1.3.3. Een eigen regiment

Zeer tegen de gewoonte van de veldtochten in die tijd, slaat Karel XII eind 1701 geen winterkwartier op, maar blijft diep in Polen zijn vijand Augus­tus achtervolgen. Op 20 december 1702 arriveert een deel van het Zweedse leger onder Karel XII voor de poorten van de zich verzettende stad Lublin.

Johan August Meijerfeldt krijgt de opdracht de stad binnen te gaan met een detachement infanterie en dragonders, om een brandschatting van 50.000 rijksdaalder in te vorderen. Hij geeft de stad een ultimatum van 10 dagen en om dat kracht bij te zetten laat hij zijn soldaten goed zichtbaar toortsen van stro en teer maken. Ondanks deze aansporing weet de bevolking maar 30.000 rijksdaalder bij elkaar te krijgen, maar tot haar grote opluchting stelt de koning zich hiermee tevreden. De kolonel blijft achter in de stad, om de huizen van protesterende burgers te slopen. Op 27 maart 1703 verlaat hij Lublin met het losgeld en wordt al snel achtervolgd door een Poolse troepenmacht onder wojvod Potochi van Kiow. Hij weet de achtervolgers echter zonder verliezen van zich af te schudden en marcheert veilig naar Kazimirz en daarna naar Warschau (Warszawa). (1)

Inmiddels profiteert tsaar Peter de Grote van de afwezigheid van de Zweedse hoofdmacht in Lijfland. Voortdurend en met een slopend verlies worden de Zweedse garnizoenen door de Moskovieten aangevallen. Majoor Carl Fredrik Meijerfeldt, nog steeds commandant van Sehlburg, moet op 22 februari 1703 in actie komen, omdat een vijandelijk leger van 2000 man over de bevroren Duna Lijfland is binnengevallen en bij Stockmannshof (Plavinas) aan het plunderen is geslagen. Hij neemt slechts 18 ruiters en 70 soldaten te voet met zich mee, maar jaagt hen niettemin op de vlucht. Zonder verliezen aan zijn kant herovert hij de buit, doodt 6 vijanden en neemt er 2 gevangen. (2)

De 14-jarige prins Maximiliaan Emanuel von Würtemberg komt naar het zomerkamp van het Zweedse hoofdleger, teneinde oorlogservaring op te doen bij de dan al legendarische Karel XII. De laatste stelt samen met Johan August de prins op de proef, door zich op een nachtelijke rit voor te doen als Saksische wachtpost. (3) In de zomer en het najaar van 1703 verblijft Johan August in het Pruisische deel van Polen en neemt daar onder andere deel aan de belegering van Thorn (Torún).

De periode van avontuurlijke verkenningstochten is voorbij als de koning Johan August benoemt tot kolonel over een eigen regiment. In tegenstelling tot de meeste Europese legers werken de Zweden grotendeels met soldaten die afkomstig zijn uit dezelfde provincie en niet met huurlingen. Desertie komt daardoor nauwelijks voor. Bij gebrek aan soldij blijven de soldaten geloven dat het goed komt. Johan August mag dan ook als basis voor het regiment Lijflandse dragonders nemen. Als uitzondering moet hij de rest aanwerven en voor de kosten daarvan zelf zorgdragen. Op 20 november worden de nieuwe soldaten voor het regiment geworven op de markt van Topolno, een klooster 5 mijl noordwestelijk van Thorn over de Weichsel (Wisła). Het regiment telt 600 dragonders (inclusief staf e.d. 728 man) van 8 compagnieën. Tegen een werfgeld van 60 rijksdaalder per man en een dienst tot eind april 1707 worden de mannen in blauwe uniformen met gele lijnen gehesen. De staf bestaat uit ervaren Zweedse officieren, waaronder de plaatsvervangend chef Trautvetter, die vaker aan de zijde van Johan August zal opduiken. (4) Die winter blijft het regiment liggen in Neumark (aan de rivier de Drewens onder Bran­denburg).

