1.5.9. Over de Karpaten

Op 10 augustus 1709 vertrekt Meijerfeldt met zijn konvooi van ruim 40 mensen uit het Zweedse kamp bij Bender. Hij reist in noordwestelijke richting langs de Dnjestr. Voor de eerste overnachting komen hij bij een zo armelijk dorp, dat hij liever onder de open hemel in het gras ligt. De volgende dag laat hij de groep in een dal uitrusten in een huis dat door en voor reizigers gebouwd is. Na een tweede nacht in het gras komen ze de derde middag bij de rivier de Prut aan (tegenwoordig de grens tussen Roemenië en Moldavië). Na 25 uur hebben ze 25 mijl afgelegd.

De aga wordt met de brieven en passen vooruit gestuurd om toestemming voor de doortocht te verkrijgen van de vorst van Moldavië, wojwod Rakowitza. Het konvooi wacht op een schipper en krijgt vanwege de steile helling en het kleine schip met moeite de paarden aan boord. De reizigers kunnen in het bos bijkomen van de verzengende hitte en komen na een uur aan in de buurt van Jassy (Iaşi). De aga komt terug met de melding dat de passen in orde zijn bevonden. Hij heeft als welkomstgeschenk wijn en levensmiddelen meegekregen. Het gezelschap overnacht in de stad.

Voor de verdere reis krijgt het konvooi vier Walachijse begeleiders mee. De reis heet gevaarlijk te zijn, maar er is geen dorp of reiziger te bekennen. Het konvooi verlaat Jassy de volgende dag op 13 augustus. Die nacht slapen de leden van de groep in een herberg, maar hebben er geen goed gevoel bij de paarden op de deel te moeten laten. De volgende middag waadt het konvooi door de Moldovarivier en komt die avond aan in het door een Griekse gemeenschap bewoonde dorp Herlow (Hârlāu). De volgende dag gaat het noordwaarts naar de stad Soczowa (Suceava). Het konvooi ziet het onogelijke stadje op een berg liggen en besluit bij de Moldovarivier te blijven. Voordat de oversteek plaatsvindt worden de vier Walachijse begeleiders afgelost. Bij een oude molen wordt laat in de avond een kampvuur gemaakt om te drogen van de regen die voor het eerst gevallen is.  Zodra de zon de volgende morgen schijnt breekt de groep op en doorwaadt de rivier negen keer. In het stadje Compulon (Câmpulung Modovensc) volgt een beraad over de verder te vervolgen weg.

De gemakkelijkste weg loopt haaks op het Karpaten-gebergte naar Bistrice (Bistriţa) in Zevenburgen, maar dat ligt in het door de Oostenrijkers beheerste deel van Hongarije. Gezien de gespannen verhouding met de Duitse Keizer ziet Johan August af van de moeite een doorreispas aan te vragen of het risico te lopen opnieuw in gevangenschap van een keizer te raken. Mede omdat Karel XII steun van de opstandige Hongaarse vorst Rákóczi wil zien te krijgen, besluit hij over de zeer moeilijk begaanbare lengte van het Transsylvanische gebergte te trekken. Enkele kleine vrachtkarren moeten van de hand worden gedaan. Meijerfeldt hoort dat er vóór hem uit een andere groep Zweden rijdt die nog wel in te halen is, maar hij zal hen niet vinden. Behalve de aga en de tolk wordt hier een nieuwe begeleidingsgroep samengesteld en worden zieke voor gezonde paarden gewisseld (ook omdat een zigeuner-smid niet te vinden is).

De groep trekt het smaller wordende Moldavadal in en steekt de rivier die dag tien keer over. In de avond wordt overnacht in een herberg bij de laatste Moldavische huizen, waar de weg zich splitst naar Zevenburgen en Hongarije. De volgende dag steekt de groep de Moldovarivier nog vier keer over en trekt dan  linksaf de bergkam op, twee volle dagen lang niet zonder levensgevaar door een onherbergzame wildernis. Vanwege de steile hellingen draaien de paarden soms om hun as. Het konvooi passeert de eerste Hongaarse handelsreizigers en pauzeert in een verlaten hut, waar herders de hele zomer van de melk en kaas van hun schapen leven. Enkele vermoedelijke rovers schieten op een andere berg snel weg; de groep is beducht op een aanval van een grotere groep, maar deze komt niet. Zware bergketens en regenval komen wel, die er toe leiden dat de groepsleden op de glibberige wegen van hun paard moeten stappen. Begin van de nacht wordt in een dicht dennenbos halt gehouden. De kou en regen houden hen uit de slaap, ondanks een kampvuur en provisorische zeilen. Na nog een vochtige dag en een zware steile klim naar beneden zit het moeilijkste deel er op.

