1.2.6. Anders, hoofdinspecteur over Oberpahlen

Anders / Henric Meijer is de zoon van Johan Wolmarsson Meijer en Dorotea Johansdotter Taube in Lijfland. Een alternatief is dat hij de zoon is van Andreas Jakobsson Meyer uit Belgard in Brandenburg. Eén bron noemt zijn geboortejaar: omstreeks 1630. (1)

Het leven van Anders kan worden opgepakt in 1654. Hij treedt dan in dienst van de gouverneur-generaal van Zweeds-Pommeren, graaf Carl Gustaf Wrangel (1613-1676), één van de grootste legerleiders en staatsmannen van Zweden. Meijer wordt door Wrangel aangesteld als hofmeester bij diens halfbroers baron Johan Fredrik (14 jaar) en Wolmar Herman Wrangel (13 jaar).

Anders begeleidt de broers Wrangel naar de Duitse universiteit van Tübingen (40 kilometer ten zuiden van Stuttgart). Vanuit die stad stelt hij zijn opdrachtgever regelmatig schriftelijk op de hoogte van de studievorderingen van de broers. De brieven worden getekend met zijn voornaam: Anders of Andreas. (2) 

Karel X Gustaaf bestijgt dat jaar de Zweedse troon. Hij raakt daarover meteen in oorlog met Polen, dat ook erfrechten op het huis Wasa claimt. Midzo­mer 1655 overschrijden de Zweedse troepen de oostgrens van Pommeren en zuidgrens van Lijfland. De Zweden verslaan de Polen bij War­schau. De omliggende Europese staten Rusland, Brandenburg, Nederland en Denemarken verzetten zich met succes tegen deze verstoring van het Noord-Europese machtsevenwicht. De gebroeders Wrangel treden in 1655 in Zweedse krijgsdienst en Meijer blijft niet achter. Veel betekenis heeft deze daad niet, omdat Wrangel wil dat de broers eerst hun studie in Tübingen afmaken. 

Anders Meijer wordt een stap verder het Zweedse leger in getrokken door zijn benoeming tot ingenieur in 1656. Vermoedelijk heeft hij een relevante opleiding en deze komt hem later te pas. Hij is ingedeeld bij de belangrijke genie-officier Erik Dahlberg, die later als gouverneur-generaal van Lijfland opnieuw zijn superieur zal worden.

Juni 1657 verplaatst het front zich via Pommeren en Mecklenburg naar Holstein. Het toeval wil dat Meijer juist op dat moment met de baronnen Wrangel vanuit Tübingen de thuisreis heeft aanvaard. Op de Lünenburger Heide in de buurt van Hamburg raakt het drietal in Deense gevangenschap en wordt naar de nabij gelegen havenstad Glückstadt gevoerd. Op 25 juni schrijft Meijer een brief aan graaf Wrangel over de gebeurtenissen. (3)

Meijer is nu officieel krijgsgevangene. Tijdens zijn gevangenschap maakt Meijer gebruik van zijn  ingenieursvaardigheden en ziet kans een tekening van de vesting te maken, die hij – samen met een veroveringsplan – naar koning Karel X in Wismar weet te smokkelen. De koning keurt het plan goed, maar kan het niet in uitvoering brengen vanwege de invallende, uitzonderlijk strenge winter en de geringe beweeglijkheid van zijn troepen. Die strenge winter brengt hem wel de zege, want hij loopt met zijn troepen over de Kleine en Grote Belt en omsingelt Kopenhagen, waardoor de Deense koning begin 1658 een voor hem ongunstige Vrede van Roskilde moet sluiten.

Ten gevolge van deze vrede keert Meijer terug naar het Zweedse kamp. De Zweedse koning bevordert Meijer tot overste (waardoor hij de genie verlaat), krijgt een eregeschenk en wordt verzekerd van verdere koninklijke gunsten. Met de dood van de koning in 1660 kan een algehele vrede worden gesloten. Anders Meijer wordt daardoor na vijf jaar dienst uit het leger afgedankt.

