1.7.5. Familieleven

In het jaar 1778 verkoopt Johan August Meijerfeldt het door hem verwaarloosde landgoed Sövdeborg aan Carl Gustaf Piper. Hij steekt met zijn regiment over naar Finland. In juli krijgt hij tevens het bevel over het regiment van Östergotha. Een maand later arriveren deze regimenten in de oostelijk van Helsingfors (Helsinki) gelegen plaats Lovisa (Loviisa). Daar geeft de koning Johan August opdracht het bevel over de troepen in de grensstad Anjala over te nemen. In oktober verenigen zich daar alle Zweedse regimenten onder zijn bevel, tot hij besluit het winterkwartier aan de kust in Lovisa op te slaan. Op 10 december krijgt Johan August het bevel over het gehele Zweedse leger in Finland. Een bevordering tot luitenant-generaal volgt op 27 december. Johan August waarschuwt de koning, niet voor de kracht van de tegenstander, maar voor het toenemende gemor onder de eigen troepen. Het gemene volk heeft gebrek aan kleding, voedsel en hygiëne in de winterse omstandigheden. De Zweedse koning blijkt in deze meer een toneelspeler dan een krijgsman.

Johan August III en Axel Fredrik zijn nog te jong om naar Finland mee te gaan. De eerste is in 1778 lid van de Koninklijke Lijfwacht. Op 10 augustus 1779 verlaat Johan August jr het Västerbotten regiment om commandant te worden van het in Christinehamn gelegen regi­ment van Nerike en Wermeland (Närke och Värmland). Axel Fredrik volgt zijn vader en wordt dezelfde dag benoemd tot sergeant in hetzelfde regiment. (1)  Johan August III wordt op 12 juni 1780 kornet bij het re­giment lichte dragonders. 

Na een noodoproep van inspecteur Hindrichsson op Ugerup komt Johan Gustaf Horn zijn moeder gravin Anna Catharina Meijerfeldt vanwege haar geestesziekte ophalen. Zij sterft op 30 maart 1779 op het landgoed Hornsberg bij Tryserum in de provincie Kalmar. (2) 

In 1780 dient de laatste ziekte van Louise’s moeder zich aan. Zij zou naar haar dochter hebben gesmacht en zij zagen elkaar kort voor haar dood. Uit haar laatste uren komt evenwel onbetwistbaar een indruk van isolement naar voren. Door haar overlijden krijgt Louise de be­schikking over de landgoederen Stora Sundby en Östanå. (3) Op 1 juli 1780 reist de familie net als vorige jaren voor de zomervakantie naar Stora Sundby. Kellgren zich helemaal aan de literatuur te wijden. Ene Berger volgt hem op om aan de twee jongens les te geven. Eén van de twee reist gaat naar Straatsburg om Franse les te krijgen, volgens het dagboek van Carl Axel Löwenhielm. (4)

Carl Fredrik wil vaker en met wat meer allure op Nehringen wonen. Daarom laat hij rond 1780 een nieuw landhuis bouwen. Het geld krijgt hij bij elkaar door onder andere Medrow aan zijn broer Johan August te verkopen, die het onmiddellijk verpacht aan Blasius Hagenow. Het nieuwe landhuis heeft negen traveeën, een zuilenportaal voor de drie middelste, een gestuukte bouw, een mansardedak met verdieping en hoog bovendeel. Het is een familiehuis van een zekere elegantie zonder indrukwekkende representatieve uitstraling. Het is een typisch Zweeds landhuis uit de tweede helft van de achttiende eeuw om de zomer in door te brengen: helder, naar bosbessen geurend en vriendelijk.

Op 2 september 1782 neemt Johan August deel aan de ceremonie in het Koninklijk Paleis om hem de onderscheiding Commandeur in de Zwaard Orde met Grootkruis te verlenen. Daar is zijn broer Carl Fredrik niet bij, want hij heeft niet de juiste  onderscheidingen om binnen te mogen. Hij blijft in Pommeren en steekt pas 16 september over naar Ystad om zijn broer te feliciteren. Op 16 november keert hij naar Stralsund terug en verschijnt op 24 mei 1783 opnieuw in Ystad.

In 1784 meldt Johan August zich aan als lid van de Patriottische Vereniging. Door de grote voet waarop de familie leeft zijn de financiën aanhoudend een bron tot zorg. In 1784 gaat Johan August zelfs zo ver zijn vrouw te vragen familiejuwelen te mogen verkopen. De neven Carl en Fredrik Sparre zijn hier zo boos over dat zij hem onder voogdij willen plaatsen en een echtscheiding willen aanvragen. Geen van tweeën is er van gekomen.

