1.1.1. In de adelstand

Algemeen

Er zijn vier manieren om de Zweedse adelstand te verkrijgen. De meest voorkomende is een brief van de koning, die de bijzondere prestaties van zijn onderdaan voor het koninkrijk wil belonen. Hij verwacht daarmee steun voor het centrale gezag terug te ontvangen. Andere vormen van adel zijn gestoeld  op een leenboek (van vóór 1350), op dienstadel onder een landheer of op buitenlandse adel.

Een adelsbrief geeft doorgaans de titel, een uitbreiding van de familienaam en wapentekens. De erkenning van en beloning voor de goede verrichtingen die betrokkene voor het koninkrijk Zweden pleegde worden doorgaans beschreven. Betrokkene en zijn nakomelingen gaan hierdoor tot de hoogste sociale laag onder het koningshuis behoren. De adeldom is erfelijk voor zowel de verlener als de ontvanger. De opvolgers van de Zweedse koning zijn er aan gebonden, tenzij ze de adeldom intrekken vanwege ernstige misdaden als landverraad. De echtgenote en echte nakomelingen van de begunstigde delen in het genot van de adeldom, met onmiddellijke kracht voor hen die al leven en daarna vanaf de geboorte. Deze kinderen hebben automatische toegang tot de officiersrang in het Zweedse leger, terwijl de officiersrang eerder door bijzondere verdiensten verkregen moest worden.

Een adelsbrief mag dan in veel opzichten een hoge sociale status geven, in Zweden is er meer nodig om rechten en privileges als belastingvrijdom, het uitoefenen van bestuursfuncties en vertegenwoordiging in de Rijksdag te verkrijgen. Hiervoor is immatricularisatie (inschrijving) en/of introductie bij het Ridderhuis te Stockholm noodzakelijk.

Bij de adeldom kan vastgoed (weiland, akkers, bos, waterloop, watermolen, landhuis) en/of daaruit voortkomende roerende zaken (melk, oogst, hout, jachtopbrengst, bronwater, pachtsom) worden verkregen. De koning kan dat in de adelsbrief vermelden, het kan in het matrikelboek staan, maar meestal zal de koning deze rechten in een aparte akte schenken.

Sköldebref

Het oudste document over het Zweedse geslacht is de Sköldebref. Deze brief is op 24 november 1674 in Stockholm door de Zweedse koning Karel XI verleend. Gegevens over en een afschrift zijn te vinden in de Bijlagen.

Deze wapen- of adelsbrief maakt er geen melding van dat de adel gestoeld is op een leenboek (van vóór 1350), op dienstadel onder een landheer of op buitenlandse adel. We hebben hier dus te maken met briefadel.

Vaststaat dat immatricularisatie en/of introductie bij het Ridderhuis te Stockholm heeft plaatsgevonden. Een afbeelding van het adelswapen op een plaat in het Ridderhuis  geeft hier alleen al blijk van. Bovendien meldt het Zweedse Matrikelboek van 1731 dat de introductie destijds in 1675 onder het volgnummer 864 heeft plaatsgevonden.  (1)

In de brief worden geen onroerende of roerende zaken geschonken. Wel is expliciet sprake van privileges, geschenken en giften, zonder deze te benoemen. Van betrokkene is wel bekend dat hij rechten heeft gekocht van  andere edellieden.

De brief bevat een beschrijving van het  verleende wapen. Het bestaat uit twee horizontaal verdeelde velden. Het bovenste veld bevat een sikkel,  het onderste een vesting met vier hoektorens. Dergelijke symbolen zeggen vaak iets over de voorouders: de sikkel verwijst naar de boerenstand en de vesting naar de slotheerschap, ingenieursschap en/of de vier zijden van het Christelijke kruis.

Over het leven van de geadelde staat het nodige in de adelsbrief vermeld. Hij is ingenieur, heeft in de laatste oorlog met Denemarken gevangen gezeten in Glückstadt, is uit het leger afgezwaaid in de rang van overste en op dat moment hoofdinspecteur.

De adelsbrief meldt tenslotte hoe de begunstigde  heet. Zijn voornaam wordt niet weergegeven, wel zijn achternaam: Meijer. In de Zweedse taal wordt een losse i en j met losse puntjes gebruikt, geen ÿ, ȳ of y. In de brief wordt afgekondigd dat zijn achternaam vanaf dan wordt uitgebreid met felt tot MeijerfeltAls reden wordt gegeven: “till en åtskilnad aff andre familier i rijket”. Vertaald: “om onderscheid te maken met andere families in het rijk”.

 

 

1. J.H. Werner, “Matrikel öfwer Swerikes Ridderskap och Adel”, Stockholm 1731, pag. 70: Ridders- och Adelsmän, Meyerfeldt, Hindr., Nov. 1674 intr. 1675.