1.2. Zweedse adel

Anders Meijer uit Lijfland is een trouwe onderdaan van het Zweedse koninkrijk. Hoewel hij niet in het leger meer zal dienen, worden zijn eerder bewezen diensten en de nog te verwachten bestuursvaardigheden op het omvangrijke Oberpahlen op waarde geschat. Om die redenen verheft de Zweedse koning Karel XI hem op 24 november 1674 in de adelstand door ondertekening van de Sköldebref in Stockholm. Zijn familienaam Meijer wordt uitgebreid naar Meijerfeldt ter onderscheiding van andere Meijers in het Zweedse rijk. 

De koning zwaait de loftrompet over Anders Meijer in de brief: (1)

Alzo hebben Wij thans in Genade besloten ten aanzien van de Overste en tegenwoordig Hoofdinspecteur, onze Getrouwe Meijer, die zich vanaf zijn jeugd heeft beijverd voor eer en deugd, die zowel in vreemde landen als thuis heeft getracht zich in onze dienst op allerlei loffelijke wijzen capabel te betonen, die de plicht en het ambt van een goed ingenieur heeft vervuld in de zware en dappere door wijlen onze hooggeëerde Heer vader Roemwaardigst gevoerde oorlogen en in het bijzonder in alle voorgevallen gebeurtenissen, terwijl hij daarin geschiktheid en kennis heeft verworven, (…). Aangezien hem een goed lofwoord is gegeven voor zijn dappere en bereidwillige houding en Wij nog steeds goede en trouwe diensten van hem hebben te verwachten, en in verband met alle aldus aangevoerde woorden om hem onze Kon. welwillendheid en genegenheid en daardoor gunst en Genade alsmede Kon. macht en doorluchtigheid te betuigen, wensen Wij hem met hoge en aanzienlijke stand te bekleden, en met adellijk wapenschild en privileges, geschenken en giften.

De adeldom is erfelijk voor zowel de verlener als de ontvanger. De opvolgers van de Zweedse koning zijn er aan gebonden, tenzij ze de adeldom intrekken vanwege ernstige misdaden als landverraad. Catharina Wulff, de 12-jarige Carl Fredrik, de 8- tot 10-jarige Johan August en de 7-jarige Wolmar Johan worden ook op 24 november 1674 van adel. Zijzelf en hun nakomelingen krijgen dat niet uit verdienste maar uit afkomst. 

Een ander aspect van de hoge sociale status is dat de zoons  Meijerfeldt automatisch toegang hebben tot de officiersrang in het Zweedse leger. Hun vader en voorouders waren ook officieren in Zweedse dienst, maar dan dankzij hun oudere Baltische adel. 

Uit de adeldom vloeien rechten en privileges als belastingvrijdom en het uitoefenen van bestuursfuncties voort. Om die te verkrijgen is een extra handeling noodzakelijk: immatricularisatie (inschrijving) en/of introductie bij het Ridderhuis te Stockholm. Vaststaat dat dit bij Meijerfeldt heeft plaatsgevonden. (2)

Als Meijerfeldt afkomstig is uit het eigenlijke Zweedse Rijk (Svea Rijkes, Sverige) wordt hij vertegenwoordigd in de Rijsdag te Stockholm. Is hij daarentegen een adelsman uit de Zweedse buitengewesten (uthrijkes provincierne) dan wordt hij vertegenwoordigd in de Landsdagen, in dit geval van Estland of Lijfland. Bij het toepasselijke recht is er niet zoveel verschil omdat de absolutistische vorst Karel XI in beide gevallen het Zweedse kerkrecht en teruggave van landgoederen aan de Kroon (Reduktion) oplegt. Het eerste roept geen spanningen op bij de overwegend Lutherse elite, ook van Estland en Lijfland, maar het tweede des te meer. Anders Meijerfeldt is weliswaar leenman op Festen en Laisholm, maar een grootgrondbezitter is hij niet; zijn loyaliteit ligt nergens anders dan bij zijn Zweedse heren en meesters.

De adelsbrief bevat een beschrijving van het  verleende wapen. Het bestaat uit twee horizontaal verdeelde velden. Het bovenste veld bevat een sikkel,  het onderste een vesting met vier hoektorens. Dergelijke symbolen zeggen vaak iets over de voorouders: de sikkel verwijst naar de boerenstand en de vesting naar de slotheerschap, ingenieursschap en/of de vier zijden van het Christelijke kruis.

