1.2.1. Anders Meijer

Anders Meijer is de zoon van ofwel Johan II uit de Baltische reeks ofwel Andreas uit Belgard. Zijn geboortejaar is onbekend.

Het leven van Anders kan pas worden opgepakt in 1654. Hij treedt dan in dienst van de gouverneur-generaal van Zweeds-Pommeren, graaf Carl Gustaf Wrangel (1613-1676), één van de grootste legerleiders en staatsmannen van Zweden. Meijer wordt door Wrangel aangesteld als hofmeester bij diens halfbroers baron Johan Fredrik (14 jaar) en Wolmar Herman Wrangel (13 jaar).

Anders begeleidt de broers Wrangel naar de Duitse universiteit van Tübingen (40 kilometer ten zuiden van Stuttgart). Vanuit die stad stelt hij zijn opdrachtgever regelmatig schriftelijk op de hoogte van de studievorderingen van de broers. De brieven worden getekend met zijn voornaam: Anders of Andreas. (A. Losman, “Carl Gustaf Wrangel och Europa”, Stockholm 1980, pag. 49, brieven van 12 september en 10 november 1654).

Karel X Gustaaf bestijgt dat jaar de Zweedse troon. Hij raakt daarover meteen in oorlog met Polen, dat ook erfrechten op het huis Wasa claimt. Midzo­mer 1655 overschrijden de Zweedse troepen de grens van Pommeren en Lijfland. De Zweden verslaan de Polen bij War­schau. De omliggende Europese staten Rusland, Brandenburg, Nederland en Denemarken verzetten zich echter met succes tegen deze verstoring van het Noord-Europese machtsevenwicht. De gebroeders Wrangel treden in 1655 in Zweedse krijgsdienst en Meijer wil niet achterblijven. Veel betekenis heeft deze daad niet, omdat Wrangel wil dat de broers eerst hun studie in Tübingen afmaken. 

Anders Meijer wordt een stap verder het Zweedse leger in getrokken door zijn benoeming tot ingenieur in 1656. Of hij een relevante opleiding heeft en zelf het initiatief neemt is niet bekend. Hij is ingedeeld bij de belangrijke genie-officier Erik Dahlberg, die later als gouverneur-generaal van Lijfland opnieuw zijn superieur zal worden.

Juni 1657 verplaatst het front zich via Pommeren en Mecklenburg naar Holstein. Het toeval wil dat Meijer juist op dat moment met de baronnen Wrangel vanuit Tübingen de thuisreis heeft aanvaard. Op de Lünenburger Heide in de buurt van Hamburg raakt het drietal in Deense gevangenschap en wordt naar de nabij gelegen havenstad Glückstadt gevoerd. Op 25 juni schrijft Meijer een brief aan graaf Wrangel over de gebeurtenissen. (Losman, pag. 49; de brieven die Meijer in de periode 1654-1657 aan graaf Wrangel schrijft bevinden zich in het Riksarkivet Stockholm, Skoklostersamlingen, E8200 en E8420).

Meijer is nu officieel krijgsgevangene. Tijdens zijn gevangenschap maakt Meijer gebruik van zijn  ingenieursvaardigheden en ziet kans een tekening van de vesting te maken, die hij – samen met een veroveringsplan – naar koning Karel X in Wismar weet te smokkelen. De koning keurt het plan goed, maar kan het niet in uitvoering brengen vanwege de invallende, uitzonderlijk strenge winter en de geringe beweeglijkheid van zijn troepen. Die strenge winter brengt hem wel de zege, want hij loopt met zijn troepen over de Kleine en Grote Belt en omsingelt Kopenhagen, waardoor de Deense koning begin 1658 een voor hem ongunstige Vrede van Roskilde moet sluiten.

Vermoedelijk ten gevolge van deze vrede met Denemarken keert Meijer terug naar het Zweedse kamp. De Zweedse koning bevordert Meijer tot overste (waardoor hij de genie verlaat), krijgt een eregeschenk en wordt verzekerd van verdere koninklijke gunsten. Met de dood van de koning in 1660 kan een algehele vrede worden gesloten. Anders Meijer wordt daardoor na vijf jaar dienst uit het leger afgedankt.