Verklaring

Over de oorsprong van de familienaam Von Meijenfeldt is door overlevering of uit historische geschreven bronnen niets bekend. Wel kunnen de veel voorkomende verklaringen voor familienamen worden nagegaan: het woongebied, het beroep of de voornaam van de vader. Daarbij ligt een splitsing tussen von en meijen c.q. meijer en feldt voor de hand.

von

Het tussenvoegsel von komt uit Duitssprekende gebieden. Daar wordt het net als in Nederland aardrijkskundig gebruikt, te weten “afkomstig van”. Maar daar heeft het bovendien een adellijke connotatie, soms zelfs dat de drager van de naam bezitter is van het bij name genoemde landgoed. In het eerste deel gaat het over een adellijk geslacht uit Zweden. Ook in deel 3 worden nog diverse adellijke families uit Duitssprekende gebieden in Europa behandeld met een gelijkluidende familienaam.

Meijen

Het woord meien, meijen of meyen komt van het Keltische magos, door de Romeinen megina genoemd en vervolgens door de Franken maien, dat duidt op een open veld of vlakte. In hun Mayengau (Oost-Eifel) hielden de Franken hun volksvergaderingen op het centraal gelegen Maifeld, waarna die ook elders gebruikt is (in de Nederlandse gebieden bestaat het meiveld in een dorpskern tot op de dag van vandaag). In het Nederlands is er het verband met de maand ‘mei’, het werkwoord vermeien (‘met groen versieren’, maar ook ‘uitgaan’). In Overijssel betekent het ook ‘kuit schieten’ (de meitijd is dan ook verboden vistijd). Gewestelijk is het daarnaast een variant op het werkwoord ‘maaien’. 

Meijer

Meier is een oude Nederduitse aanduiding voor een erfelijke pachter, een rentmeester of een rechterlijk ambtenaar. Zie hieronder.

In Nederland wordt het rentmeesterschap met ‘meijerij’ aangeduid en is de meijer steeds meer algemeen als aanduiding van een man in gebruik geraakt (in samengestelde vormen als ‘kletsmeier’).

Ook is er nog het Zweedse mejer, dat kaasmaker betekent.

De Joodse familienaam Meijer is gelijk aan de voornaam Meijer, die afgeleid is van het He­breeuwse me-ir, hetgeen betekent: de verlichtende.

Meier zou bovendien via megene een verbastering kunnen zijn van het Kelti­sche magina of maghia, hetgeen een aanduiding voor water is. Met name bij plaatsnamen wordt deze verklaring gebruikt, zoals Mayenfeld in Zwitserland en Meyenfeld bij Hannover (beiden met een n, toch weer).

Het woord meier heeft geen Keltische maar een Latijnse oorsprong, namelijk maior (meerdere). Het is terug te vinden in het Engelse woord voor burgemeester. Onderscheid moet worden gemaakt tussen de Oudsaksisch meier (maior domus) en de Nederduitse meier (maior villau). De Oudsaksische meier bestuurt in naam van de koning een rijksdeel (gau/gouw) vanuit zijn bestuurscentrum (huf/hof) of het koninklijke hof zelf. Deze hofmeiers zijn de aloude aristocratische vazallen van de koning of de gehandhaafde vorsten van onderworpen staten. Eén van de hofmeiers wordt zó belangrijk dat hij tot koning Pepijn II wordt gezalfd. Zijn zoon Karel de Grote brengt heel West-Europa onder één gezag.

Rond de millenniumwisseling komt de Nederduitse meier opzetten, die het centrale koningsgezag uiteindelijk tenietdoet. De functionaris wordt meier genoemd in het oostelijke deel van Westfalen, met Hannover als centrum. In het westelijke gedeelte van Westfalen, rondom Osnabrück, heet de functionaris schulte, en nog weer anders in andere regionen. Hij is door de leenman (kloosterabt, bisschop, graaf) benoemd als zijn ondergeschikte vertegenwoordiger in een regio. Veelal gaat het om het hoofd van een familie die al honderden jaren in de oudste en grootste hoeve van een dorp woont. De meier gaat talrijke horige boeren in de wijde omgeving besturen en hun schatplichtige graan, vee, eieren, honing etc. op zijn stapelplaats aannemen. De meier mag boetes en belasting houden, maar moet wel het nodige aan de leenman afdragen en overige diensten voor hem verrichten (bijvoorbeeld 24 dagen per jaar militaire bijstand). Later verzelfstandigt de meier zijn positie door alleen nog pacht aan de leenman te betalen. Als de lijfeigenschap wordt opgeheven en de stand van pachtende boeren ontstaat, vormen de meiers hun bovenlaag, bezitten tal van bestuurlijke en rechtsprekende privileges, weten er vaak een erfelijke functie van te maken en treden toe tot de lagere of dienst­adel. Vandaar dat de meier uiteindelijk wordt aangeduid als erfelijk pachter, rentmeester of landrechter. Velen zetten Meier in hun – al dan niet samengestelde – familienaam [L. Schütte, “Schulte und Meier. Zwei genealogische Forschungslandschaften in Westfalen”, Gens Germanica 1996, pag. 88-90. G. Müller, “Schulte und Meier in Westfalen”, in: Germanistische Linguistik (1993), Heft 115-118, pag. 359, 363].

feldt

Aan het laatste deel van de familienaam moet niet zozeer een agrarische als wel een militaire oorsprong worden toegekend. In het Nederduits wordt voor een slagveld het woord felt gebruikt.