereid. Vredesvoorstellen beantwoordt hij telkens weer met de voorwaarde tot onvoorwaardelijke capitulatie. Ook Peter de Grote wijkt nimmer van zijn doelstelling af (het ontsluiten van de Oostzee), ofschoon hij wel het geduld heeft om dat doel stapje voor stapje te bereiken. Augustus II tenslotte droomt van een grote Duitse natie; opportunisme is zijn strategie.

 

 

1. J.J. Nordberg, “Konung Carl den XII: tes historia”, Stockholm 1740, deel I, pag. 91, spreekt van “Öfwerste Lieutenanten Carl Friedric Mejerfeldt”. Dat ligt niet voor de hand, omdat Carl Fredrik op dat moment kapitein is en geen ruiterij heeft. Johan August is dan wel luitenant-kolonel (overste) en beschikt over cavalerie.