1.3.4. Een eigen regiment

Lublin

Een volgende opdracht brengt Johan August Meijerfeldt voor de poorten van de zich verzettende stad Lublin. Karel XII draagt hem op 1 maart 1703 op  de stad binnen te gaan met een detachement infanterie en dragonders, om een brandschatting van 50.000 rijksdaalder in te vorderen. Johan August geeft de stad een ultimatum van 10 dagen en om dat kracht bij te zetten laat hij zijn soldaten goed zichtbaar toortsen van stro en teer maken. Ondanks deze aansporing weet de bevolking maar 30.000 rijksdaalder bij elkaar te krijgen, maar tot haar grote opluchting stelt de koning zich hiermee tevreden. Johan August blijft achter in de stad, om de huizen van protesterende burgers te slopen. Op 27 maart 1703 verlaat hij Lublin met het losgeld en wordt al snel achtervolgd door een Poolse troepenmacht onder wojvod Potochi van Kiow. Hij weet de achtervolgers echter zonder verliezen van zich af te schudden en marcheert veilig naar Kazimirz en daarna naar Warschau (Warszawa). (1)

Inmiddels profiteert tsaar Peter de Grote van de afwezigheid van de Zweedse hoofdmacht in Lijfland. Voortdurend en met een slopend verlies worden de Zweedse garnizoenen door de Moskovieten aangevallen. Majoor Carl Fredrik Meijerfeldt, nog steeds commandant van Sehlburg, moet op 22 februari 1703 in actie komen, omdat een vijandelijk leger van 2000 man over de bevroren Duna Lijfland is binnengevallen en bij Stockmannshof (Plavinas) aan het plunderen is geslagen. Hij neemt slechts 18 ruiters en 70 soldaten te voet met zich mee, maar jaagt hen niettemin op de vlucht. Zonder verliezen aan zijn kant herovert hij de buit, doodt 6 vijanden en neemt er 2 gevangen. (2) Op 8 april volgt zijn bevordering tot overste.

De 14-jarige prins Maximiliaan Emanuel von Würtemberg komt naar het zomerkamp van het Zweedse hoofdleger, teneinde oorlogservaring op te doen bij de dan al legendarische Karel XII. De laatste stelt samen met Johan August de prins op de proef, door zich op een nachtelijke rit voor te doen als Saksische wachtpost. (3) In de zomer en het najaar van 1703 verblijft Johan August in het Pruisische deel van Polen en neemt daar onder andere deel aan de belegering van Thorn (Torún).

De periode van avontuurlijke verkenningstochten is voorbij als de koning Johan August op 20 november 1703 benoemt tot kolonel over een eigen regiment dragonders. Dat is een infanterie-eenhied, die te voet vecht en zich te paard verplaatst. In tegenstelling tot de meeste Europese legers werken de Zweden grotendeels met soldaten die afkomstig zijn uit dezelfde provincie en niet met huurlingen. Desertie komt daardoor nauwelijks voor. Bij gebrek aan soldij blijven de soldaten geloven dat het goed komt. Johan August mag dan ook als basis voor het regiment Lijflandse dragonders nemen. Het toch al grote Zweedse leger van 65.000 man (alleen het Russische leger is groter) groeit gestaag tot 115.000 man in 1707.

Dit is mede mogelijk omdat Meijerfeldt en andere officieren hun regimenten vanaf dan met niet-Zweedse soldaten aanvullen en voor de kosten daarvan zelf moeten zorgdragen. Op 20 november vindt op de markt van Topolno, een klooster 5 mijl noordwestelijk van Thorn over de Weichsel (Wisła), de aanwerving plaats. Collega Stenbock kiest gemakshalve voor de markt van de grote stad Dantzig, maar veroorzaakt daardoor – zoals zo vaak – een conflict omdat hij hiermee de neutraliteit van de vrije havenstad schendt.

Het Meijerfeldtse regiment telt uiteindelijk 600 dragonders (inclusief staf e.d. 728 man) van 8 compagnieën. Tegen een werfgeld van 60 rijksdaalder per man en een dienst tot eind april 1707 worden de mannen in blauwe uniformen met gele lijnen gehesen. De staf bestaat uit ervaren Zweedse officieren, om te beginnen de plaatsvervangend chef Trautvetter, die vaker aan de zijde van Johan August zal opduiken. Daarnaast majoor Rothausen, kapiteins Aminof, Von Collmar, Morton, Stackelberg, Von Dingraff, Pastelberger, Sturenskiöld, Lengenau, Von Utfalt, Jourist, Stiernbök, Von Born, Budberg, Patkull, Rubzoff, Achtman, Langman, Brandt, Zülich, Carl en Jean de la Forêt en Trens.  (4) Die winter blijft het regiment iets ten noorden van Topolno aan de Weichsel in Neumark (Nowe Marzy) liggen.

Tinnen soldaten oorlogsspel Slag bij Horka 

Meijerfeldt’s Regiment Dragonders

Op 1 juni 1704 wordt Johan August bevorderd tot generaal-majoor van de cavalerie. In die rang fungeert hij vaak als chef van de lijfwacht van de koning aan het Zweedse hof te Rawicz. (5)

Gene­raal-majoor Stenbock richt medio 1704 een brief aan de koning en schrijft dat “een  zekere Meijerfeldt,  die zich als overste betitelen laat – na door mij te zijn ontboden – niet alleen  heeft geopponeerd tegen uw hoge autoriteit en de chaotische toestanden aan het thuisfront, maar ook schertsend en respectloos tegen mij het woord voerde”. Hij zou bovendien heimelijk met invloedrijke buitenlandse officieren hebben samengespannen. Stenbock wijst de koning op de vaste procedures, die de krijgstucht voor dergelijke misdrijven voorschrijft. (6) Gelet op de rang en de locatie moet het hier om Wolmar Johan gaan, omdat  Johan August afhankelijk van de precieze datum van de brief kolonel of generaal-majoor is en omdat Carl Fredrik op grote afstand in Koerland zit. Van een procedu­re voor de Krijgsraad is overigens niets bekend.

