1.2.2. Vraagtekens

Bij de stelling dat het Zweedse geslacht Meijerfeldt afstamt van het Baltische geslacht Meijer worden vraagtekens geplaatst. Deze betreffen de eerdere adel, de andere voornaam, de Duitse afstamming en de gebruikte bronnen.

Eerdere adel

De Meijers behoorden al in 1510 tot de Baltische landadel, dus moet dat ook hebben gegolden voor de Meijer die in 1674 tot de Zweedse adel ging behoren. In de adelsbrief staat echter niet expliciet dat Meijer’s voorouder een Zweeds edelman was, in een leenboek (van vóór 1280) stond of dienstadel had verkregen van een landheer. Ook staat er niet dat hij als buitenlandse (in casu Lijflandse) edele in de Zweedse adelstand wordt genaturaliseerd. Op de lijsten van de Duitse oeradel van vóór 1350 (Almanach de Gotha) en de Zweedse van vóór 1280 (Alsnö Handvest) komen de Meijers niet voor.

Op dit vraagteken zijn de volgende nuances te geven:
– In de adelsbrief staat dat Meijer eerder reeds een hoge officiersrang (luitenant-kolonel of overste) en civiele functie (hoofdinspecteur) had. Hij had de militaire rang als gunst van koning Karel X Gustaaf in de wacht gesleept dankzij het uit Glückstadt gesmokkelde aanvalsplan. Koning Karel XI had als onderdeel van zijn grootschalige reorganisatie van het Zweedse leger bepaald dat alle officieren boven de rang van majoor van adel moesten zijn. Twee conclusies zijn mogelijk: Anders Meijer was destijds hoge officier geworden omdat zijn adellijke achtergrond dat toeliet of hij moest nu in de adelstand worden verheven om dit gebrek aan te zuiveren.
– Over de identiteit van Anders Meijer kan geen misverstand bestaan, omdat zijn in
de adelsbrief genoemde avonturen zijn te herleiden naar originele correspondentie tussen Anders Meijer en Carl Gustaf Wrangel in de jaren ’50. (1)
– Eén andere bron gebruikt expliciet de termen oeradel en naturalisatie bij het geslacht Meijerfeldt. (2) Het feit dat de Meijers niet op de Duitse en Zweedse lijsten voorkomen bevestigt dat zij tot de – lagere – landadel behoorden, die een leenbrief verwierven, in dit geval van de Landmeester of plaatselijke Komtur van de Lijflandse Orde.
– In 1750 en 1753 komen in Leipzig twee uitvoerige  levensbeschrijvingen uit van Johan August Meijerfeldt sr (1664-1749), één van de zonen van Anders Meijer. In beide staat “war ein gebohrner Liefländischer Edelmann”. Voorafgaand aan de verheffing van zijn vader in de Zweedse adelstand (zelf was hij toen 10 jaar oud) was hij dus al van adel. (3)

Een andere voornaam

Uit de officiële Matrikel- en Wapenboeken blijkt dat de geadelde Meijer niet Anders maar Hendrik heet. Bij de eerste vermelding van Meijerfeldt onder Nr. 864 in het Matrikelboek van het Ridderhuis in Stockholm in 1731 staat Hindr. Bij de eerste Zweedse wapenboeken uit 1734 en 1746 met  zwart-wit afbeeldingen van het wapen staat Hendrich. (4)

Om de volgende redenen blijkt het om dezelfde persoon te gaan:
– In het nieuwe Matrikelboek uit 1754 staat weliswaar opnieuw Henric en bovendien war barnfödd i Lifland (geboren in Lijfland), maar de auteur heeft een aantal jaren geleefd en onderzoek gedaan in Riga en uit zijn nagelaten papieren blijkt dat hij naast Hinric ook Anders schrijft en tenslotte alleen Anders. (5)
– In 1769 komen handgeschreven genealogieën, tekeningen en verhalen uit van een Duitse leraar in Riga. Hij heeft daardoor een verduitste spelling, die beter bij het gebied past. Bij het geslacht Meyer meldt hij als voornaam: Andreas (nach anderen Nachrichten Hinrich). (6)
– Na zijn verheffing in de adelstand voert hoofdinspecteur Meijerfeldt correspondentie en rechtszaken. In de originele documenten ondertekent hij met de voornaam Andreas. (7)

De Duitse afstamming

In 1747 verschijnt het eerste Duitse wapenboek met biografische gegevens. In een lemma staat: (8)

Meyerfeld, Mayerfeld. Von dieser hochansehnlichen adelichen und izo gräf­li­chen Familie in Westphalen, Liefland u. Schweden findet man, dass sie sich ehe­mals Lin­gen von Meyer­feld genen­net. Ob Lingen der Stamm-Nahme sey, und sie etwa vor alters von dem adelichen Patri­cien-Ge­schlecht zu Lübeck von Lingen, allwo es noch flo­riert, abge­stam­met sey, kön­nen wir nicht bejahen (…). Der erste den wir anführen können, ist Dietrich Hermann von Meyerfeld, Chur-Cöllnischer geheimder Rath und An. 1646 gevollmächtigter Gesandter auf dem Friedens-Congress zu Münster. (…). 

