1.5.1. Van Bender naar Stockholm

Meijerfeldt stelt een bont gezelschap samen voor zijn reis naar Stockholm. Tot de deelnemers behoren zijn adjudant Schultz, de secretarissen Löwenheim, Holm, Würzberg en zijn eigen secretaris, de Koninklijke gardisten Wallrave, Oxhufvud en kapitein Bennet, ritmeester Arnhiel, de dragonders kapitein Frahser en kapitein Peterson, de infanteristen kapitein Piper en officier Gerten, hofkapelaan Rydell en een bediende. De superintendent Krmann met 2 begeleiders en  Bardili zijn er ook bij. De laatste twee deelnemers houden een reisverslag bij, hoewel ook Meijerfeldt als auteur wordt gezien. (1) Ieder rijdt te paard met de bagage achterop. Tot en met de Hongaarse grens is er een escorte van een Turkse aga, diens Joodse tolk en 22 Moldaviërs.

Met de nodige paspoorten van het Ottomaanse hof en de Zweedse koning begeeft Johan August zich op 10 augustus op weg. De aga haalt onderweg voedsel en verse paarden (al dan niet met geweld) uit de dorpen.  De eerste nacht overnachten ze in een dorp waar de huizen zo armelijk zijn, dat ze liever onder de open hemel in het gras liggen. In een dal rusten ze uit in een huis dat door en voor reizigers gebouwd is. Na een tweede nacht in het gras komen ze de derde middag bij de rivier de Prut aan (tegenwoordig de grens tussen Moldavië en Roemenië). Daar moeten ze op een schipper wachten en krijgen vanwege de steile helling en het kleine schip met moeite de paarden aan boord. Ze kunnen in het bos bijkomen van de verzengende hitte en komen na een uur aan in de buurt van Jassy (Iaşi).

Nadat de paspoorten in orde zijn bevonden overnacht het konvooi in Jassy. Voor de verdere reis krijgt het vier Walachijse begeleiders mee. De reis heet gevaarlijk te zijn, maar er is geen dorp of reiziger te bekennen. De volgende nacht slapen de leden van de groep in een herberg, maar hebben geen goed gevoel de paarden op de deel te moeten laten. Die volgende middag waadt het konvooi door de Moldovarivier en komt die avond aan in het door een Griekse gemeenschap bewoonde dorp Herlow (Hârlāu). De volgende dag gaat het noordwaarts naar de stad Soczowa (Suceava). Het konvooi ziet het onogelijke stadje op een bergliggen en besluit bij de Moldovarivier te blijven. Voordat de oversteek plaatsvindt worden de vier Walachijse begeleiders afgelost. Bij een oude molen wordt laat in de avond een kampvuur gemaakt om te drogen van de regen die voor het eerst gevallen is.  Zodra de zon de volgende morgen schijnt breekt de groep op en doorwaadt de rivier negen keer.  In het stadje Compulon (Câmpulung Modovensc) volgt een beraad over de verder te vervolgen weg.

De gemakkelijkste weg loopt haaks op het Karpaten-gebergte naar Bistrice (Bistriţa) in Zevenburgen, maar dat ligt in het door de Oostenrijkers beheerste deel van Hongarije. Gezien de gespannen verhouding met de Duitse Keizer ziet Johan August af van de moeite een doorreispas aan te vragen. Daardoor moet hij over de lengte van het Transsylvanische gebergte trekken, in het gebied dat door de opstandige Hongaarse vorst Rákóczi wordt beheerst. Meijerfeldt hoort dat er vóór hem uit een andere groep Zweden rijdt die nog wel in te halen is, maar hij zal hen niet vinden. Behalve de aga en de tolk wordt hier een nieuwe begeleidingsgroep samengesteld en worden zieke voor gezonde paarden gewisseld (ook omdat een zigeuner-smid niet te vinden is).

De groep trekt het smaller wordende Moldavadal in en steekt de rivier die dag tien keer over. In de avond wordt overnacht in een herberg bij de laatste Moldavische huizen, waar de weg zich splitst naar Zevenburgen en Hongarije. De volgende dag steekt de groep de Moldovarivier nog vier keer over en trekt dan  linksaf de bergkam op, twee volle dagen lang niet zonder levensgevaar door een onherbergzame wildernis. Daar passeren de eerste Hongaarse handelsreizigers. De groep pauzeert in een verlaten hut, waar herders de hele zomer van de melk en kaas van hun schapen leven. Enkele vermoedelijke rovers schieten op een andere berg snel weg; de groep is beducht op een aanval van een grotere groep, maar deze komt niet. Zware bergketens en regenval komen wel, die er toe leiden dat de groepsleden op de glibberige wegen van hun paard moeten stappen. Begin van de nacht wordt in een dicht dennenbos halt gehouden. De kou en regen houden hen uit de slaap, ondanks een kampvuur en provisorische zeilen. Na nog een vochtige dag en een zware steile klim naar beneden zit het moeilijkste deel er op.

