1.2. Zweedse adel

Op 24 november 1674 verheft de Zweedse koning Karel XI Anders Meijer in de adelstand door ondertekening van de Sköldebref in Stockholm. Zijn familienaam wordt uitgebreid naar Meijerfeldt ter onderscheiding van andere Meijers in het Zweedse Rijk en hij krijgt een uitbreiding van zijn familiewapen. Blijkens de brief wordt hij voor zijn bewezen militaire diensten beloond, niet voor zijn komende. Ook worden zijn nog verder te verwachten bestuursvaardigheden op het omvangrijke Oberpahlen op waarde geschat.

De Zweedse koning kan op hem zijn gewezen door Carl Gustav Wrangel, en het kan ook zijn dat zijn hoge militaire rang om een adellijke erkenning vraagt. Nog een andere reden kan zijn loyaliteit aan Zweden zijn. Bij de Duits-Balten uit Estland is die vanwege hun besluit om vanaf 1562  bescherming bij de koning te zoeken groter dan die uit Lijfland,  bij wie patriotisme na alle invasies hoogtij viert.

Een nog verderweg gelegen oorzaak voor deze en andere benoemingen in de adelstand zijn de gebeurtenissen in het jaar 1672. In Nederland staat dat jaar bekend als het Rampjaar. Eén van de buitenlandse mogendheden die binnenvalt is Zweden. In de Zweedse geschiedenisboeken wordt dit jaar aan iets anders verbonden: het jaar dat koning Karel XI meerderjarig wordt. Zweden is net als Rusland, Saksen en  Denemarken voortdurend bezig zijn grootmacht rondom de Oostzee te handhaven of herstellen. Ook de drie achtereenvolgende Zweedse koningen – vanaf 1654 Karel X Gustaaf, vanaf 1660 Karel XI en vanaf 1697 Karel XII – varen die koers. Veldtochten worden ondernomen, indrukwekkende overwinningen behaald en zware opofferingen van volk en strijders gevergd. Een belangrijke factor die er voor zorgt dat geen van de partijen het overwicht verkrijgt, is dat de grotere Europese grootmachten Frankrijk en Engeland-Nederland zich steeds met de oorlogen bemoeien als de vrijhandel in de Oostzee in gevaar dreigt te brengen.

De buitenlandse erfenis van Karel XI is ingewikkeld. Hij zit vast aan een overeenkomst van de hem vijandig gezinde Rijksdag om 16.000 man te leveren in Duitsland in geval koning Lodewijk XIV Nederland zou binnenvallen. Uiteindelijk komt hij daardoor in 1674 in Branden­burg terecht. Hij verheft trouwe onderdanen in de adelstand om hen dichter aan het koningshuis te binden en het relatieve aandeel tegenstanders in de adel te verkleinen.

De bevelhebber van het Zweedse leger is weer Carl Gustaf Wrangel, die via Uckermark opmarcheert. Als hij in 1675 ziek te bed ligt neemt zijn halfbroer en Anders’ voormalige pupil Wolmar Herman Wrangel de leiding over. Hij buit de plaatselijke bevolking op een gruwelijke manier uit. De Zweedse troepen worden bij Fehrbellin verpletterend verslagen en weten na enkele zware oorlogsjaren nog maar net de uitgangssituatie van 1674 te behouden.