Na zijn afdanking uit het Zweedse leger in 1660 steekt Anders Meijer de Oostzee over naar Riga. Daar huwt hij datzelfde jaar nog Catharina Wulff, dochter van Mårten Wulf (1580-1633) en Ursula Marquard (1595-1659). Wulff is muntmeester voor Lijfland, die zich het beste laat vergelijken met de directeur van de nationale bank tegenwoordig. Hij was ook één van de stadsbestuurders die de overgave van Riga onderhandelde toen de Zweedse koning Gustaaf Adolf in 1621 aan de poorten stond. Zijn andere dochters huwen edellieden en zijn broer wordt in de Zweedse adelstand verheven met de naam Wulffenschildt (Wolffensköld). Catharina Wulff is in 1660 al tweemaal weduwe, van handelsman Herman Rötelsdorff (1600-1658), bij wie zij twee dochters had, en jurist Johann Christoff von Kirstein, die na het huwelijk van 26 augustus 1659 enkele maanden later was overleden.

Anders blijft niet in Riga maar wordt in 1662 hoofdinspecteur over Oberpahlen (Põltsamaa). Dit gebied beslaat negen landgoederen van totaal 25 bij 30 km. Daarmee zou het in Nederland – dat door fusies toch geen kleine gemeenten heeft – qua oppervlakte de grootste gemeente zijn. Op het grootste van de landgoederen staat de gelijknamige burcht van de voormalige Lijflandse Orde. De landgoederen zijn in eigendom van zijn vroegere pupil Wolmar Wrangel en vanaf 1675 tot de reductie van diens weduwe. Hij is in dienst van de Zweedse gouverneur-generaal graaf Bengt Gabrielsson Oxenstierna. (4)

1.1.6. OberpalenDe burcht Oberpalen.

Anders Meijer en Catharina Wulff krijgen vier zoons:  Hendrik (1660, nog in Riga), Carl Fredrik (1662), Johan August (1664) en Wolmar Johan (1667), allen in Oberpahlen.

Tussen 1668 en 1671 spant Catharina Wolffeldt, weduwe van Engelbrecht Kawer, een proces aan tegen Andreas Meijer over de precieze grens van Oberpahlen met het afgesplitste landgoed Loper. (5)

Het jaar 1672 staat in Nederland bekend als het Rampjaar, in Zweden als het jaar dat koning Karel XI meerderjarig wordt. Hij zit vast aan een overeenkomst van de hem vijandig gezinde Rijksraad om 16.000 man te leveren in Duitsland in geval koning Lodewijk XIV Nederland zou binnenvallen. Uiteindelijk komt hij daardoor in 1674 in Branden­burg terecht. Hij verheft trouwe onderdanen in de adelstand om hen dichter aan het koninkrijk te verbinden. Dat overkomt Anders Meijer ook, hoewel hij niet in het leger terugkeert. De nieuwe naam Meijerfeldt en de adeldom gelden niet alleen voor hemzelf, maar ook voor diens zoons, de dan 12-jarige Carl Fredrik, 10-jarige Johan August en 7-jarige Wolmar Johan. De oudste zoon Hendrik zou 14 jaar zijn geweest, maar hij wordt niet meer genoemd en zal jong overleden zijn.

De bevelhebber van het Zweedse leger is weer Carl Gustaf Wrangel, die via Uckermark opmarcheert. Als hij in 1675 ziek te bed ligt neemt zijn halfbroer Wolmar Herman Wrangel de leiding over. Hij buit de plaatselijke bevolking op een gruwelijke manier uit. De Zweedse troepen worden bij Fehrbellin verpletterend verslagen en weten na enkele zware oorlogsjaren nog maar net de uitgangssituatie van 1674 te behouden. (6)

Eind dat jaar sterft Wolmar Wrangel en zwaait zijn weduwe gravin Christina Wasaborg – een onechte kleindochter van koning Gustaaf Adolf – de scepter over Oberpahlen, totdat de landgoederen vanaf 1680 door de reductie aan de Kroon terugvallen.

Op 13 augustus 1678 zou Anders Meijerfeldt tot appelrechter zijn benoemd, maar hij wordt waarschijnlijk verward met een in die tijd ook in Lijfland levende Andreas Meijer. (7)

Bij de naam van Anders Meijer staat niet alleen het landgoed Festen van zijn vader, maar ook Laisholm (Jõgeva) bij Dorpat (Tartu). Op 17 maart 1680 (Pasen) koopt Anders voor 16.000 Taler het landgoed Sall (Salla), kierchspiel St. Simonis (Simuna), kreis Wierland (Viruma) van luitenant en landdrost (hakenrichter) Reinhold von Wrangel. Laatstgenoemde voert in 1682 allerlei rechtzaken, onder andere tegen landrechter Bernhard Schulman wegens onbevoegde tussenkomst waardoor de verkoop van Sall aan Anders en twee anderen verhinderd was, maar Wrangel beschuldigt Anders er ook van geen kooppenningen te hebben betaald, alle koren van het veld te hebben afgesneden en naar zijn eigen landgoed Lustifer (Lustivere, vlakbij Oberpalen) te hebben laten afvoeren en tenslotte de koop te hebben ontbonden. In de rechtszitting van 20 maart 1682 slaagt Wrangel niet in zijn bewijs. (8)