In het dal wordt een beekje gevolgd, dat uitgroeit tot de rivier de Iza en wel 40 keer wordt overgestoken. Na drie uur rijden komt de groep aan in Marmaros, het eerste bewoonde gebied na Compulon. Kort geleden was dit gebied van Hongarije naar Zevenburgen overgegaan (en tot op de dag van vandaag bij Roemenië gebleven). Tot dan toe heeft de reis 10 dagen geduurd en gemiddeld twee paarden per persoon gekost. Hier kan het gezelschap Latijn spreken met de plaatselijke edelen. Het Turkse konvooi keert met beloning terug naar Moldavië en de plaatselijke leider geeft een nieuw konvooi mee. De Zweden merken op dat de rebellen gewoon vriendelijke en zelfs Evangelisch-Lutherse mensen zijn.

Na een dag rust zet het gezelschap de reis op 21 augustus voort. Na het dorp Targumen moeten de leden de rivier de Iza maar liefst 80 keer oversteken. Na 10 uur ploeteren in het dal horen tot hun verbijstering, dat het dal hemelsbreed slechts 3 mijl bedraagt. Later horen zij dat de Hongaarse mijlen veel langer zijn dan de Russische, Roemeense en Duitse. Zij genieten van hun eerste normale maaltijd met wit brood en Hongaarse wijn in plaats van water. Zij krijgen een goede slaapplaats en vragen gezien hun recente ervaringen niet om een paleis. De volgende dag bereiken ze de opstandelingenstad Sigeth (Sighetu Marmatiei).

Met veel eer wordt Meijerfeldt door de commandant Franz Darvay binnengehaald. Darvay ziet dat de Zweedse generaal aan zijn voet verwond is en concludeert – ook door diens galante en vrijgevige optreden – dat hij met Karel XII zelf te maken heeft. Deze indruk wordt nog eens versterkt, als de baron op werkelijk koninklijke wijze zijn met de beeltenis van Karel XII en diamanten ingelegde zware gouden ring van zijn vinger trekt en hem aan de gastvrouw schenkt als dank voor de feestelijke ontvangst. Tijdens de festiviteiten komt het bericht, dat de Keizerlijke troepen vanuit Zevenburgen naar het noorden oprukken en reeds Nagybányi, een stad op nog geen mijl afstand, plunderen. Het is niet uitgesloten dat kolonel Wolmar Meijerfeldt deze troepen aanvoert. De bezoekers vertrekken overhaast, krijgen een convooi mee bij het oversteken van de Tisza en verder tot aan de grensburcht Hust. De tocht gaat verder met overnachtingen in Salisch (Salicz), waar de reguliere posterijen beginnen, en Bene.

In de loop van 26 augustus arriveren zij in het hoofdkwartier van vorst Rákóczi in de stad Monkatsch (Munkácz, Mukacevo). De vorst had per koerier al van hun komst vernomen. Meijerfeldt krijgt nog diezelfde middag audiëntie. In het gesprek krijgt hij een gunstige indruk van Johan August en later noemt hij hem een zeer wijze, bekwame man. De rest van de delegatie krijgt laat die avond toestemming de stad binnen te rijden. De volgende dag is een feestdag, waardoor gewacht moet worden op het verkrijgen van passen voor het volgende deel van de tocht. Die dag arriveert ook een Moskovische gezant uit Polen, waardoor de delegatie zich verborgen moet houden. Rákóczi’s gezant aan het Russische Hof schrijft per omgaande het volgende bericht: (2)

Heute kam hier der schwedischen General Mejerfelt an, dessen Fuß an zwei Stellen gebrochen ist. Infolge dieser Verletzung hinkt er und wird auch von manchen Personen fiir den schwedischen Konig gehalten. Er reist nur durch, um zwecks Genesung ein Heil-bad aufausuchen und wird auch seinem Wünsche gemäß durchgelassen. Ihr könnt den Zaren versichern, daß Wir jedoch Acht darauf haben werden, daß die Durchreisendcn nichts zum Schaden S:r Majestät unternehmen konnen.