Zoals vaak gebeurt bij adelsverkrijging wordt de achternaam gewijzigd. Meijerfeldt blijkt vóór die datum Meijer te hebben geheten. In de Zweedse taal wordt een losse i en j met losse puntjes gebruikt, geen ÿ, ȳ of y. In de brief wordt afgekondigd dat zijn achternaam vanaf dan wordt uitgebreid met felt tot Meijerfelt. Als reden wordt gegeven: “till en åtskilnad aff andre familier i rijket”. Vertaald: “om onderscheid te maken met andere families in het rijk”.

De achterliggende oorzaak voor deze en andere benoemingen in de adelstand zijn de gebeurtenissen in het jaar 1672. In Nederland staat dat jaar bekend als het Rampjaar. Eén van de buitenlandse mogendheden die binnenvalt is Zweden. In de Zweedse geschiedenisboeken wordt dit jaar aan iets anders verbonden: het jaar dat koning Karel XI meerderjarig wordt. Zweden is net als Rusland, Saksen en  Denemarken voortdurend bezig zijn grootmacht rondom de Oostzee te handhaven of herstellen. Ook de drie achtereenvolgende Zweedse koningen – vanaf 1654 Karel X Gustaaf, vanaf 1660 Karel XI en vanaf 1697 Karel XII – varen die koers. Veldtochten worden ondernomen, indrukwekkende overwinningen behaald en zware opofferingen van volk en strijders gevergd. Een belangrijke factor die er voor zorgt dat geen van de partijen het overwicht verkrijgt, is dat de grotere Europese grootmachten Frankrijk en Engeland-Nederland zich steeds met de oorlogen bemoeien als de vrijhandel in de Oostzee in gevaar dreigt te brengen.

De buitenlandse erfenis van Karel XI is ingewikkeld. Hij zit vast aan een overeenkomst van de hem vijandig gezinde Rijksdag om 16.000 man te leveren in Duitsland in geval koning Lodewijk XIV Nederland zou binnenvallen. Uiteindelijk komt hij daardoor in 1674 in Branden­burg terecht. Hij verheft trouwe onderdanen in de adelstand om hen dichter aan het koningshuis te binden en het relatieve aandeel tegenstanders in de adel te verkleinen.

De bevelhebber van het Zweedse leger is weer Carl Gustaf Wrangel, die via Uckermark opmarcheert. Als hij in 1675 ziek te bed ligt neemt zijn halfbroer en Anders’ voormalige pupil Wolmar Herman Wrangel de leiding over. Hij buit de plaatselijke bevolking op een gruwelijke manier uit. De Zweedse troepen worden bij Fehrbellin verpletterend verslagen en weten na enkele zware oorlogsjaren nog maar net de uitgangssituatie van 1674 te behouden. (2)

Eind dat jaar sterft Wolmar Wrangel en zwaait zijn weduwe gravin Christina Wasaborg – een onechte kleindochter van koning Gustaaf Adolf – de scepter over Oberpahlen, totdat de landgoederen vanaf 1680 door de reductie aan de Kroon terugvallen.

Op 13 augustus 1678 zou Anders Meijerfeldt tot appelrechter zijn benoemd, maar hij wordt waarschijnlijk verward met een in die tijd ook in Lijfland levende Andreas Meijer. (3)

Vastgoed als weilanden, akkers, bossen, waterlopen, watermolens en natuurlijk landhuizen, alsook daaruit voortkomende roerende zaken (melk, oogst, hout, jachtopbrengst, bronwater, pachtsom) kunnen aan de adel worden verleend. De koning kan dat in de adelsbrief vermelden, het kan in het matrikelboek staan, maar meestal zal de koning deze rechten in een aparte akte schenken. In de brief voor Meijerfeldt worden geen onroerende of roerende zaken geschonken. Expliciet wordt in de brief gesproken van privileges, geschenken en giften, zonder deze precies te benoemen. Bij de naam van Anders staat niet alleen het landgoed Festen van zijn vader, maar ook Laisholm (Jõgeva), 30 kilometer ten oosten van Oberpahlen. Het ligt op het landgoed rondom het riddergoed Lais, ook eigendom van de familie Wrangel. In 1794 is Laisholm nog in handen van de Meijerfeldts, omdat zoon Wolmar Johan dan vanuit deze plaats brieven ondertekent