De dan 14-jarige graaf Axel Fredrik Meijerfeldt gaat in de winter 1783-1784 regelmatig spelen met de dan 6-jarige kroonprins, de latere koning Gustaaf IV Adolf. (5) Hij wordt in 1785 bevorderd tot luitenant in zijn regiment en volgt het leger naar Finland, waar hij onder andere dienst doet als adjudant van zijn vader en koning Gustaaf III. Axel Fredrik keert daarna terug naar het Hof, waar hij onder andere op uitnodiging van de kroonprins deelneemt aan de in zwang zijnde quadrille: in een vierhoek van vier paren voorgeschreven figuren dansen. Op 29 maart 1787 is barones Cederström zijn partner en op 30 maart Charlotta Wrangel, met wie hij na een opfrisser ook nog een menuet danst. Een jaar later  herhaalt hij het met barones Düben. (6)

Koning Gustaaf III is het middelpunt van oneindig veel toneelspel en schetsgesprekken op het Paleis of in de Opera. Van de vrouwen wordt Louise de koningin van het hofleven genoemd, ook na haar 40ste verjaardag in 1785. Gustaaf kiest haar meestal als zijn tegenspeelster in een ridderrol. Op een dag in 1786 is zij zoals gewoonlijk eerste van de 12 hofdames en zegt: (7)

Het is geen wonder dat uwe Koninklijke Hoogheid de afgod van de dichters bent, want u bent niet alleen hun beschermheer en weldoener, maar ook hun grootste en onuitputtelijke bron van enthousiasme en inspiratie”.
De koning reageert met een milde glimlach. “Oh, wat dat betreft, mijn gracieuze gravin, kunnen we gelijk oversteken. Het is onmogelijk dat u Kellgren’s prachtige mooie gedicht “Gratiernas döpelse” vergeten bent, waarvan het slot luidt:
Alltnog; jag vann hwad jag begärde,
Tog derpå Astrild uti famn.
Och for åt jorden mina färde,
Förnöjd, att under kända namn
, efter denna dag, de trenna Gratier prisa:
Augusta, Ulla och Lovisa.
Als uit één mond roepen de gravinnen Löwenhjelm, Höpken en Meijerfeldt: “Wat is Uwe Majesteit toch aardig en wat een vorstelijk geheugen.”

Roddels vallen Louise ook ten deel. Dat komt in de volgende conversatie – uit een historische roman – goed tot uiting: (8)

– “Kijk naar gravin Meijerfeldt, hoe bespottelijk zij zich opsmukt, alsof zij zich, om de boerenstand gewillig te zijn, kleedt voor een boerenbruiloft. De juwelen in haar kam zou ze gehaald hebben uit een aan haar man geschonken snuifdoos man. Foei! Die zullen wel naar tabak ruiken.”
– “Zij is de veertig gepasseerd en wil nog aanbidders voor zich zien. Het wordt hoog tijd dat ze van front verandert. Zij keert altijd haar best bewaard gebleven zijde tot de bewonderaars – in het geval er een paar zijn die in staat zijn haar te behagen – van haar vervallen bekoorlijkheid en niet alleen haar hazelhoenders. Zij gaf eergisteren een uitgelezen souper, waarschijnlijk om al haar huidige aanhangers bij elkaar te krijgen, maar het schijnen er niet veel geweest te zijn, die er aan denken om voor haar verbleekte kleuren te strijden. Ah! Ziedaar, baron Adelschöld richt enkele woorden tot haar – nou, nou! De man van de gravin is veldmaarschalk en Adelschöld is luitenant. Men beweert immers dat de gravin de adjudanten van haar man kiest.”
– “Daarom kan de veldmaarschalk zich ook altijd op knappe adjudanten beroemen, die hun dienstjaren verhullen, om hun oudere kameraden te kunnen passeren.”

Johan August III wordt op 22 april 1788 tot luitenant in zijn regiment lichte dragonders benoemd.

 

1. Krigsarkivet, 023. Generalmönsterrullor, 0/189. Nerike och Wermelands regemente 1780, folio 1-2. C.O. Nordensvan, “Värmlands Regementes (Närke och Värmlands Reg:tes) Historia”, Stockholm 1904, pag. 156-157.
2. Kyrckoarchiv Tryserum, C / 3. Död- och begravningsböcker 1747-1789, folio 484.
3. Leijonhufvud, “Carl Gustaf Tessin och hans Akerö­krets”, Stock­holm 1933., pag. 96.
4. E. Hammar, “Franskundervisningen i Sverige fram till 1807”, Uppsala 1981, pag. 125.
5. M.J. Crusenstolpe, ”Historisk Tafla af högstsalig f.d. Konung Gustaf IV Adolphs första lefnadsår”, Stockholm 1837, pag. 144 en 150.
6. Inrikes Tidningar, 29-03-1787, 05-04-1787 en 17-03-1788.
7. M.J. Crusenstolpe, “Morianen, eller Holstein-Gottorpska Huset i Sverige. Tidsbilder, tecknade på fästningen”, Stockholm 1840-1841, deel 3, pag. 119-120. In de Duitse vertaling wordt het gedicht weggelaten, in de Nederlandse zelfs de gehele passage.
8. C.A. af Kullberg, “Gustaf den tredje och hans hof”, Jönköping 1838, deel 2, pag. 31-32. Duitse vertaling C. Eichel, Leipzig 1841, pag. 107-108. Nederlandse vertaling J. W. J. Steenbergen van Goor, Amsterdam 1841, pag. 99-100.