2.6.5. Johan August III

De vierde zoon van de stamhouder is Johan August (Jan) von Meijenfeldt. Net als het Zweedse geslacht heeft de Nederlandse familie drie generaties achter elkaar een telg met de voornamen Johan August. Zowel de tweede als de derde heeft geen vrouw en kinderen om de familienaam voort te zetten. 

Bij de familiepapieren zit een gedicht eindigend met Uw Liefhebbende Vent Johan August Von Meijenfeldt. Het opent met Aan mijn lieve vrouw Keetje Kreber!!!

Sinterklaasgedicht (eerste regels)

Blijkens het gedicht reageert hij op een schimpdicht van haar, dat een man van taal als hemzelf heeft gekweld vanwege de vele spelfouten en bovenal zijn verkeerde naam Goehan. Op advies van St. Nicolaas wil hij haar geen geschenk maar met de roe op haar bil geven. Hij sluit bij zijn vijftig rijmregels een afbeelding van hemzelf, maar die is niet bijgesloten.

Alleen Johan August III komt serieus in aanmerking als de auteur. De genoemde Keetje is hoogstwaarschijnlijk Cornelia Henderica, dochter van oom Pieter Kreber en tante Keetje Diederich. Bij jongvolwassenen is het rond 1880 in zwang geraakt om elkaar op deze manier ironische en liefdevolle verklaringen te doen. Maar dit gedicht gooit blijkbaar roet in het eten, want een klein jaar later trouwt deze Keetje niet met Johan August III, maar met de Utrechtse pianostemmer Johan Antoon Wagenaar.

Jan woont en werkt samen met oudere broer Frits. Ondanks de fusie van de Duinwater-Maatschappij naar de Gemeentelijke Waterleidingen in 1896 krijgt hij wel zijn 25-jarig ambtsjubileum per 1 april 1898.


Familiearchief N.57

Dertig collega’s bieden hem een huldeblijk aan. Het College van Burgemeester en Wethouders en zijn chefs geven hem geschenken en ‘andere bewijzen van waardering en hoogachting’. In 1899 wordt hij chef van de onderafdeling Algemene Zaken op het stadhuis met een jaarwedde van 2.000 gulden. In de jaren 1902 tot en met 1906 krijgt hij daarop verhogingen.

Net als de hele familie is Jan actief in de kerk. In 1909 richt de kerkenraad een vereniging op om renteloze voorschotten aan lidmaten van de gereformeerde kerken in Amsterdam te verstrekken. Hij treedt toe tot het bestuur, dat voor elk verzoek een voorafgaand grondig onderzoek instelt onder toezicht van prof. P.A. Diepenhorst. 

Op zijn werk krijgt Jan in 1910 een persoonlijke toelage en op 1 juli 1911 een aanstelling als Bureauchef. Hij gaat op 15 april 1914 met pensioen. Dat kan geen leeftijdspensioen zijn, want hij is 56 jaar oud. Hij moet een geneeskundige verklaring overleggen en de gemeente moet zijn persoonlijke toelage toelichten. Zijn rijkspensioen wordt vastgesteld op f 673 per jaar en het aanvullende gemeentepensioen op f 1.083, met f 250 te verlagen op zijn 61ste verjaardag. Zover komt het niet, want op zijn 60ste op 3 juli 1918 overlijdt hij in Amsterdam.

Terug   ***   Verder