Tinnen soldaten oorlogsspel Slag bij Horka Meijerfeldt’s Regiment Dragonders

Begin 1704 wordt Johan August bevorderd tot generaal-majoor van de cavalerie. In die rang fungeert hij vaak als chef van de lijfwacht van de koning aan het Zweedse hof te Rawicz. (5)

Wolmar Johan heeft in 1704 een conflict met de zojuist genoemde gene­raal-majoor Stenbock, die zich er in een brief aan de koning over beklaagt dat de overste – na te zijn ontboden – had geopponeerd tegen de autoriteit van de koning en de chaotische toestanden aan het thuisfront. Hij had ook schertsend en respectloos het woord gevoerd. Bovenal zou hij evenwel heimelijk met invloedrijke buitenlandse officieren hebben samengespannen. Stenbock wijst de koning op de vaste procedures, die de krijgstucht voor dergelijke misdrijven voorschrijft. (6) Van een procedu­re is echter niets bekend.

Karel XII neemt in 1704 twee belangrijke besluiten. Het eerste is generaal Lewenhaupt de leiding te geven over de Zweedse troepen in het Baltische gebied, teneinde weerstand te bieden aan de steeds meer opdringende Moskovieten. Het tweede besluit is de verplaatsing van de Zweedse hoofdmacht naar het zuiden, om de daar residerende Poolse edelen tot afzwering van Augustus te bewegen en zodoende een einde te maken aan het krachten verspillende kat-en-muis-spel met het Saksische leger. Als alternatief voor de Poolse troon is er de Poolse edelman Stanislaus Leszczinski, die met een slecht getraind leger aan Zweedse zijde vecht.

Carl Fredrik Meijerfeldt komt onder het commando van Lewenhaupt te vallen. Hij neemt onder andere deel aan de belangrijke Slag bij Birsen op 27 juni 1704. (7) In de Slag bij Jacobstadt een maand later speelt hij als overste van zijn bataljon infanterie van 300 man een vooraanstaande rol. Hij vertrekt uit Sehlburg, wordt ingedeeld op de linkerflank en als gevolg daarvan geeft hij leiding aan de avantgarde. Hij ploegt door onophoudelijke bosschages en heuvels totdat hij op 10 kilometer voor de stad een heuvel betrekt met prachtig uitzicht over het de stellingen van de vijand. Besloten wordt dat de rechterflank nu beter de voorhoede kan overnemen. In de slag neemt de linkerflank echter een groot aandeel in de overwinning. (8)

Carl Fredrik huwt vermoedelijk dat jaar met gravin Anna Christina Hastfer. Zij is in 1681 geboren als dochter van de beroemde Zweedse kanselier en veldmaarschalk graaf Jakob Johan Hastfer (1647-1695) en barones Sigrid Gyllenstierna (1639-1700). (9) Zij krijgen een zoon Jakob Johan Meijerfeldt, die als kind in 1710 zal overlijden en in de kerk van Festen in Lijfland wordt begraven. Lewen­haupt staat toe dat Anna Christina naar Carl Frederik reist in Litouwen, met het doel enkele brieven op te halen over een twist tussen generaal Stackelberg en generaal Johan August. (10)

 

1. ?
2. M.E. Wirtemburg, “Memoires de Maximilien Emanuel, prince de Wirtemburg”, Amsterdam/Leipzig 1740, pag. 45. H. Villius. “Ogenvitten Karl XII”, Stockholm 1960, pag. 61-62.
3. ?

4. G. Tessin, “Die Deutschen Regimenter der Krone Schweden”, deel II (1660-1718), pag. 218-222.
5. Villius, pag. 63 (steunend op het relaas van een ontbijt te Rawicz van een onbekende monnik).
6. M. Stenbock, “Bref till Carl XII”, KKD XII, Lund 1918, pag. 261-262
7. Le Long III, pag. 254.
8. H.E. Uddgren, “Karolinen Adam Ludwig Lewenhaupt, Hans Krigsföring i Kurland och Litauen 1703-1708”, deel 1 (1703-1704).
9. A. von Transehe-Roseneck, “Die ritterlichen Livlandfährer des 13. Jahrhunderts”, Würzburg 1960, noemt ten onrechte als ouders Claus Wilhelm Hastfer (1626-1686) en Anna Löwenstern (1642-1723).
 10. A.L. Lewenhaupt, “Adam Ludvig Lewenhaupts Berättelse”, HH 34:2, Stockholm 1952, pag. 152-153 en 171.