1.1.7. Anders, hoofdinspecteur over Oberpahlen

Anders / Henric Meijer is de zoon van Johan Wolmarsson Meijer en Dorotea Johansdotter Taube in Lijfland. Een alternatief is dat hij de zoon is van Andreas Jakobsson Meyer uit Belgard in Brandenburg. Eén bron noemt zijn geboortejaar: omstreeks 1630. (1)

Het leven van Anders kan worden opgepakt in 1654. Dat is het jaar van de opmerkelijk abdicatie en bekering tot het katholieke geloof van de Zweedse koningin Christina. Zij treedt af ten gunste van haar speelmakker en neef Karel X Gustaaf uit het huis Wittelsbach. De Poolse koning had de personele unie onder Wasa willen herstellen en al snel ontbrandt de Zweeds-Poolse Oorlog (1655-1660).

Anders treedt dat jaar in dienst van graaf Carl Gustaf Wrangel (1613-1676), één van de grootste legerleiders en staatsmannen van Zweden. De nieuwe koning benoemt hem opnieuw tot gouverneur-generaal van Zweeds-Pommeren, aan de grens met Polen. Daar geeft hij ook leiding aan het Zweedse leger.

Wrangel stelt Anders Meijer aan als hofmeester bij zijn halfbroers baron Johan Fredrik (14 jaar) en Wolmar Herman Wrangel (13 jaar). Hij vraagt hem de broers te begeleiden naar de Duitse universiteit van Tübingen (40 kilometer ten zuiden van Stuttgart). Vanuit die stad stelt Anders zijn opdrachtgever regelmatig schriftelijk op de hoogte van de studievorderingen van de broers. De brieven worden getekend met zijn voornaam: Anders of Andreas. (2) 

Midzo­mer 1655 overschrijden de Zweedse troepen de oostgrens van Pommeren en zuidgrens van Lijfland. De gebroeders Wrangel treden in 1655 in Zweedse krijgsdienst en Meijer blijft niet achter. Veel betekenis heeft deze daad niet, omdat Wrangel wil dat de broers eerst hun studie in Tübingen afmaken. Wrangel heft opnieuw success en verslaat de Polen bij War­schau. De omliggende Europese staten Rusland, Brandenburg, Nederland en Denemarken achten dit het moment om zich met deze verstoring van het Noord-Europese machtsevenwicht te bemoeien.

Anders Meijer wordt een stap verder het Zweedse leger in getrokken door zijn benoeming tot ingenieur in 1656. Vermoedelijk heeft hij een relevante opleiding en deze komt hem later te pas. Hij is ingedeeld bij de belangrijke genie-officier Erik Dahlberg, die later als gouverneur-generaal van Lijfland opnieuw zijn superieur zal worden.

Juni 1657 verplaatst het front zich via Pommeren en Mecklenburg naar Holstein. Het toeval wil dat Meijer juist op dat moment met de baronnen Wrangel vanuit Tübingen de thuisreis heeft aanvaard. Op de Lünenburger Heide in de buurt van Hamburg raakt het drietal in Deense gevangenschap en wordt naar de nabij gelegen havenstad Glückstadt gevoerd. Op 25 juni schrijft Meijer een brief aan graaf Wrangel over de gebeurtenissen. (3)

Meijer is nu officieel krijgsgevangene. Tijdens zijn gevangenschap maakt Meijer gebruik van zijn  ingenieursvaardigheden en ziet kans een tekening van de vesting te maken, die hij – samen met een veroveringsplan – naar koning Karel X Gustaaf in Wismar weet te smokkelen. De koning keurt het plan goed, maar kan het niet in uitvoering brengen vanwege de invallende, uitzonderlijk strenge winter en de geringe beweeglijkheid van zijn troepen. Die strenge winter brengt hem wel de zege, want hij loopt met zijn troepen over de Kleine en Grote Belt en omsingelt Kopenhagen, waardoor de Deense koning begin 1658 een voor hem ongunstige Vrede van Roskilde moet sluiten.