De laatste berichten van Anders zijn afkomstig van Reval (Tallinn) in de periode 1680-1683, van waaruit hij brieven schrijft aan Johan Rabel, de secretaris van gouverneur-generaal Otto Wilhelm Königsmarck. Hij is vóór 21 maart 1687 overleden, omdat “Overinspector Meyerfelds Wittwen” staat op een schuldeiserslijst van die datum in de Sall-kwestie, overigens laag in de rangorde. (9)

 

1. M. Kohlhaas, “Nachkommen von Hermann Marquard”, Norddeutsche Genealogien, pag. 3.
2. A. Losman, “Carl Gustaf Wrangel och Europa”, Stockholm 1980, pag. 49, brieven van 12 september en 10 november 1654 vanuit Tübingen.
3. Losman, pag. 49; de brieven die Meijer in de periode 1654-1657 aan graaf Wrangel schrijft bevinden zich in het Riksarkivet Stockholm, Skoklostersamlingen, E8200 en E8420.
4. H. Gillingstam in Nilzén, “Svenskt Biografiskt Lexikon”, Stockholm 1986, pag. 470. Volgens L.W. Munthe, “Kungl. Fortifikationens historia”, Stockholm 1916, deel VI:1, pag. 447-448, start Anders daar pas eind 1665 in opdracht van gravin Maria Sofia de la Gardie, weduwe van Gustaf Gabrielsson Oxenstierna.
5. H. Bruiningk und N. Busch, “Livländische Güterurkunden: aus den Jahren 1207 bis 1500”, Kommissionsverlag von Jonck & Poliewsky 1908, deel 1, pag. 328.
6
. A.W. Hupel, “Herrn J.B. Fischer’s Beyträge und Berichtigungen zu Hernn F.K. Gadebusch livländischer Bibliothek”, deel 4, Riga 1782, pag. 103-104. A.W. Hupel, “Topographische Nachrichten von Lief- und Ehstland”, deel 3, Riga 1782, pag. 251. J.F. von Bohlen, “Die Erwerbung Pommern durch die Hohenzollern”, Berlin 1865, blz. 59. Vermoedelijk in navolging van de laatste bron R. Marsson, “Die Schwe­dischen General­statthalter in Stralsund”, Stralsundische Zeitung 9-9-1923. Een aanbeveling voor hem staat al in een brief van 01-07-1646 van Axel Oxenstierna aan Gabriel Bengtsson Oxenstierna, Kansli original in Tuarte Historiska Arkivit 278-1-XVIII:14).
8. A.C. Meurling, “Svensk domstolsförvaltning i Livland 1634-1700”, Lund 1967, pag. 132-133. Zij maakt bovendien de fout Anna Christina Hastfer als diens moeder in plaats van schoondochter te presenteren. Zie ook Gillingstam.
9. Hakenrichter Reinhold Wrangell zu Sall (Salla, Simuna khk) Kirchspiel St. Simonis contra Ober-Inspektor Andreas Meyenfeld betreffend eigenmächtigen einseitigen Rücktritt des Beklagten von dem vereinbarten Kauf des Gutes Sall, Nationaal Archief Estland, EAA.1.2.411, Pag. 111-112p, Nr. 29. W. Baensch, “Geschichte der Familie von Wrangel, vom Jahre 1250 bis auf die Gegenwart, nach Urkunden und Tagebüchern bearbeitet”, Berlin und Dresden 1878, deel I, pag. 441 (Oberlandgericht, Convolut 272 Nr. 7).
10. “Ehst- und Livländische Brieflade, Ein Sammlung von Urkunden  zur Adels- und Gütergeschichte Ehst- und Livlands, in Übersetzungen und Auszügen”, deel 2.2 Zweedse tijd, Reval 1861, pag. 925. Nr. 912, Erkenntniss des Oberlandgerichts in Sachen der Creditoren des Reinhold Wrangell von Sall, Reval d. 21. März 1687: “sel. Overinspector Meyerfelds Wittwen 425 Rthlr. 27½ wrstk. in spec. Capital u. 136 Rthlr. Interessen”.