1.2. Drie jonge officieren

De nieuwe Zweedse koning Karel XI brengt geen vrede maar trekt in 1674 ten strijde tegen Branden­burg onder druk van zijn Franse bondgenoot Lodewijk XIV. Zoals gebruikelijk verheft hij trouwe onderdanen in de adelstand om hen dichter aan het koninkrijk te verbinden. Dat overkomt Anders Meijer ook, hoewel hij niet in het leger terugkeert. De nieuwe naam Meijerfeldt en de adeldom gelden niet alleen voor hemzelf, maar ook voor zijn zoons, de dan 12-jarige Carl Fredrik, 10-jarige Johan August en 7-jarige Wolmar Johan.

De bevelhebber van het Zweedse leger is wel weer Carl Gustaf Wrangel, die via Uckermark opmarcheert. Als hij in 1675 ziek te bed ligt neemt zijn halfbroer Wolmar Herman Wrangel de leiding over. Hij buit de plaatselijke bevolking op een gruwelijke manier uit. De Zweedse troepen worden het jaar daarop bij Fehrbellin verslagen en weten na enkele zware oorlogsjaren nog maar net de uitgangssituatie van 1674 te behouden.(1)

Op 13 augustus 1678 zou Anders Meijerfeldt tot appelrechter zijn benoemd, maar hij wordt waarschijnlijk verward met een in die tijd ook in Lijfland levende Andreas Meijer.(2) De laatste berichten van Anders zijn afkomstig van Reval in de periode 1680-1683. Het tijdstip van zijn overlijden moet tussen 1682 en 1687 liggen. Zijn weduwe Anna Catharina Wolff woont tot de val van Riga in 1710 nog in Lijfland en komt via Zweden uiteindelijk op de Pommerse landgoederen van haar zoon Johan August terecht, waar zij op 21 juni 1725 wordt begraven.

Alle drie de zonen kiezen voor een militaire carrière bij de landmacht. Hoewel zij als vrijwilliger onder aan de ladder moeten beginnen, verzekert hun nu adellijke positie hen van een officiersrang. In het Zweedse leger, wel te verstaan, de enige mogelijkheid om militair hogerop te komen. Het krijgsverleden van hun vader laat hen ook weinig keus.

In het Zweedse leger dient elke provincie zijn eigen regiment op te brengen. De Baltische provincies brengen gezamenlijk het regiment Österbotten (= oostelijke golf) op de been. Daarnaast blijven de oude persoonsgebonden regimenten in stand, zoals het regiment van de Gouverneur van Riga. Carl Fredrik treedt in 1680, op 18-jarige leeftijd, als vaandrig tot laatstbedoeld regiment toe. Johan August treedt in 1684 in dienst bij het Lijflandse regiment cavalerie van generaal-majoor Von der Pahlen, waarin hij in 1686 tot kornet en in 1689 tot luitenant wordt bevorderd. Het is niet bekend wanneer Wolmar Johan in Zweedse dienst treedt; pas in 1694 wordt hij voor het eerst genoemd, maar dan al in de rang van luitenant, zonder vermelding van zijn regiment.

 

  1. A.W. Hupel, “Herrn J.B. Fischer’s Beyträge und Berichtigungen zu Hernn F.K. Gadebusch livländischer Bibliothek”, deel 4, Riga 1782, pag. 103-104. A.W. Hupel, “Nachrich­ten von Liv- und Esthland”, deel III, pag. 521. J.F. von Bohlen, “Die Erwerbung Pommern durch die Hohenzollern”, Berlin 1865, blz. 59. Vermoedelijk in navolging van deze bron R. Marsson, “Die Schwe­dischen General­statthalter in Stralsund”, Stralsundische Zeitung 9-9-1923. Een aanbeveling voor hem staat al in een brief van 01-07-1646 van Axel Oxenstierna aan Gabriel Bengtsson Oxenstierna, Kansli original in Tuarte Historiska Arkivit 278-1-XVIII:14.
  2. A.C. Meurling, “Svensk domstolsförvaltning i Livland 1634-1700”, Lund 1967, pag. 132-133. Zij maakt bovendien de fout Anna Christina Hastfer als diens moeder in plaats van schoondochter te presenteren. Zie ook Gillingstam, pag. 470.
  3. M. Ranft, “Die Merkwürdige Lebensgeschichte derer vier berümten Schwedischen Feldmarschalle, Grafen Rehnschild, Steenbock, Meyerfeld und Dücker”, Leipzig 1753, pag. 279.