1.6.3. Jonge officieren II

Graaf Wolmar Johan Meijerfeldt krijgt in oktober 1731 vier maanden verlof om zijn broer in Stralsund op te zoeken. Van februari tot okto­ber 1733 reist hij voor de derde keer met verlof naar Zweden. Bij zijn terugkomst in Wenen wordt hij op 23 oktober bevorderd tot generaal-majoor  (Generalfeldwachmeister). Aan zijn wens om opnieuw te velde te worden ingedeeld wordt geen gevolg gegeven, misschien omdat hij de 60-jarige leeftijd reeds gepasseerd is. Hij overlijdt begin mei 1739 op 72-jarige leeftijd in Wenen. Op zijn sterfbed zou hij het rooms-katholieke geloof hebben aangenomen. (1)

Zweeds-Pommeren behoort bij het Koninkrijk Zweden, maar maakt ook onderdeel uit van het Duitse Rijk. Johan August sr doet er alles aan om een trouw lid te zijn, bijvoorbeeld door keizer Karel VI te steunen in zijn Pragmatieke Sanctie ten gunste van zijn dochter Maria Theresia. Zelfs als Zweden in 1733 steun geeft aan Frankrijk bij de Poolse troonopvolging, steunt hij de keizer in zijn oorlog tegen Frankrijk en dwingt hij de weigerachtige plaatselijke adel de daartoe geheven belasting te betalen. (2)

In Zweden worden de jaren dertig beheerst door de vraag naar de vernieuwing van de defensie-alliantie met Rusland. De voorstanders noemen zich de Mutsen en de tegenstanders de Hoeden. In 1735 weet de nog steeds aan de macht zijnde kanselier graaf Horn het verdrag er door te drukken. In 1739 moet hij echter het veld ruimen, als de Hoeden aan de macht komen. Maar ook zijn toenmalige medestanders ontkomen niet aan vervolging. Op 19 februari behoort graaf Meijerfeldt tot de Rijksraden tegen wie een aanklacht wordt ingediend. Hij verklaart zich onschuldig, omdat hij zich tijdens de raadsvergaderingen altijd in Pommeren had bevonden. Dit excuus kan hij niet staande houden, om­dat hij toch wel deelnam aan de beslissende stemming op 15 juli 1735. De klacht wordt niettemin tegen hem ingetrokken, hetgeen wordt toegeschreven aan zijn geringe betrokkenheid bij de voorbereiding van de beslissing. (3)

Wijs geworden kiest Johan August sr in de raadsvergadering van 6 augustus 1739 voorzichtig de zijde van de anti-Rusland-fractie. Hij ondersteunt het transport van troepen naar Finland. In juli van het jaar daarop, als de beslissing over de oorlog met Rusland valt, drukt hij zich in tamelijk ondoorgrondelijke bewoordingen uit. Per saldo wordt hij geacht de oorlogsverklaring te hebben ondersteund. (4) Hij staat niet bekend als een uitgesproken partijman, hetgeen voortvloeit uit zijn verbazingwekkend vermogen zich – als oudgediend Karolisch militair – aan te passen aan de parlementaire hervormingen. (5)

Opvoeding

Graaf Johan August Meijerfeldt sr bekommert zich in de jaren ‘30 sterk om een goede opvoeding van zijn kinderen: academisch, militair en politiek.

Carl Fredrik jr al op 10-jarige leeftijd ingeschreven als vrijwilliger bij het Stralsundse Lijfregiment van de koningin, de vrouw van Frederik I van Zweden.

Als Kanselier van de Universiteit van Greifswald ziet Johan August sr zijn kans schoon uit te kijken naar een leraar voor zijn jongste zoon. In 1738 laat hij zijn oog vallen op de broers Siegfried Cäso en Julius Gottfried von Aeminga. De eerste is jurist, maar heeft ook theologie, filologie, Frans en Italiaans gestudeerd, en is danser en schermer. Hij biedt  gezelschap aan  Johan August jr op diens tweejarige studiereis langs Stockholm (deelname aan Rijksdag), Uppsala (inschrijving bij de universiteit) en tal van provincies. Zij keren in 1740 terug naar Greifswald,  Johan August jr om zijn studie aan de Universiteit te vervolgen, Siegfried Cäso om er te promoveren. De laatste wordt met steun van de oude graaf hoogleraar in de rechtsgeleerdheid en drie keer rector. De jongere broer Julius Gottfried von Aeminga is huisleraar voor de vakken geografie, land- en staatkunde, en preekt maandelijks in Meijerfeldt’s kabinet in Stralsund (afgewisseld door de regimentspastor, terwijl Sigismund zijn wekelijkse preken in de Andreas Kirche in Nehringen houdt). Johan August jr onderhoudt met beide broers een warme vriendschap  en reikt Julius Gottfried tijdens een verrassingverblijf van enkele dagen mei 1796 een ere-onderscheiding van de Stockholmse vereniging Pro Fide et Christianismo uit.

Zijn militaire training krijgt Johan August jr bij het in Stralsund gelegerde regiment van graaf Dohna, waar hij sinds 1737 als Verkenner is aangesteld. In 1741 treedt hij toe tot het Lijfregiment, waar Carl Fredrik jr na een jaar gids te zijn geweest tot vaandrig is bevorderd. Ook in 1737 stelt de Zweedse koning Frederik Johan August jr aan als Kamerheer. In zijn militaire conduitestaat schrijft hij hoe onbelangrijk hij dat vindt: (6)

Omdat de militaire drang bij mij vanaf mijn vroegste jeugd zo sterk was, wilde ik niets van deze koninklijke gunst weten, zodat de benoemingsbrief door mijn familie werd weggestopt en ik deze niet eerder heb gezien dan toen ik veldmaarschalk was, toen ik het tussen andere familiepapieren tegenkwam, maar een benoeming tot verkenner, die ik kreeg bij het regiment van de toenmalige kolonel graaf Dohna, die in het garnizoen van Stralsund lag, werd door mij met het grootste genoegen en verantwoordelijkheid tegemoet getreden en ondernomen. Intussen was bovenvermelde kamerheerbrief toch nuttig omdat ik daardoor in 1744 onder de noemer van functieruil met een met luitenant-kolonelstitel bij de lijfgarde van de Koningin geplaatste kapitein met de naam Buggenhagen, door middel van 4.000 rijksdaalder bemiddelingsvergoeding, in diens compagnie kapitein werd.

Dit is een openhartige uitleg. Waar het overspringen van de luitenantsrang in de Zweedse geschiedenisboeken nog aan zijn bekwaamheid werd toegeschreven, onthult hij zelf dat het door geld en begunstiging kwam.

 

1. Österreichisches Staatsarchiv, Kriegsarchiv, 1739 August Nr. 929.
2. Buchholz.

3. L. Linnarsson, “Riksrådens licentiering”, Stockholm 1943, pag. 119. Malmström II, pag. 295-297.
4. Malmström II, pag. 354, 369 en 423.
5. B. Sallnäss, “Samuel Åkerhielm d.y., en statsmannabiografi”, Lund 1947, pag. 86, 91 en 112.
6. B. Steckzen, “Västerbottens Regementes Officerare till 1841”, pag. 312-317. Zie ook zijn soldatenconduitstaat in C.O. Nordensvan, “Värmlands Regementes (Närke och Värmlands Reg:tes) Historia”, pag. 156-
157.