Adlerbeth

Gudmund Jöran Adlerbeth (1751-1818), “Tal öfver Hans Excellence den Högvälborne Grefven, Herr Johan August Mejerfelt” Stockholm, druk Carl Deleen och J.G. Forsgren, 1800.

Scan van de originele afdruk in de Zweedse taal in het FamilieArchief.

Korte behandeling bij antieke boeken.

Vertaling in het Nederlands

Rede over Zijne Excellentie, de Hoogedelgeboren Graaf, Heer Johan August Mejerfelt, één van ’s Rijks Heren, Veldmaarschalk, Ridder en Commandeur in de Kon. Maj. Orde, alsmede Ridder met Grootkruis in de Kon. Zwaard-Orde. Voorgelezen terwijl Zijn Wapens Kruisten bij de Bijzetting in de Kon. Riddarholmskyrkan op 2 mei 1800.

3 Zelden is een graf geopend, zonder een traan te plengen; maar zelden onder zo algeheel overeenstemmende gemoedstoestand als vandaag. De Heer, wiens stof nu wordt begeleid naar zijn rustplaats, heeft het buitengewone vertrouwen van zijn Koning bezeten; Hij heeft zijn vaderland belangrijke diensten geleverd. De eervolle functies die hij bekleedde, de waardigheid waarmee hij zich omgaf, het zijn die verdiensten geweest voor zijn zelfbewuste oogopslag; en de glans die om Zijn persoon hing, heeft slechts de rol gehad de waarde van Zijn eigenschappen aan het licht te brengen. ‘s Konings Hoogstvertrouwde Man, één van ’s Rijks Heren, Veldmaarschalk, Ridder en Commandeur in de Kon. Maj. Orde, alsmede Ridder met Grootkruis in de Kon. Zwaard-Orde,
4 de Hoogedelgeboren Graaf, Heer Johan August Mejerfelt, is niet meer. De graaf heeft zijn aardse bestaan met zich meegenomen; maar zijn naam, de naam die niet meer gedragen zal worden, zweeft stralend over het huis van de vergankelijkheid. Op het graf van Zijne Excellentie ontsteekt de zuivere vlam van de Herinnering, die tot de komst van de nachtwereld Zijn eer zal behouden, en hen die een gelijke loopbaan zouden betreden als een trouwe gidsster zal dienen. Zwaar is de verplichting van de Redenaar bij het graf, omdat hij stap voor stap de verdiensten van deze Heer moet schilderen; licht wordt het, omdat hij weet, dat de overtuiging en gevoel van de toehoorders meer bevatten dan alles wat hij kan zeggen. Het is nu zover, dat ik het nu waag mijn stem te verheffen; en zodoende wil ik mij niet laten afschrikken door mijn beperkte geschiktheid.
5          Het Mejerfeltse geslacht heeft vanaf de tijd van Koning Karel XII een plaats tussen de Zweedse Ridderschap en Adel bezeten. De zoon van de stichter, Johan August Mejerfelt, was één van de helden, die onder aanvoering van de Alexander van het Noorden, de eer van de Zweedse vlag verbreide onder diverse naties. Van de oevers van de Oostzee en Zwarte Zee, de Elbe en de Dnjepr weerklink de aanschouwing van een ongehoorde dapperheid; en Mejerfelt droeg bij aan het verheffen van de Zweedse trofee bij de Duna, Klissow, Posen en Helsingborg, op de laatstgenoemde plaats, nadat hij zijn overweldigde Koning al van Poltava had weggeleid. Als Generaal-Majoor werd hij verhoogd in de waardigheid van baron; als Koningsraad en Gouverneur-Generaal van Pommeren, van graaf. Hij nam deel aan die voor Zweedse mannen in die tijdgeest gemeenschappelijke eer, om eerst de hoogste heldenmoed te zien
6

bekroond door overwinningen, en bovendien aan de gelijke grootheid door met standvastigheid de algehele tegenslag te dragen. Sinds een noodzakelijke en gewenste vrede met opofferingen werd gekocht, vergrijsde deze Heer in de belangrijkste functies van het Rijk, onder een nieuwe grondwet, en een nieuwe tijdgeest, en stierf op hoge leeftijd.