Uit dit bericht blijkt de moeilijke diplomatieke positie van vorst Rákóczi. Voor zijn strijd tegen de Oostenrijkers heeft hij militaire steun van de tsaar verkregen, maar anderzijds ontvangt hij financiële steun van de Fransen. Hij beschouwt Karel XII na Poltava als een ‘dood man’ (3), maar aangezien Zweden juist met Turkije en Frankrijk een verbond op poten zet, zal een belemmering van de Zweedse doortocht hem duur komen te staan. Het wordt hem wel erg moeilijk gemaakt, als generaal Meijerfeldt hem ook nog verzoekt een veilige doortocht van Karel XII zonder troepen naar Polen te garanderen. Rákóczi antwoordt in bevestigende zin, op voorwaarde dat de Zweedse koning zijn alliantie met Tur­kije verwisselt voor een vredesakkoord met Peter de Grote. Karel XII zou later de gezant, die hem dit voorstel kwam doen, weigeren te ontvangen. Anderzijds zou de tsaar verbolgen zijn geweest over de aan Johan August verleende vrije doortocht.

image

Prins Frans Rákóczi II

Nadat hij vier dagen heeft moeten wachten om van de Hongaarse rebellen de nodige passen te krijgen vervolgt de Zweedse generaal met een nieuwe escorte zijn weg noordwestwaarts over de flanken van de Slowaakse Karpaten, waar hij door zowel adel als volk vriendelijk wordt onthaald. Gezien de nabijheid van Keizerlijke troepen moet hij in het gebergte blijven, de eerste middag over de Latorzarivier naar Seredine en de volgende dag via Ungwar (Uzhorod), Reigmitier en Wranau naar Eperies, waar hij twee dagen lang door twee daar wonende ministers van Rákóczy uitgebreid ontvangen wordt. Dan gaat het verder via Zelin en Leutschau naar Késmárk (Kezmarok), waar de invloedssfeer van Rákóczi eindigt.

Bij de keizerlijke grenspost een mijl verderop vraagt Meijerfeldt een reispas aan. Hij raakt verstrikt in de bureaucratie, omdat de aanvraag naar het Hof in Wenen wordt toegezonden. Meijerfeldt besluit de reis verder heimelijk voort te zetten en splitst het gezelschap in enkele groepjes, die langs verschillende wegen het vaderland moeten zien te bereiken. Een deel van de groep blijft nog een maand in Késmárk, anderen raken aan lager wal. Sommigen zouden bij spel en drank zijn doodgeslagen, anderen zouden op weldaden van de bevolking zijn aangewezen.

Johan August vervolgt de ingeslagen koers door het gebergte via St. Pieter, St. Nicolas Deplo en Rosenberg. Hij moet zijn paarden voor levensonderhoud verkopen en koopt vanwege aanhoudende stropers langs de weg vlotten om de Waagrivier af te gaan voorbij Sufau tot Budiczin. Hij vervolgt over land zijn reis via Neustättel en verlaat bij de schans Jablunka uiteindelijk Hongaars grondgebied en reist naar Teschen (Tésin) in Silezië.

Op 30 september arriveert Johan August in Berlijn, waar hem de eer van een audiëntie bij de Pruisische koning Frederik I te beurt valt. Door heel Europa was een hardnekkig gerucht gegaan dat de Zweden door de Russen verslagen waren en dat Karel XII daarbij de dood had gevonden. Onderweg had Meijerfeldt verteld dat het eerste juist en het tweede onjuist was. Hij slaagt er niet in de koning er van te overtuigen dat Karel XII nog in leven is. Als hij nog in leven is, waarom blijft Karel XII dan in Bender hangen terwijl zijn buurlanden weer oorlog tegen hem voeren? Dat zo’n zware reis ondenkbaar is vanwege zijn zware voetblessure en de besprekingen met de Turken (en de Fransen) over een verbond gaan er bij hem niet in.

Een heel ander welkom valt hem ten deel bij zijn aankomst in Stockholm op 26 oktober. De bevolking van de stad stroomt samen, om in donker stilzwijgen het eerste authentieke verslag van de nederlaag aan te horen. Toch weet hij ook enthousiasme aan te wakkeren voor nieuwe strijd. Hij is het gesprek van de dag: “Jamais Homme reçut plus de Visites“. (4)

 

1. J.W. Bardili, “Schwedische Reiβ-Beschreibung von Pultawa nach Bender / Und durch die Wallachay und Moldau nach Teutschland”, Stralsund 1715, pag. 71-99, tot Teschen in Silezië. A. Ballagi, “Zur Geschichte der Heimkehr Karls XII. und des Schwedischen Heeres durch Ungarn” is in het Duits vertaald door Edm. Beck, Lund 1932, KFÅ 1931, 172-239 en 1934, pag. 144-187. Le Long IV, pag. 648-657. 
2. Ballagi, pag. 48 e.v. (op cit. Archivum Rakoczianum II 537).
3. Tengberg (1953), pag. 48.
4. Citaat bij Nordberg II, pag. 332. Carlson (1894), pag. 95. O. Haintz, “König Karl XII. Von Schweden”, Berlijn 1958, deel II, pag. 48, noot 1