1.9.4. Tegenslagen

De afloop van de Russisch-Zweedse Oorlog heeft voor graaf Johan August Meijerfeldt jr ook aan het thuisfront veel roem gebracht. Hoe hem hiervoor te belonen? De hoogste onderscheiding als Serafijnen Ridder wijst de koning af omdat het adellijk niveau van zijn voorgeslacht onvoldoende is: zijn vader was vóór zijn geboorte met een dochter  van de burgemeester van Stockholm getrouwd geweest. (1)  Blijkbaar telt de hoge graad van  zijn grootvader Barnekow en schoonmoeder Ascheberg niet en evenmin het feit dat zijn vader het ridderschap zonder dit probleem aangeboden had gekregen. Een alternatief is hem net als zijn vader tot gouverneur-generaal over Zweeds-Pommeren te benoemen, maar ook daar komt het niet van.

De koning besluit Johan August een week na het sluiten van de vrede te verhogen tot veldmaarschalk van de Zweedse legers. Deze bevordering brengt hem niet de eer waarop hij gehoopt had. Sinds het Anjala-verbond is het voorgeschreven een eed af te leggen en een veiligheidsakte te ondertekenen. Hij vindt dat hij zijn loyaliteit bewezen heeft, acht deze formaliteiten overbodig en tracht deze uit de weg te gaan. De koning wil ook voor zijn trouwe officieren geen uitzondering maken en doet hem een dringende aanzegging. Tegen zijn zwager rijksraad Fredrik Sparre  zegt de koning dat een herhaalde weigering van hem een frequente overtreder maakt en hij er zijn huis en meer mee zou schade. Dit lijkt zijn eerzucht aan te wakkeren in plaats van te temperen, zodat het conflict 22 maart 1791 tot een hoogtepunt komt. (2)

Wellicht had zijn vrouw Louise Sparre nog een matigende invloed op de koning kunnen hebben, maar zij was twee jaar eerder – op 26 februari 1789 – teruggetreden als staatsdame aan het Hof. Dit was zeer tegen de wens van de koning geweest en zij had zelfs een aanbod voor een wedde afgeslagen. Het ruim overschrijden van de 40-jarige leeftijd was haar belangrijkste motief. De andere twee gratieën wilden ook al afscheid nemen vanwege het overschrijden of naderen van hun veertigste levenjaar. (3)

In de naaste familie zijn er drama’s die hoogstwaarschijnlijk invloed hebben op het besluit van de veldmaarschalk. Op 13 maart verdrinkt de dochter van zijn zus Brita Ekeblad-Horn zich. Op dat moment is Carl Fredrik zwaar ziek en op zijn sterfbed smeekt hij zijn broer het eedformulier aan de koning te tekenen. Op 27 maart 1791 zet Johan August zijn eergevoel opzij en tekent het eedformulier. Twee dagen later overlijdt zijn broer.

Hoewel Johan August zwaar in de schulden zit tekent hij ook op 27 maart een bedankbrief aan de koning. Deze verleent hem de volgende dag eervol ontslag als veldmaarschalk. Als tegemoetkoming geeft hij hem het pensioen en  schadeloosstelling waarom hij vraagt. Het bevel over zijn regiment van Närke en Värmland draagt hij over aan baron Gustaf Mauritz Armfelt (1757-1814), wiens oom als Anjala-samenzweerder in de gevangenis zit.

Alsof het al niet genoeg is sterft op 23 mei Johan August  III in Stockholm aan de verwonding die hij bijna twee jaar eerder in Finland had opgelopen. De volgende dag is zijn begrafenis in de Sankt Jakobs Kyrka in Stockholm. Weer een dag later later vindt de begrafenis van Carl Fredrik jr in de kerk van Vittskövle plaats. (4) Johan August erft Nehringen en Ugerup van zijn broer en behoudt ze.

Het jaar daarop brengt de koning zelf tegenslag. Op de avond van 16 maart 1792 neemt hij – ondanks waarschuwingen van een waarzegster en in een brief – deel aan een gemaskerd bal in de Koninklijke Opera. Een groep  mannen in zwarte capes sluiten hem in en Anckarström lost een schot. 

De samenzweerders worden hard aangepakt door politiechef Nils Henrik Liljensparre. Net als de koning was hij altijd bang geweest voor een revolutie van het volk, zoals drie jaar daarvóór in Frankrijk. Nu blijkt dat het gevaar van de adel komt, arresteert hij lukraak. Op de lange lijst verdachten en aangeklaagden van Liljensparre komt de naam Meijerfeldt echter niet voor. Louise was weliswaar tegen de zin van Gustaaf III geen hofdame meer en Johan August had geprotesteerd tegen het tekenen van het eedformulier, maar tot de oppositionele adel behoren zij zeker niet.