Uit het huwelijk van Zijn Excellentie met zijn tweede vrouw, Brita Barnekow, was deze Heer, die het tijdelijke nu verlaten heeft, de tweede zoon. Met een opvoeding, zijn geboorte waardig, bekleedde Hij vroeg de banen, waar de eer hem verwachtte. Op 12-jarige leeftijd ging hij onder de wapenen. De uitnodiging van de Koning, die hem tezelfdertijd volmacht aan het Hof gaf als Kamerheer, bekortte zijn eerste militaire dienst; en op 19-jarige leeftijd werd Hij tot kapitein bevorderd. Maar de genoegens van het Hof en het gemak van

7 de vrede vervulden niet de hartewens, die het geluk wilde verdienen en niet slechts afwachten. Europa, verstoord door oorlogen, spoorde Zijn zin om te leren strijden en overwinnen aan. De hernieuwde oorlog tussen de Koning van Pruisen en de Keizerin, Koningin van Hongarije en Bohemen, opende de mogelijkheid daartoe. Graaf Mejerfelt trad in dienst van die prinses. Slagvelden in Bohemen en Saksen, oude vechtplaatsen voor Zweedse krijgseer, en veldslagen bij Soor en Kesseldorff, die hij een jaar bezocht, waren getuigen van Zijn eerste wapendienst. Net had de vrede deze storm tot rust gebracht, of Hij ging nieuwe vaandels tegenmoet aan de oevers van de Maas en Schelde. Onder de vaandels die hij al volgde, nam hij deel tegen het Franse leger in belangrijke krijgsgebeurtenissen, en daartussen de veldslag van Rocoux, niet slechts met de moed, die
8 de eerste deugd van een soldaat is, maar met geopende ogen, die de Leider vormt en aankondigt. Bewijs daarvan was de eer die Hij had, om Adjudant-Generaal te worden bij de Commanderende Generaal Prins van Waldeck. Nadat de zege werd verloren onder de bannier waaronder hij streed, was toch de eer daarvan ondeelbaar. Zijn dapperheids geluk bleef Hem volgen, toen Hij, gevangen bij Laufeld, werd herkend en gehoogacht door de overwinnaar zelf.         De Vrede van Aken gaf een pauze in de plagen van de wereld, ook voor Graaf Mejerfelt. Maar omdat politiek en erelijst om vernieuwing vroegen, ging ook Hij het avontuur opzoeken. Een rechtschapen soldaat houdt niet van oorlog. Zijn menselijkheid vecht tegen dat onontkoombare vooroordeel; maar hij nut het toeval uit, om zijn ervaring gestalte te geven, neemt Hij deel
9 onder vreemde vanen, zonder daartoe schuldig te zijn, om de kunst te leren gebruiken voor het vaderland, zodra de nood en plicht dat vorderen. Zo zag men vaak bij de ervaren Zweedse veldheren, die Europa en de annalen vulden met hun bedrijvigheid, onder buitenlandse aanvoerders aan overwinningen wennen en in hun spoor hun weg vonden naar hun kamp, waar die ondermeer ontkiemde in het thuisland. Vanuit die eervolle startplaats, vanuit dat lichtende voorbeeld, werd Graaf Mejerfelt tot de eerste krijgsroerselen geroepen tussen Frankrijk en het geallieerde leger in de zevenjarige oorlog: en nam deel aan de volgende veldslag bij Hastenbeck. Maar de tijd, om de gewonnen inzichten voor het vaderland aan te wenden, was nakende. Zweden’s deelname in de oorlog tegen de Koning van Pruisen gaf Graaf Mejerfelt de nieuwe eer om te strijden met
10 medeburgers. Hij was in die tijd Overste in Zweedse dienst; benoemd tot Chef van het Eerste Duitse Bataljon Grenadiers, dat onze Zijn bevel een toonbeeld voor de troepen werd; nam deel aan de vijfjarige veldtocht, en daaronder de blokkade van Stralsund en de expeditie op Üsedom en Wolgast; omstandigheden deden zich, in deze enorme oorlog, genoeg voor, om dapperheid, redelijkheid, krijgskunst aan de dag te leggen, die in de onophoudelijk activiteiten tegen de vaak twijfelende vijand, bevestigde de zegen door Zijn wapens en het rijk met Zijn naam. Uiteindelijk bracht de vrede Hem tot naar Zijn geboorteplaats. Het was in de schoot van die rust, die hem verenigde met een eerzame en lieve vrouw, Gravin Lovisa Augusta Sparre;  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21 PERSONALIA