Karel XII neemt in 1704 twee belangrijke besluiten. Het eerste is generaal Lewenhaupt de leiding te geven over de Zweedse troepen in het Baltische gebied, teneinde weerstand te bieden aan de steeds meer opdringende Moskovieten. Het tweede besluit is de verplaatsing van de Zweedse hoofdmacht naar het zuiden, om de daar residerende Poolse edelen tot afzwering van Augustus te bewegen en zodoende een einde te maken aan het krachten verspillende kat-en-muis-spel met het Saksische leger. Als alternatief voor de Poolse troon is er de Poolse edelman Stanislaus Leszczinski, die met een slecht getraind leger aan Zweedse zijde vecht.

Carl Fredrik Meijerfeldt komt onder het commando van Lewenhaupt te vallen. Hij neemt onder andere deel aan de belangrijke Slag bij Birsen op 27 juni 1704. (7) In de Slag bij Jacobstadt een maand later speelt hij als overste van zijn bataljon infanterie van 300 man een vooraanstaande rol. Hij vertrekt uit Sehlburg, wordt ingedeeld op de linkerflank en als gevolg daarvan geeft hij leiding aan de avantgarde. Hij ploegt door onophoudelijke bosschages en heuvels totdat hij op 10 kilometer voor de stad een heuvel betrekt met prachtig uitzicht over het de stellingen van de vijand. Besloten wordt dat de rechterflank nu beter de voorhoede kan overnemen. In de slag neemt de linkerflank echter een groot aandeel in de overwinning. (8)

Carl Fredrik huwt vermoedelijk dat jaar met gravin Anna Christina Hastfer. Zij is in 1681 geboren als dochter van de beroemde Zweedse kanselier en veldmaarschalk graaf Jakob Johan Hastfer (1647-1695) en barones Sigrid Gyllenstierna (1639-1700). (9) Zij krijgen een zoon Jakob Johan Meijerfeldt, die als kind in 1710 zal overlijden en in de kerk van Festen in Lijfland wordt begraven. Lewen­haupt staat toe dat Anna Christina naar Carl Frederik reist in Litouwen, met het doel enkele brieven op te halen over een twist tussen generaal Stackelberg en generaal Johan August. (10)

 

1. Post=Tijeder 31-03-1703. 13. F.G. Bengtsson, “The life of Charles XII, King of Swe­den”, London 1960, pag. 148. Visocki-Hochmuth, pag. 183. G. Adlerfelt, “Leben Carls des Zwölften, Königs von Schweden”, Frankfurt/Leipzig 1740, deel 2, pag. 140. In een brief van 6 april 1703 wordt geklaagd over de geringe problemen die Meijerfeldt heeft en de oneerlijke verdeling van het geld (“In de wereld is geen volk zo onbetrouwbaar als de Polen”): «De la Gardiska Archivet eller Handlingar ur Grafl. De la Gardiska Bibliotheket på Löberöd », Lund 1837, pag. 168-169. J.A. Nordberg, “Histoire de Charles XII, Roi de Suède”, Den Haag 1747, deel 1, pag. 295.
2. I. Le Long, “Het leven van den heldhaften Carel den XIIden, Koning der Sweden”, Amsterdam 1721, deel 2, pag. 472.
3. M.E. Wirtemburg, “Memoires de Maximilien Emanuel, prince de Wirtemburg”, Amsterdam/Leipzig 1740, pag. 45. H. Villius. “Ogenvitten Karl XII”, Stockholm 1960, pag. 61-62.
4. G. Tessin, “Die Deutschen Regimenter der Krone Schweden”, deel 2 (1660-1718), pag. 218-222. B.A. Ennes, “Biografiska Minnen af Konung Carl XII:s Krigare samt Andre Embetsmän och Personer, under denna Konung tid, Fågne i Ryssland, Flygtige i Turkiet, eller Dödskjutne i Fält. Med Bilagor”, deel 1, Stockholm 1818, pag. 282 e.v. met hele lijst van (onder-)officieren.
5. Villius, pag. 63 (steunend op het relaas van een ontbijt te Rawicz van een onbekende monnik).
6. M. Stenbock, “Bref till Carl XII”, KKD 12, Lund 1918, pag. 261-262
7. Le Long, deel 3, pag. 254.
8. H.E. Uddgren, “Karolinen Adam Ludwig Lewenhaupt, Hans Krigsföring i Kurland och Litauen 1703-1708”, deel 1 (1703-1704).
9. A. von Transehe-Roseneck, “Die ritterlichen Livlandfährer des 13. Jahrhunderts”, Würzburg 1960, noemt ten onrechte als ouders Claus Wilhelm Hastfer (1626-1686) en Anna Löwenstern (1642-1723).
10. A.L. Lewenhaupt, “Berättelse”, HH 34:2, Stockholm 1952, pag. 152-153 en 171.