Op zijn sterfbed regelt Gustaaf III zijn opvolging. Zijn zoon Gustaaf IV Adolf is pas 13 jaar oud. Daarom belast hij zijn broer Hertog Karel met het regentschap over het landsbestuur. Getuige hun intensieve briefwisseling is hij Johan August jr doorgaans vriendelijk gezind. Hij haalt hem niet terug als veldmaarschalk, maar benoemt hem wel op 26 augustus 1792 tot “Eén van Rijks Heren”. Het is een eretitel en in tegenstelling tot een “Rijksraad” is het geen ambt. Voor zijn naam komt op 26 oktober Excellentie te staan. (5)  

Op zijn sterfbed regelt Gustaaf III ook dat baron Armfelt het regentschap over de Kroonprins krijgt. Hij was eerder de vredesonderhandelaar van Värelä en nu de burgemeester van Stockholm. Bovendien is hij Johan August jr een jaar eerder als chef van het regiment Närke-Värmland opgevolgd. Hertog Karel en de uit verbanning teruggehaalde baron Reuterholm zien Armfelt als concurrent, omdat hij over vijf jaar de gunsteling van de nieuwe koning zal zijn.

Graaf Axel Fredrik Meijerfeldt heeft een nauwe band met Armfelt. Hij is kapitein in diens  regiment en redde hem als  adjudant eerder van Russische gevangenschap en misschien wel de dood. Vanwege opruiend gedrag en het niet dragen van zijn uniform bij het Stenborg Theater op het Gamla Stan in Stockholm wordt hij op 8 september 1792 in zijn kamer gearresteerd, samen met graaf Löwenhjelm en baron Höpken. Op 7 oktober wordt hij vrijgelaten en krijgt het bevel binnen 24 uur naar zijn woonplaats te gaan. (6) Zijn loopbaan lijdt er niet onder. Begin 1793   krijgt de Kroonprins zijn oude speelmakker terug, nu als adjudant-kolonel. Op 15 maart maakt Axel Fredrik in zijn regiment Närke-Värmland promotie tot majoor. 

In de avond van 18 november 1794 gaat Axel Fredrik Meijerfeldt vanuit zijn officierswoning Tostebol in het plaatsje Ny samen met de officieren Örnsköld en Eneschiöld naar de Clubzaal in zijn garnizoensstad Örebro om te vieren dat hij die week 25 jaar oud is geworden. Örnsköld begint problemen te maken over de aanwezigheid van ene Roos, die daar volgens hem niet hoort te zijn. Hij sommeert hem het pand te verlaten. Roos protesteert en spant op 21 november voor de stadsrechter een kort geding aan tegen de drie officieren. Partijen en getuigen brengen verklaringen in. Uiteindelijk concentreert Roos zijn klacht op Örnsköld, die in het ongelijk wordt gesteld en vanwege zijn gedrag een boete van 5 daalder in zilvermunten moet betalen. Axel Fredrik ontsnapt zodoende aan een rechterlijke veroordeling. (7)

Uiteindelijk ontsnapt Axel Fredrik niet aan alles: hij krijgt koorts. Deze loopt snel omhoog en het slaat om in nekkramp (meningitis). Deze besmettelijke ziekte komt veel voor onder jongeren onder de 30 jaar. Er moet onmiddellijk worden ingegrepen, anders is het te laat. Helaas is dat bij Axel Fredrik het geval. Hij overlijdt in Örebro op 13 januari 1795 om 16:45 uur, slechts 6 weken na de rechtszaak. Hij laat – net als zijn broer – geen echtgenote of echte kinderen achter. (8)

 

1. O.Th. Sundholm, “Sveriges Fältmarskalkar”, Upsala 1873, pag. 200.
2. R.F. Hochschild, “Rutger Fredrik H:s Memoarer”, Stockholm 1909, deel 2, pag. 177-178.

3. C. Forsstrand, “De Tre Gracerna. Minnen och anteckningar från Gustaf III:s Stockholm”, Stockholm 1912, pag 128-129.
4. Eén bron zegt dat zijn lichaam de volgende dag samen met dat van zijn oom Carl Fredrik jr is bijgezet in de kerk van Köpinge. Hij is daar niet in de begraafboeken terug te vinden. De enorme afstand heen en weer in één dag maakt het onmogelijk. Ook klopt de datum niet met de begraafdatum van Carl Fredrik jr, die wel in het kerkboek staat. Stadsarchiv Stockholm, Kyrkoböcker, Jakobs- och Johannes församlingar, Död- och begravingsbok 1736-1884 L-N pag. 287, FIa:3 40. 1772-1784, fo. 9
5. S.G. Adlerbeth “Historiska Anteckningar”, Lund 1892, deel 1, pag. 233-234. 

6. R.F. Hochschild, deel 3, pag. 15 en 19.

7. Kungliga Biblioteket, Svenska Samling, Örebro Stads Kämnärs-Råtts Protocoller [DZ/KS/2].
8. Örebro Stadsarkiv, Örebro Död- och begravningsböcker F:1 [DZ/Ö/1].