Ten gevolge van deze vrede keert Meijer terug naar het Zweedse kamp. De Zweedse koning bevordert Meijer tot overste (waardoor hij de genie verlaat), krijgt een eregeschenk en wordt verzekerd van verdere koninklijke gunsten. Karel X Gustaaf overlijdt   in 1660. De regenten van zijn minderjarige zoon Karel XI sluit een voor Zweden gunstige algehele vrede.

Na vijf jaar dienst wordt Anders Meijer uit het Zweedse leger afgedankt en steekt nog in 1660 de Oostzee over naar Riga. Daar huwt hij datzelfde jaar  Catharina Wulff.

Anders Meijer blijft niet in Riga maar wordt in 1662 hoofdinspecteur over Oberpahlen (Põltsamaa). Dit gebied beslaat negen landgoederen van totaal 25 bij 30 km. Daarmee zou het in Nederland – dat door fusies toch geen kleine gemeenten heeft – qua oppervlakte de grootste gemeente zijn. Op het grootste van de landgoederen staat de gelijknamige burcht van de voormalige Lijflandse Orde. De landgoederen zijn in eigendom van zijn vroegere pupil Wolmar Wrangel en vanaf 1675 tot de reductie van diens weduwe. Hij is in dienst van de Zweedse gouverneur-generaal graaf Bengt Gabrielsson Oxenstierna. Tussen 1668 en 1671 spant Catharina Wolffeldt, weduwe van Engelbrecht Kawer, een proces tegen hem aan over de precieze grens van Oberpahlen met het afgesplitste landgoed Loper. (4)

1.1.6. OberpalenDe burcht Oberpalen.

Anders Meijer en Catharina Wulff krijgen vier zoons:  Hendrik (1660, nog in Riga), Carl Fredrik (1662), Johan August (1664-1666) en Wolmar Johan (1667), allen in Oberpahlen. (5)

 

1. M. Kohlhaas, “Nachkommen von Herman Marquard”, download PDF, pag. 4 en 5.
2. A. Losman, “Carl Gustaf Wrangel och Europa”, Stockholm 1980, pag. 49, brieven van 12 september en 10 november 1654 vanuit Tübingen.
3. Losman, ibidem; de brieven die Meijer in de periode 1654-1657 aan graaf Wrangel schrijft bevinden zich in het Riksarkivet Stockholm, Skoklostersamlingen, E8200 en E8420.
4. H. Gillingstam, lemma in “Svenskt Biografiskt Lexikon”, Stockholm 1986, pag. 470. Volgens L.W. Munthe, “Kungl. Fortifikationens historia”, Stockholm 1916, deel VI:1, pag. 447-448, start Anders daar pas eind 1665 in opdracht van gravin Maria Sofia de la Gardie, weduwe van Gustaf Gabrielsson Oxenstierna. Over de rechtszaak: H. Bruiningk und N. Busch, “Livländische Güterurkunden: aus den Jahren 1207 bis 1500”, Kommissionsverlag von Jonck & Poliewsky 1908, deel 1, pag. 328.
5. Van de geboorte van Hendrik is niets in Riga te vinden. De enige bron hiervoor is volgens K. Kulbach-Fricke, “Familienbuch Riga“, pag. 2943. J.G.D. Schweder. In de Lutherse doopboeken van  Oberpahlen is van geen van de drie zoons de geboorteaangifte te vinden. De geboortejaren van Carl Fredrik en Wolmar Johan zijn afgeleid uit hun leeftijden op de militaire rollen in het Krigsarkivet, 0022 Rulla 1620-1723, 1696/10, pag. 76  resp. 1699/4, pag. 208. Het geboortejaar 1664 van Johan August volgt uit zijn eigen Memorial dat in de Riksdag van 17 juni 1741 werd voorgelezen (
Sveriges Ridderskaps och Adels Riksdags-Protokoll, deel 12, pag. 404). Afhankelijk van zijn verjaardag is het jaartal 1665 dat zijn weduwe 1665 op een wijnkan in de kerk van Täby liet graveren nog wel te plooien. dat geldt niet voor het jaar 1666,  dat volgt uit de zin in zijn baronnenbrief dat hij op 17-jarige leeftijd in 1684 als vrijwilliger in militaire dienst ging.