1.10.1. Zweedse adelsbrieven

Een voor de hand liggende manier om de herkomst van een adellijk geslacht te achterhalen is de adelsbrief. Bij de Meijerfeldts zijn er drie brieven om te bestuderen: de adelsbrief uit 1674, de baronnenbrief uit 1705 en de gravenbrief uit 1714. Hoewel in netschrift geschreven, is bedrevenheid in paleografie en de Zweedse taal rond 1700 noodzakelijk. 

Adelsbrief

Op 24 november 1674 wordt Anders Meijer in de adelstand verheven. Op die datum stelt koning Karel XI van Zweden dit in Stockholm vast door ondertekening van de Sköldebref. (1) Daaruit blijkt dat Meijer de Zweedse adelstand niet door afkomst verkreeg. Er wordt niet gesproken van een voorouder die een Zweeds edelman was, in een leenboek (van vóór 1280) stond of dienstadel had verkregen van een landheer. Ook blijkt niet dat hij als buitenlandse (in casu Lijflandse) edele in de Zweedse adelstand is genaturaliseerd. De adelsbrief vermeldt wel de eerdere hoge officiersrang (overste) en hoge civiele functie (hoofdinspecteur) van Anders Meijer. Hoe zijn die denkbaar zonder adellijke achtergrond?

Blijkens de brief verkrijgt Meijer zijn  Zweedse adelstand door verdienste, als beloning voor bijzondere prestaties voor het koninkrijk. 

IMG_0370

De brief bevat een algemene uitleg waarom de koning zijn onderdanen in de adelstand verheft en loftuitingen over de militaire en bestuurlijke kwaliteiten van Meijer:

Alzo hebben Wij thans in Genade besloten ten aanzien van de Overste en tegenwoordig Hoofdinspecteur, onze Getrouwe Meijer, die zich vanaf zijn jeugd heeft beijverd voor eer en deugd, die zowel in vreemde landen als thuis heeft getracht zich in onze dienst op allerlei loffelijke wijzen capabel te betonen, die de plicht en het ambt van een goed ingenieur heeft vervuld in de zware en dappere door wijlen onze hooggeëerde Heer vader Roemwaardigst gevoerde oorlogen en in het bijzonder in alle voorgevallen gebeurtenissen, terwijl hij daarin geschiktheid en kennis heeft verworven, (…). Aangezien hem een goed lofwoord is gegeven voor zijn dappere en bereidwillige houding en Wij nog steeds goede en trouwe diensten van hem hebben te verwachten, en in verband met alle aldus aangevoerde woorden om hem onze Kon. welwillendheid en genegenheid en daardoor gunst en Genade alsmede Kon. macht en doorluchtigheid te betuigen, wensen Wij hem met hoge en aanzienlijke stand te bekleden, en met adellijk wapenschild en privileges, geschenken en giften.

Welke privileges, geschenken en giften Meijer precies krijgt is niet in bronnen te vinden.

Baronnenbrief

De Zweedse koning Karel XII verheft de zoon van Anders Meijer, Johan August Meijerfeldt, bij brief van 12 juli 1705 te Rawicz, uitgeschreven te Blonie 7 september 1705 (beide plaatsen in Polen) tot baron (friherre). Zijn broer Wolmar Johan wordt in de brief mee opgenomen. Het concept van de Frijherre Bref för General Major Johan August Mejerfeldt is getekend door Rijkskanselier Carl Piper (later zijn zwager) en hij heeft tal van verbeteringen in de brief aangebracht, waaronder met terugwerkende kracht de juiste plaats en datum van de plechtigheid. De brief telt 18 bladzijden, begint met een algemene inleiding over het belang dat de koning hecht aan trouwe officieren, noemt dan Meijerfeldt, somt vervolgens zijn opvallende krijgsverrichtingen op en beschrijft tenslotte zijn nieuwe wapen. Over zijn afkomst staat niets vermeld.

Gravenbrief

Koning Karel XII tekent de Grefwe Bref för K: Rådet, Generalen och Gen: Gouverneuren, Johan August Meijerfeldt in het Turkse Demotica op 3 maart 1714. De brief somt de wapenfeiten van Meijerfeldt op vanaf 1705, enkele maanden nadat hem de baronnenbrief wordt verleend, beginnend met de tocht van zijn 1000 man met de bisschop van Lemberg naar de kroning van Stanislaus tot Poolse koning in Warschau. Opnieuw is er geen informatie over zijn afkomst. Zijn broer Wolmar Johan wordt in 1718 in de brief opgenomen.

 

1. Riksarkivet Stockholm, 1112.1. Riksregistraturet 1523-1718,  B.412, folio 309v–311v.
2. Riksarkivet Stockholm, 1112.1. Riksregistraturet 1523-1718,  B.639, 18 bladen.
3. Riksarkivet Stockholm, 1112.1. Riksregistraturet 1523-1718, B.671, folio 150-159.