Hierna volgt een alinea over de tak die naar Lijfland en Zweden gaat, eindigend met het overlijden van Wolmar Johan Meijerfeldt in Wenen. Afgesloten wordt met:

Zu seiner Zeit ward Maria Catharina Baronesse von Meyerfeld, bisherige Dekanizin des Stiffts St. Jacobi zu Wien, Obristin desselben, und ist Sie vorgebachten General und Grafen von Meyerfeld nahe anverwandt gewesen.

De sporen van deze afstamming lopen dood:
– De auteur vermeldt onder zijn tekst “Memoi­res”, waarmee hij lijkt te bedoelen dat hij niet uit originele bronnen of eerdere wapenboeken put, maar rechtstreeks uit zijn geheugen, waardoor geen nader onderzoek mogelijk is.
– De auteur twijfelt zelf al, maar een familienaam Lingen von Meyerfeld vóór 1646 is lastig te verenigen met de naam Meijer tussen 1480 en 1674. De familie zou de naam komend vanuit Lübeck in de Baltische gebieden moeten hebben verkort tot Meijer. Het zou de oorspronkelijk adel overigens wel verklaren.
– Een Pruissische adelslexicon komt er achter dat het wapen van Diet­rich Hermann von Meyer­feld een geheel andere is dan dat van het Zweed­se geslacht. (9) De familienaam van Dietrich Her­mann blijkt na enig onderzoek ook nog eens op een schrijffout te berusten. Het moet Von Meerfeld zijn. (10) Lingen en Lübeck zijn met hem verbonden, dus is verder onderzoek hier niet meer nodig. Dat de Meijers ooit vanuit Westfalen naar Lijfland zijn gekomen is daarmee overigens niet uit te sluiten.
– Barones Maria Catharina von Meyerfeld is volgens nog oudere bronnen inderdaad eerst deken van de reguliere kanunnikessen (CRA) kloosterorde St. Augustinus en krijgt op 19 april 1722 een levenslange benoeming tot Proost Augustiner nonnenklooster St. Jakob auf der Hülben in Wenen, in plaats van de overleden gravin Maria Augustina Buchhein. Van een verwantschap met het Zweedse geslacht blijkt niet. (11) 

Ansicht uit 1724 van het nonnenklaaster St. Jakob auf der Hülben in Wenen

Gebruikte bronnen

De reeks Baltische Meijers van vader op zoon, hun echtgenotes, hun functies en hun koppeling aan het Zweedse geslacht Meijerfeldt zijn eigenlijk maar gebaseerd op één bron, het onderzoek door A.A. von Stiernman, de genealoog van het Ridderhuis in Stockholm. (12) In de twintigste eeuw ontstaat kritiek op het onderzoek, bijvoorbeeld naar het geslacht Wolffensköld: ytterst felaktig och ofullständig (extreem incorrect en onvolledig). Op basis van de gegevens van het Ridderhuis van Riga wordt het goede plaatje geschetst. (13) De Matrikels hadden mede tot doel familietwisten op te lossen en werden daardoor wel als lögnare en utrolig  neergezet. (14)

Omdat de auteur van het Meijerfeldt lemma in de biografische lexicon uit 1986 in oude geschriften de voorouders van Anders Meijer niet kan terugvinden laat hij ze helemaal weg. (15) Er is nog veel uit te zoeken, maar het zomaar schrappen van het Baltische geslacht of de koppeling aan het Zweedse geslacht gaat te ver:
– In de eerste paragraaf zijn diverse objectieve redenen gegeven die leiden tot de conclusie dat Anders Meijer vóór zijn verheffing in de Zweedse adelstand al tot de Baltische landadel behoorde.
– De schrijver van het Wrangelboek legt lang na het uitsterven van de Zweedse Meijerfeldts een link met de Baltische Hinrik Meijer in 1562 en baseert dit op eigen onderzoek in oorspronkelijke bronnen.
– Mocht het doel van de jonge graven Meijerfeldt zijn geweest de leemte in het Matrikelboek van 1754-1755 op te vullen met Baltische adellijke voorouders, waarom lieten zij die interessante papieren dan ongepubliceerd in de Universiteitsbibliotheek van Uppsala liggen?
– Heeft de auteur van het Meijerfeldt lemma van de biografische lexicon eigenlijk zelf wel onderzoek gedaan in authentieke bronnen in het toen nog communistische Letland en Estland?