 

Het grafelijke geslacht, dat afsloot met Zaliger Zijne Excellentie één van ’s Rijks Heren, Veldmaarschalk, Ridder en Commandeur in de Kon. Maj. Orde, alsmede Ridder met Grootkruis in de Kon. Zwaard-Orde, de Hoogedelgeboren Heer Graaf Johan August Mejerfelt, is vanuit Lijfland opgekomen. De stamvader was Hinrik Mejer, Overste en Opperinspecteur in Estland, werd in 1674 geadeld en in het Zweedse Ridderhuis geïntroduceerd onder de naam Mejerfelt. Bij zijn vrouw Catarina Wulf had hij twee zonen, Johan August Mejerfelt en Wolmar Mejerfelt. De eerste, geboren 1666, werd, na dappere en langdurige krijgsverdiensten, in 1713 Koningsraad en Gouverneur-Generaal van Pommeren, verhoogd in de baronnenstand in 1705 en de grafelijk in 1714, alsmede in het Ridderhuis geïntroduceerd in 1719 under No. 59. Zijne Excellentie overleed 1749 op zijn landgoed Söfdeborg, twee mijl van Ystand gelegen. De andere zoon, Wolmar Mejerfelt, was overste in Zweedse en kolonel in Keizerlijke dienst; hij werd niettemin in de grafelijke stand ver-

22

hoogd in 1719, en onder het nummer van zijn Heer Broer geïntroduceerd in 1720, waarna hij ongehuwd overleed.

Daarentegen was bovenvermelde Zijne Excellentie Heer Rijksraad en Gouverneur-Generaal Graaf Mejerfelt tweemaal getrouwd; eerst met vrouw Anna Maria Törnflycht, een dochter van Handelsraad Olof Törnflycht, tot Nynäs en Erstavik, alsmede na haar overlijden, met vrouw Brita Barnekow, een dochter van kolonel Kell Christopher Barnekow tot Rolsvik en Vidsköfle en zijn vrouw, Gravin Margaretha von Ascheberg. Uit dat tweede huwelijk werd geboren Carl Fredrik Mejerfelt, Kamerheer en Kolonel, die in 1791 overleed; Graaf Johan August Mejerfelt, één van ’s Rijks Heren, Veldmaarschalk, Ridder en Commandeur in de Kon. Maj. Orde, alsmede Ridder met Grootkruis in de Kon. Zwaard-Orde, is de Heer wiens as hier nu tot rust komt; en Gravin Anna Catarina Mejerfelt, getrouwd met de overleden Zijne Excellentie Rijksraad, Ridder en Commandeur in de Kon. Maj. Orde, Graaf Adam Horn, en ook overleden.

