1.3. Zweedse adel

Anders Meijer uit Lijfland is een trouwe onderdaan van het Zweedse koninkrijk. Hoewel hij niet in het leger meer zal dienen, worden zijn eerder bewezen diensten en de nog te verwachten bestuursvaardigheden op het omvangrijke Oberpahlen op waarde geschat. Om die redenen wordt hij in 1674 door de koning in de Zweedse adelstand verheven. Hij krijgt de naam Meijerfeldt ter onderscheiding van andere Meijers in het Zweedse rijk. De adelstand is niet alleen voor hemzelf, maar ook zijn vrouw en zoons (de 12-jarige Carl Fredrik, de 10-jarige Johan August en de 7-jarige Wolmar Johan) vallen die eer te beurt. De oudste zoon Hendrik zou 14 jaar zijn geweest, maar hij wordt niet meer genoemd; aangenomen moet worden dat hij jong overleden is.

De achterliggende oorzaak voor deze en andere benoemingen in de adelstand zijn de gebeurtenissen in het jaar 1672. In Nederland staat dat jaar bekend als het Rampjaar. Eén van de buitenlandse mogendheden die binnenvalt is Zweden. In de Zweedse geschiedenisboeken wordt dit jaar aan iets anders verbonden: het jaar dat koning Karel XI meerderjarig wordt. Zweden is net als Rusland, Saksen en  Denemarken voortdurend bezig zijn grootmacht rondom de Oostzee te handhaven of herstellen. Ook de drie achtereenvolgende Zweedse koningen – vanaf 1654 Karel X Gustaaf, vanaf 1660 Karel XI en vanaf 1697 Karel XII – varen die koers. Veldtochten worden ondernomen, indrukwekkende overwinningen behaald en zware opofferingen van volk en strijders gevergd. Een belangrijke factor die er voor zorgt dat geen van de partijen het overwicht verkrijgt, is dat de grotere Europese grootmachten Frankrijk en Engeland-Nederland zich steeds met de oorlogen bemoeien als de vrijhandel in de Oostzee in gevaar dreigt te brengen.

De buitenlandse erfenis van Karel XI is ingewikkeld. Hij zit vast aan een overeenkomst van de hem vijandig gezinde Rijksdag om 16.000 man te leveren in Duitsland in geval koning Lodewijk XIV Nederland zou binnenvallen. Uiteindelijk komt hij daardoor in 1674 in Branden­burg terecht. Hij verheft trouwe onderdanen in de adelstand om hen dichter aan het koningshuis te binden en het relatieve aandeel tegenstanders in de adel te verkleinen.

De bevelhebber van het Zweedse leger is weer Carl Gustaf Wrangel, die via Uckermark opmarcheert. Als hij in 1675 ziek te bed ligt neemt zijn halfbroer Wolmar Herman Wrangel de leiding over. Hij buit de plaatselijke bevolking op een gruwelijke manier uit. De Zweedse troepen worden bij Fehrbellin verpletterend verslagen en weten na enkele zware oorlogsjaren nog maar net de uitgangssituatie van 1674 te behouden. (1)

Eind dat jaar sterft Wolmar Wrangel en zwaait zijn weduwe gravin Christina Wasaborg – een onechte kleindochter van koning Gustaaf Adolf – de scepter over Oberpahlen, totdat de landgoederen vanaf 1680 door de reductie aan de Kroon terugvallen.

Op 13 augustus 1678 zou Anders Meijerfeldt tot appelrechter zijn benoemd, maar hij wordt waarschijnlijk verward met een in die tijd ook in Lijfland levende Andreas Meijer. (2)

Bij de naam van Anders Meijer staat niet alleen het landgoed Festen van zijn vader, maar ook Laisholm (Jõgeva) bij Dorpat (Tartu). Op 17 maart 1680 (Pasen) koopt Anders voor 16.000 Taler het landgoed Sall (Salla), kierchspiel St. Simonis (Simuna), kreis Wierland (Viruma) van luitenant en landdrost (hakenrichter) Reinhold von Wrangel. Laatstgenoemde voert in 1682 allerlei rechtzaken, onder andere tegen landrechter Bernhard Schulman wegens onbevoegde tussenkomst waardoor de verkoop van Sall aan Anders en twee anderen verhinderd was, maar Wrangel beschuldigt Anders er ook van geen kooppenningen te hebben betaald, alle koren van het veld te hebben afgesneden en naar zijn eigen landgoed Lustifer (Lustivere, vlakbij Oberpalen) te hebben laten afvoeren en tenslotte de koop te hebben ontbonden. In de rechtszitting van 20 maart 1682 slaagt Wrangel niet in zijn bewijs. (3)

De laatste berichten van Anders zijn afkomstig van Reval (Tallinn) in de periode 1680-1683, van waaruit hij brieven schrijft aan Johan Rabel, de secretaris van gouverneur-generaal Otto Wilhelm Königsmarck. Hij is vóór 21 maart 1687 overleden, omdat “Overinspector Meyerfelds Wittwen” staat op een schuldeiserslijst van die datum in de Sall-kwestie, overigens laag in de rangorde. (4)

 

1. A.W. Hupel, “Herrn J.B. Fischer’s Beyträge und Berichtigungen zu Hernn F.K. Gadebusch livländischer Bibliothek”, deel 4, Riga 1782, pag. 103-104. A.W. Hupel, “Topographische Nachrichten von Lief- und Ehstland”, deel 3, Riga 1782, pag. 251. J.F. von Bohlen, “Die Erwerbung Pommern durch die Hohenzollern”, Berlin 1865, blz. 59. Vermoedelijk in navolging van de laatste bron R. Marsson, “Die Schwe­dischen General­statthalter in Stralsund”, Stralsundische Zeitung 9-9-1923. Een aanbeveling voor hem staat al in een brief van 01-07-1646 van Axel Oxenstierna aan Gabriel Bengtsson Oxenstierna, Kansli original in Tuarte Historiska Arkivit 278-1-XVIII:14).
2. A.C. Meurling, “Svensk domstolsförvaltning i Livland 1634-1700”, Lund 1967, pag. 132-133. Zij maakt bovendien de fout Anna Christina Hastfer als diens moeder in plaats van schoondochter te presenteren. Zie ook Gillingstam.
3. Hakenrichter Reinhold Wrangell zu Sall (Salla, Simuna khk) Kirchspiel St. Simonis contra Ober-Inspektor Andreas Meyenfeld betreffend eigenmächtigen einseitigen Rücktritt des Beklagten von dem vereinbarten Kauf des Gutes Sall, Nationaal Archief Estland, EAA.1.2.411, Pag. 111-112p, Nr. 29. W. von  Baensch, “Geschichte der Familie von Wrangel, vom Jahre 1250 bis auf die Gegenwart, nach Urkunden und Tagebüchern bearbeitet”, Berlin und Dresden 1878, deel I, pag. 441 (Oberlandgericht, Convolut 272 Nr. 7).
4. “Ehst- und Livländische Brieflade, Ein Sammlung von Urkunden  zur Adels- und Gütergeschichte Ehst- und Livlands, in Übersetzungen und Auszügen”, deel 2.2 Zweedse tijd, Reval 1861, pag. 925. Nr. 912, Erkenntniss des Oberlandgerichts in Sachen der Creditoren des Reinhold Wrangell von Sall, Reval d. 21. März 1687: “sel. Overinspector Meyerfelds Wittwen 425 Rthlr. 27½ wrstk. in spec. Capital u. 136 Rthlr. Interessen”.