Op 17 maart 1680 (Pasen) koopt Anders voor 16.000 Taler het landgoed Sall (Salla), kierchspiel St. Simonis (Simuna), kreis Wierland (Viruma) van luitenant en landdrost (hakenrichter) Reinhold Wrangel, een verre neef van Wolmar. Hij had het landgoed in bezit gekregen omdat de vorige eigenaar in betalingsproblemen verkeerde. In 1682 start hij diverse rechtzaken, onder andere tegen landrechter Bernhard Schulman wegens onbevoegde tussenkomst waardoor de verkoop van Sall aan Anders en twee anderen verhinderd was, maar hij beschuldigt Anders er ook van geen kooppenningen te hebben betaald, alle koren van het veld te hebben afgesneden en naar zijn eigen landgoed Lustifer (Lustivere, vlakbij Oberpalen) te hebben laten afvoeren en tenslotte de koop te hebben ontbonden. In de rechtszitting van 20 maart 1682 slaagt Wrangel niet in zijn bewijs. (4)

De laatste berichten van Anders zijn afkomstig van Reval (Tallinn) in 1683, van waaruit hij brieven schrijft aan Johan Rabel, de secretaris van gouverneur-generaal Otto Wilhelm Königsmarck. Hij is vóór 21 maart 1687 overleden, omdat op die datum  “Overinspector Meyerfelds Wittwen” op de buitengewoon lange schuldeiserslijst staat van Reinhold Wrangel in de Sall-kwestie, overigens laag in  rangorde. (5)

 

1. Riksarkivet Stockholm, Riksregistraturet, folio 309v–311v.
2. Een afbeelding van het adelswapen op een plaat in het Ridderhuis  geeft hier blijk van. Bovendien meldt het Matrikelboek van het Ridderhuis van 1731 dat de introductie destijds in 1675 onder het volgnummer 864 heeft plaatsgevonden. A.W. Hupel, “Herrn J.B. Fischer’s Beyträge und Berichtigungen zu Hernn F.K. Gadebusch livländischer Bibliothek”, deel 4, Riga 1782, pag. 103-103. A.W. Hupel, “Topographische Nachrichten von Lief- und Ehstland”, deel 3, Riga 1782, pag. 251. J.F. von Bohlen, “Die Erwerbung Pommern durch die Hohenzollern”, Berlin 1865, pag. 59. Vermoedelijk in navolging van de laatste bron R. Marsson, “Die Schwe­dischen General­statthalter in Stralsund”, Stralsundische Zeitung 9-9-1923. Een aanbeveling voor hem staat al in een brief van 01-07-1646 van Axel Oxenstierna aan Gabriel Bengtsson Oxenstierna, Kansli original in Tuarte Historiska Arkivit 278-1-XVIII:14).
3. A.C. Meurling, “Svensk domstolsförvaltning i Livland 1634-1700”, Lund 1967, pag. 132-133. Zij maakt bovendien de fout Anna Christina Hastfer als diens moeder in plaats van schoondochter te presenteren. Zie ook Gillingstam.
4. Hakenrichter Reinhold Wrangell zu Sall (Salla, Simuna khk) Kirchspiel St. Simonis contra Ober-Inspektor Andreas Meyenfeld betreffend eigenmächtigen einseitigen Rücktritt des Beklagten von dem vereinbarten Kauf des Gutes Sall, Nationaal Archief Estland, EAA.1.2.411, Pag. 111-112p, Nr. 29. W. von Baensch, “Geschichte der Familie von Wrangel, vom Jahre 1250 bis auf die Gegenwart, nach Urkunden und Tagebüchern bearbeitet”, Berlin und Dresden 1878, deel I, pag. 144 (Oberlandgericht, Convolut 272 Nr. 7).
5. “Ehst- und Livländische Brieflade, Ein Sammlung von Urkunden  zur Adels- und Gütergeschichte Ehst- und Livlands, in Übersetzungen und Auszügen”, deel 2.2 Zweedse tijd, Reval 1861, pag. 925. Nr. 912, Erkenntniss des Oberlandgerichts in Sachen der Creditoren des Reinhold Wrangell von Sall, Reval d. 21. März 1687: “sel. Overinspector Meyerfelds Wittwen 425 Rthlr. 27½ wrstk. in spec. Capital u. 136 Rthlr. Interessen”.