1.1.1. Zweedse briefadel

Op 24 november 1674 wordt Meijerfeldt in de adelstand verheven. Op die datum stelt koning Karel XI van Zweden dit in Stockholm vast door ondertekening van de Sköldebref. (1)

Er zijn vier manieren om de Zweedse adelstand te verkrijgen. De meest voorkomende is als beloning voor bijzondere prestaties voor het koninkrijk. De koning verwacht daarmee steun voor het centrale gezag terug te ontvangen. Andere vormen van adel zijn gestoeld  op een leenboek (van vóór 1350 en in Zweden zelfs van vóór 1280), op dienstadel onder een landheer of op buitenlandse adel. Deze laatste drie alternatieven worden in de brief niet genoemd.

De erkenning van en beloning voor de goede verrichtingen van betrokkene voor het koninkrijk Zweden worden doorgaans in de brief beschreven. Dat is ook het geval bij Meijerfeldt. Hij is ingenieur, heeft in de laatste oorlog met Denemarken gevangen gezeten in Glückstadt, is uit het leger afgezwaaid in de rang van overste en op het moment van adelverkrijging hoofdinspecteur. Zijn opgetekende levensverhaal is grotendeels op de brief gebaseerd.

Meijerfeldt en zijn nakomelingen gaan door de adelsverkrijging tot de hoogste sociale laag onder het koningshuis behoren. De adeldom is erfelijk voor zowel de verlener als de ontvanger. De opvolgers van de Zweedse koning zijn er aan gebonden, tenzij ze de adeldom intrekken vanwege ernstige misdaden als landverraad. De echtgenote en echte nakomelingen van de begunstigde delen in het genot van de adeldom, met onmiddellijke werking voor hen die leven en toekomstige werking voor hen die geboren worden. Deze kinderen hebben automatische toegang tot de officiersrang in het Zweedse leger, terwijl de officiersrang eerder door bijzondere verdiensten verkregen moest worden.

Een adelsbrief mag dan in veel opzichten een hoge sociale status geven, in Zweden is er meer nodig om rechten en privileges als belastingvrijdom, het uitoefenen van bestuursfuncties en vertegenwoordiging in de Rijksdag te verkrijgen. Hiervoor is immatricularisatie (inschrijving) en/of introductie bij het Ridderhuis te Stockholm noodzakelijk. Vaststaat dat dit heeft plaatsgevonden. Een afbeelding van het adelswapen op een plaat in het Ridderhuis  geeft hier blijk van. Bovendien meldt het Matrikelboek van het Ridderhuis van 1731 dat de introductie destijds in 1675 onder het volgnummer 864 heeft plaatsgevonden.  (2)

Bij de adeldom kan vastgoed (weiland, akkers, bos, waterloop, watermolen, landhuis) en/of daaruit voortkomende roerende zaken (melk, oogst, hout, jachtopbrengst, bronwater, pachtsom) worden verleend. De koning kan dat in de adelsbrief vermelden, het kan in het matrikelboek staan, maar meestal zal de koning deze rechten in een aparte akte schenken. In de brief voor Meijerfeldt worden geen onroerende of roerende zaken geschonken. Expliciet wordt wel gesproken van privileges, geschenken en giften, zonder deze precies te benoemen. Van betrokkene is bekend dat hij rechten heeft gekocht van  andere edellieden.

De adelsbrief bevat een beschrijving van het  verleende wapen. Het bestaat uit twee horizontaal verdeelde velden. Het bovenste veld bevat een sikkel,  het onderste een vesting met vier hoektorens. Dergelijke symbolen zeggen vaak iets over de voorouders: de sikkel verwijst naar de boerenstand en de vesting naar de slotheerschap, ingenieursschap en/of de vier zijden van het Christelijke kruis.

Zoals vaak gebeurt bij adelsverkrijging wordt de achternaam gewijzigd. Meijerfeldt blijkt vóór die datum Meijer te hebben geheten. In de Zweedse taal wordt een losse i en j met losse puntjes gebruikt, geen ÿ, ȳ of y. In de brief wordt afgekondigd dat zijn achternaam vanaf dan wordt uitgebreid met felt tot MeijerfeltAls reden wordt gegeven: “till en åtskilnad aff andre familier i rijket”. Vertaald: “om onderscheid te maken met andere families in het rijk”.

 

1. Gegevens over en een scan/transcriptie/vertaling van de adelsbrief zijn te vinden in de Bijlagen.
2. J.H. Werner, “Matrikel öfwer Swerikes Ridderskap och Adel”, Stockholm 1731, pag. 70: Ridders- och Adelsmän, Meyerfeldt, Hindr., Nov. 1674 intr. 1675.