Zaliger Zijne Excellentie, één van ’s Rijks Heren, onder andere, Heer Graaf Johan August

23 Mejerfelt werd in 1725 geboren, en trad in 1737 in dienst van de Koning en het Rijk, als Verkenner bij het Regiment Dohna, alsmede hetzelfde jaar benoemd tot Kamerheer. In 1744 bevorderd tot Kapitein bij het Lijfregeiment van de Koningin; 1751 tot Majoor bij het Regiment Cronhjort, in welk jaar Hij ook werd benoemd tot Ridder in de Koninklijke Zwaard Orde; 1759 tot Overste en 1762 tot Kolonel in het leger; 1766 tot Adjudant-Generaal van de Koning; 1770 tot Kolonel van het Regiment Westerbotten; 1773 tot Generaal-Majoor; 1775 werd hij benoemd tot Commandeur in de Koninklijke Zwaard Orde; bevorderd ultimo 1778 tot Luitenant-Generaal; kreeg 1779 overplaatsing tot Kolonel Chef van het Regiment Nerike en Vermeland; 1782 Grootkruis van de Koninklijke Zwaard Orde; en 1789 volmacht tot Generaal van de Infanterie, alsmede 1790 veldmaarschalk; werd hetzelfde jaar Ridder met Grootkruis in de Koninklijke Zwaard Orde; verhoogd in 1792 tot Eén van Rijks Heren, en 1797 tot Ridder in de Koninklijke Seraphimer Orde, waartoe Zijne Excellentie door de Koning werd geslagen op 29 april 1799.

De krijgsverdiensten, waarmee Zijne Excellentie zich zowel in vreemde als in vaderlandse

24 dienst zo eervol heeft onderscheiden, zijn in het kort de volgende: in 1745 maakte hij met toestemming van de Koning de Oostenrijkse veldtocht in Bohemen mee en de slag bij Soor; hetzelfde jaar: de wintercampagne in Saksen en de slag bij Kesseldorff; in 1746 de campagne in Brabant en de slag bij Rocoux; in 1747 werd Hij tot adjudant-generaal bij de Prins van Waldeck benoemd, en nam deel aan de slag bij Laufeld, waar Hij gevangen werd genomen; in 1757 voerde Hij campagne met het geallieerde leger in Westfalen en nam deel in de slag bij Hastenbeck, en werd hetzelfde jaar naar het Zweedse leger geroepen en was bij de blokkade van Stralsund; in 1758 werd hij benoemd tot Chef van het Eerste Duitse Grenadier Bataljon, waarmee hij dat jaar en de wintercampagne van het volgende jaar deed; evenals in 1759, als Kolonel en Chef van genoemd Grenadier Bataljon, nam Hij deel aan de Expeditie op Ysedom en Wollin in de campagnes van 1760, 61 en 62.

Op 24 juli 1788 werd Heer Luitenant-Generaal opgedragen met het Lijfregiment Curassiers en Dragonders, alsook de Regimenten Östgota en Vesterbotten, van de grens op te breken. De 12de augustus legde Hij die

25 Troepen in Lovisa en nam, op bevel van de Koning, over de Finse regimenten in Anjala op zich. Het Winterkwartier werd in de stad Lovisa opgeslagen. Op 10 december kreeg de Heer Luitenant-Generaal het bevel over het gehele leger, waarmee hij doorging tot 8 juni 1789, toen de Koning zelf in Borgo landde.

De 4de juli 1789 brak de Heer Luitenant-Generaal met de onder zijn bevel staande troepen op van Abborsfors, en trad de pas van Pyttis binnen, maar daar de brug vernield was, werd de mars bemoeilijkt tot de 7de, toen kwartier in Koupis-Broby werd gemaakt, waarna de 8ste in de namiddag een echte aanval tegen de vijand werd ondernomen, die Suttala eiland en dorp bezet hield en dat wilde verdedigen. De aanval was zeer hevig en duurde de hele nacht tot 8 uur de volgende morgen, toen Suttula eiland werd ingenomen en de troepen een legerplaats kregen in de stad Suttula. Om de vijand verder te forceren, werd het geschut gehaald, terwijl de grotere artillerie werd afgewacht, welke de 17de aankwam. De 18de vond, onder aanwezigheid van de Koning zelf in het kwartier, een sterke

