1.6.3. Naar Konstantinopel

Het garnizoen van Riga van 4.500 man weet maar liefst acht  maanden stand te houden tegen de grote Russische overmacht. De honger en de pest zijn een veel grotere vijand en halveren de bevolking. Onder de doden bevindt zich Jakob Johan Meijerfeldt, de zoon van de in Poltava omgekomen Carl Fredrik Meijerfeldt en Anna Christina Hastfer. Hij wordt begraven in de kerk van Festen (Vestina) of van Oberpahlen. (1)

Meijerfeldt houdt als organisator van de verdediging van Lijfland vurige pleidooien bij Stenbock, maar deze is niet bereid troepen af te staan. Daardoor is er geen andere weg voor het garnizoen van Riga dan zich op 10 juli 1710 over te geven. De capitulatievoorwaarden die de tsaar aan Sherementev meegeeft zijn uiterst gunstig voor de burgerij van Riga en voor de adel van Lijfland. Uit de boeken van de door de Moskovieten belegerde stad Riga blijkt de weduwe Meijerfeldt met 7 personen in de stad te zijn. (2) Hoewel de Duits-Baltische adel de door de Zweedse koning gereduceerde landgoederen terugkrijgt en het Duitse zelfbestuur wordt hervat, steken de families van de Zweedse officieren naar Stockholm over.

Een week later bevalt Johan August’s vrouw Anna Maria Törnflycht in Stockholm van een dochter Carolina Meijerfeldt. Het kind wordt op 16 juli in de Grote of Nicolaikerk gedoopt. Carolina leeft maar enkele dagen. Zij overlijdt al op 24 juli en wordt twee dagen later opgebaard in de Nikolaikerk. Op 28 juli 1710 wordt zij in de Jakobkerk in Stockholm begraven. Hoogstwaarschijnlijk is de baby net als haar neefje Jakob Johan slachtoffer van de pestepidemie, die op dat moment ook in Zweden heerst en ondermeer aan eenderde deel van de bevolking van Stockholm het leven kost. (3)

Op 30 augustus 1710 wordt Johan August oppercommandant van Stettin (Sczeczin) en kolonel van de Stettinse landmilitie, die op orders van Karel XII naar een regiment van 1000 man infanterie moet groeien. (4)

Johan August wendt zijn steven terug naar de koning.  Per wagen gaat hij over Wenen terug naar Bender. Hij heeft een groot bedrag en veel brieven bij zich. Het bedrag ligt niet in de vorm van contante munten in de wagen, want dan had hij een legertje bewakers moeten meenemen. Het gaat om wisselbrieven, die tegen contant geld kunnen worden ingewisseld. (5) Johan August arriveert op 20 december 1710 in Bender.

Oprechte Haarlemsche Courant 20-02-1711
s-Gravenhaegsche Courant, 20 februari 1711, voorpagina

Hoewel het thuisfront onder leiding van zijn zwager graaf Horn liever een vredesverdrag met Rusland ziet, heeft Karel XII om dit bedrag gevraagd om soldij van huursoldaten te betalen, niet alleen het achterstallige maar ook het toekomstige. Deze soldaten zouden naar de wens van Karel XII samen met de Turken tegen de Moskovieten moeten vechten.

Om de grootvizier tot een dergelijk avontuur over te halen, zendt hij Johan August al op 18 januari 1711 als diplomaat door naar Konstantinopel, waar hij een week later aankomt. Daar wacht hem een vriendelijke ontvangst. Hij kan de grootvizier onthullen, dat een Zweeds leger van 30.000 man op het punt staat Polen binnen te vallen. Het gesprek resulteert in Turkse steun aan de vernietiging van het Russische imperium. Bovendien onderhandelt Meijerfeldt met diplomaten van andere Europese grootmachten. Hij heeft ondermeer een urenlang gesprek met de Engelse ambassadeur Sir Robert Sutton, die op grond daarvan aan Londen rapporteert dat een machtig gecombineerd leger naar Polen gaat optrekken, maar na een aanvankelijk akkoord om Krassow te isoleren wint de overtuiging terrein dat de machtsbalans niet in gevaar is. (6)

Op 4 februari vertrek Meijerfeldt al weer uit Konstantinopel. Hij bazuint rond dat hij terugkeert naar zijn koning in Bender. Heimelijk reist hij via Italië naar Zweden, onder andere met een brief van de koning voor zijn zuster Ulrike Eleonore, en een brief aan de Raad om hem na zes jaar eindelijk zijn loon uit te betalen. Gesuggereerd wordt dat hij dit deed omdat de keurvorst van Hannover had verordeneerd hem dood of levend gevangen te nemen. (7)  Bij zijn aankomst in Zweden begin juli 1711 blijkt ook dat het pakketje papieren van de koning zijn benoeming per 4 juli tot vice-gouverneur van Pommeren inhoudt, naast de oude gouverneur-generaal Mellin. Op 12 oktober van dat jaar wordt hij generaal van de infanterie, hoewel zijn militie nog maar op halve sterkte is.

Inmiddels was de Derde Turks-Russische Oorlog ontbrand, die 8 juli 1711 eindigt in een zware nederlaag voor tsaar Peter de Grote bij Proet. Hij is bereid Lijfland aan Zweden terug te geven en Karel XII naar Zweden te laten terugkeren. Zeer tot diens ongenoegen dwingt het grootvizier de tsaar niet tot overgave en  eist alleen eerder prijsgegeven Turks territorium terug.  De Zweedse koning is hierover zo boos dat hij zich de Turkse gram op het lijf haalt, het bondgenootschap wordt beëindigd en hij zelf op gewelddadige wijze gevangen wordt gezet in Demotika.

 

1. Latvijas Valsts Vestures Arhivs, Bestand 4011: Perso­nen in Riga und im Balti­cum, Register II, Akte 3752. [DL; CH/236c]
2. C. Schirren, “Die recesse der livländischen Landtage 1681-1711”, Dorpat 1865, pag. 305. Fr. OberstL v. Meierfelt duidt op Anna Catharina Meijerfeldt-Wolff en niet Anna Christina Meijerfeldt-Hastfer, maar zij kan tot de 7 personen behoren.
3. Nikolaj eller Stor försammling Stockholm, Födelse och dopböcker 1705-1717, fo. 132.
4. De benoeming tot luitenant-generaal was volgens Elgenstierna ook op 30 augustus 1710, maar Stille geeft hem vóót de veldtocht in 1709 al deze rang.
5. S. Agrell, “Andre legationspredikanten vid Svenska beskickning i Konstantinopel Sven Agrells Dagbok 1707-1713”, KKD deel 5, Lund 1909, pag. 120.
6. H. Villius, “Ogenvitten Karl XII”, Stockholm 1960, pag. 148-149. E. Carlson, “Die eigenhändige briefe König Karls XII.”, Berlin 1894, pag. 108 en 112. J.A. Nordberg, “Konung Carl den XII: tes historia”, Stockholm 1740, deel 2, pag. 471. E. Tengberg, “Från Poltava till Bender, en studie i Karl XII:s Turkiska Politik 1709-1713″, Lund 1953, pag. 106 noot 35. C. Coroban, “British reactions to Charles XII’s stay in the Ottoman Empire”, 2011, pag. 45-46.
7. S. Agrell, ibidem, pag. 206. De uitgever van dit dagboek tekent hierbij aan dat deze suggestie onjuist is, omdat Hannover niet in een openlijk conflict met Zweden stond.