 


1. SE/RA/720795 Skoklostersamlingen, III. Carl Gustaf Wrangels arkiv 2,
Vol E 8200 en E 8420.
2. C.A. Klingspor, “Sveriges Rid­derskaps och Adels Vapen­bok”, Stockholm 1886, pag. 14:4.
3. M. Ranft, “Leben und Thaten des jüngst verstorben Schwedischen Grafens von Meyerfeld”, in “Neue Genealogisch-Historischen Nachrichten von den vornehmsten Begebenheiten welche sich an den Europäischen Höfen zugetragen, worinn zogleich vieler Stands-Personen Lebens-Beschreibungen”, deel 2, hoofdstuk 1, Leipzig 1750, pag. 91 t/m 129. M. Ranft, “Leben und Thaten des Feld-Marschalls Graf Meyerfeld”, in “Die Merkwürdige Lebengeschich derer vier berümten Schwedischen Feldmarschalle, Grafen Rehnschild, Steenbock, Meyerfeld und Dücker”, deel 3, Leipzig 1753, pag. 279 e.v.
4
. J.H. Werner, “Matrikel öfwer Swerikes Ridderskap och Adel”, Stockholm 1731, pag. 70: Ridders- och Adelsmän, Meyerfeldt, Hindr., Nov. 1674 intr. 1675. E. Kiellberg, “Sweriges Ridderskaps och Adels Wapnebok”, Stockholm 1734. D.G. Cedercrona, “Sweriges Ridderskaps och Adels Wapen-Bok”, Stockholm 1746. voorblad, Wapenplaten pag. 10 en 94, Register pag. 2 en 18.
5. A.A. von Stiernman, “Matrikel öfver Swea Rikes Ridderskaps och Adel”, Stockholm 1754-1755, deel 1, pag. 44-45 en 648, deel 2, pag. 1125, 1329, 1380, 1419 en 1420. Exemplaar in Familiearchief. “Svecia Illustris”, ibidem.
6. J.C. Brotze, “Sammlung verschiedner Liefländischer Monumente”, Riga 1671, deel 1:2, pag. 163v en pag. 174 en deel 3:2, pag. 237v-238.
7. EAA/1//2/
411 Nr. 29,  folio 111-112v en 419 Nr. 58, folio 161-163.
8
. J.F. Gauhe, “Des Heil. Röm. Reichs Genea­logisch-Histo­rischen Adels-Lexici” Leipzig 1747, deel 2, pag. 727-728.
9
. L. von Ledebur, “Adelslexicon der Preussischen Monar­chie”, Berlijn 1855, deel 2, pag. 103, gecorrigeerd in deel 3, Nachtrag, pag. 310.
10. J.G. von Meiern, “Acta Pacis Westphalicae Publica oder Westphälische Friedens-Verhandlungen und Geschichte”, Hannover 1734, pag. 55.
11. Recueil des Nouvvelles, Gazette du 23 May 1722, pag. 255. Supplement du Mercure de May 1722, pag. 183-184.
12. A.A. von Stiernman, “Svecia Illustris”, 27 handgeschreven delen in folio formaat met genealogische tabellen en biografische opgaven over de adel, Uppsala Universitetsbibliotek, X 18, M,  vier bladen. In diens navolging G. Anrep, “Svenska Adels Ätters-taflor”, Stockholm 1861, pag. 888-889 en G. Elgenstierna, “Den introducerade svenska adelns ättertavlor”, Stockholm 1930, deel V, pag. 226. Onafhankelijk hiervan W. von Baensch, “Geschichte der Familie von Wrangel, vom Jahre 1250 bis auf die Gegenwart, nach Urkunden und Tagebüchern bearbeitet”, Berlin und Dresden 1878, deel 1, pag. 130, met gedetailleerde stamtafels en bronnen.
13. G. Elgenstierna, ibidem.
14. L. Lindholm, lemma in “Svenska Biografiskt Lexikon”, Stockholm, deel 33, pag. 448. Critici van Von Stiernman waren collega’s Daniël Tilas en Jacob Langebek.
15. H. Gillingstam, lemma in “Svenskt Biografiskt Lexikon”, Stockholm 1986, deel 25, pag. 470. Von Stiernman leefde in 1724 in Riga en deed daar onderzoek in de archieven, maar benoemt zijn bronnen niet.