26 aanval op de vijand plaats, die na een tot 2 uur ’s namiddags uitgehouden kanonnade begon terug te trekken en door de Heer Luitenant-Generaal werd vervolgd tot Högfors, waar de brug in brand was gestoken. Deze gewichte pas werd met slechts 2 soldaten verlies veroverd. Diezelfde dag nog werd de Heer Luitenant-Generaal door de Koning benoemd tot generaal van de infanterie. De 27ste verplaatste de Koning zijn hoofdkwartier naar Kymenegård, waardoor de Heer Generaal het bevel kreeg over de hoofdmacht van het leger, die was gelegerd in Verelä en Anjala. De Heer Generaal maakte zijn kwartier in Verelä. De 8ste augustus ging de vijand over de rivier en viel de batterij en het kamp van de Zweden aan, maar werd na een hevig vuur van 3 uur gedwongen met groot verlies terug te trekken. De 16de oktober kreeg de Heer Generaal weer het bevel over het gehele leger. De 22ste okotber verplaatste de Heer Generaal zijn Rekruteringskwartier naar Peipola; en omdat de Koning de 24ste november van Finland weg reisde, werd het hoofdkwartier naar Borgo verlegt. Op 5 mei 1790 brak de Heer Generaal weer op, om de grens en Abborfors te benaderen. De 3de juni nam Hij de Pyttis pas weer in. De 14de werd de mars voortgezet naar
27 Broby. De 25ste en 26ste juni werd de Suttula pas aangevallen en op laatstgenoemde dag geforceerd, zodat het leger Högfors introk en kwartier maakte in Kymenegård. Het verlies bij deze verovering was slechts 5 soldaten dood, alsmede een officier en 7 soldaten gewond. De 19de juli werd de Heer Generaal benoemd tot Ridder met Grootkruis in de Koninklijke Zwaardorde, en 21 augustus bevorderd tot Veldmaarschalk, terwijl het vaderland kort daarvoor naar rust terugkeerde door een gunstige vrede.

Na de met eer neergelegde wapens, legde ook de Heer Veldmaarschalk het volgende jaar 1791, met toestemming van de Koning, de functies neer die Hij tot Zijne Majesteits zichtbare gunstige genoegen bekleedde: Bracht zijn meeste nog beschikbare tijd door op het landgoed Nehringen in Pommeren. De laatste jaren woonde Zijne Excellentie in de winter echter in Stockholm, waar Zijne Excellentie, na een zware en langdurige ziekte, overleed op 21 april 1800, op een leeftijd van 75 jaar.

Zijn Excellentie ging in 1763 een spraakmakende echtverbintenis aan met zijn in zorgen nagelaten echtvrouw, Gravin Lovisa Augusta Sparre, een dochter van de President van het Krijgscollege, Opper-

28 Stadhouder van Stockholm en Commandeur in de Koninklijke Zwaard Orde, Heer Graaf Axel Wrede Sparre met zijn Gravin Augusta Törnflycht. Bij genoemde Gravin had Zijne Excellentie twee zonen: Graaf Johan August Mejerfelt en Graaf Axel Fredrik Mejerfelt. De eerste werd in 1766 geboren, was tenslotte Kapitein bij de Letse Dragonders van de Lijf- en Huistroepen van de Koning en Ridder in de Koninklijke Zwaard Orde. Hij nam deel aan de oorlog in Finland, en werd in 1790 van de vloot met een deel van de Letse Dragonders gedetacheerd naar Koivisto, aan de andere zijde van Wiborg, waarbij hij, tijdens een voorval op 8 juni, een verwonding kreeg, waarop de dood volgde op 21 mei 1791. De tweede was tenslotte Adjudant-Kolonel bij de Koning en Majoor bij het Regiment Nerike en Vermeland. Hij nam deel aan de gehele Finse oorlog; het eerste jaar, als Staf-Adjudant bij zijn Heer vader, en overleed in Örebro op 13 januari 1795.