In het dal wordt een beekje gevolgd, dat uitgroeit tot de rivier de Visó en wel 40 keer wordt overgestoken. Na drie uur rijden komt de groep aan in Mármaros, het eerste bewoonde gebied na Compulon. Kort geleden was dit gebied van Hongarije naar Zevenburgen overgegaan (en tot op de dag van vandaag bij Roemenië gebleven). Tot dan toe heeft de reis 10 dagen geduurd en gemiddeld twee paarden per persoon gekost. Hier kan het gezelschap Latijn spreken met de plaatselijke edelen. Het Turkse konvooi keert met stevige beloningen van Meijerfeldt (goudstukken, horloges) terug naar Moldavië en de plaatselijke leider geeft een nieuw konvooi mee. De Zweden merken op dat de rebellen gewoon vriendelijke en zelfs Evangelisch-Lutherse mensen zijn.

De groep houdt een dag rust in enkele arme maar droge huizen in Borsa en zet de reis op 21 augustus voort. Na het dorp Targumen komt de groep bij Moiszin uit bij de rivier Iza, die maar liefst 80 keer wordt overgestoken. Na 10 uur ploeteren in het dal horen ze tot hun verbijstering, dat het dal hemelsbreed slechts 3 mijl bedraagt. Later horen zij dat een Hongaarse mijl 11,3 kilometer bedraagt, veel langer dan de Russische, Roemeense en Duitse. Zij krijgen een goede slaapplaats en vragen gezien hun recente ervaringen niet om een paleis. Zij genieten van hun eerste normale maaltijd met wit brood en Hongaarse wijn in plaats van water. De betere bereiding van het voedsel en de gezondere lucht bevrijden Krman tot buitengewone verbazing van Meijerfeldt van zijn dysenterie. De volgende dag bereiken ze de opstandelingenstad Sigeth (Sighetu Marmatiei). (1)

Met veel eer wordt Meijerfeldt door de vice-gouverneur (ViceGespan) van het graafschap Máramaros Franz Darvay binnengehaald. Met zijn wagen neemt Darvay Meijerfeldt mee naar Técsö, steekt de Tisza over en rijdt naar zijn bezitting Vajnág. Daar wordt een groot feestmaal aangericht, met veel verdreven adel uit Zevenburgen. Darvay ziet dat de Zweedse generaal aan zijn voet verwond is en concludeert – ook door diens galante en vrijgevige optreden – dat hij met Karel XII zelf te maken heeft. Deze indruk wordt nog eens versterkt, als de baron op werkelijk koninklijke wijze zijn met de beeltenis van Karel XII en diamanten ingelegde zware gouden ring van zijn vinger trekt en hem aan gastvrouw Darvay schenkt als dank voor de feestelijke ontvangst.

Tijdens de festiviteiten komt het bericht, dat de Keizerlijke troepen vanuit Zevenburgen naar het noorden oprukken en reeds Nagybányi, een stad op nog geen mijl afstand, plunderen. Het zou toevallig zijn, maar het is niet uit te sluiten dat de jongere broer van Johan August, kolonel Wolmar Johan Meijerfeldt, deze troepen aanvoert. De bezoekers vertrekken overhaast, krijgen een convooi mee bij het oversteken van de Tisza en verder tot aan de grensburcht Hust. De tocht gaat verder naar Királyhaza en Nagy-Szöllös (Vinograd), waar de reguliere posterijen beginnen, en Bene.

In de loop van 26 augustus arriveren zij in het hoofdkwartier van vorst Rákóczi in de stad Monkatsch (Munkácz, Mukacevo). De vorst had per koerier al van hun komst vernomen. Meijerfeldt krijgt nog diezelfde middag audiëntie. In het gesprek krijgt hij een gunstige indruk van Johan August en later noemt hij hem een zeer wijze, bekwame man. De rest van de delegatie krijgt laat die avond toestemming de stad binnen te rijden. De volgende dag is een feestdag, waardoor gewacht moet worden op het verkrijgen van passen voor het volgende deel van de tocht. Die dag arriveert ook een Moskovische gezant uit Polen, waardoor de delegatie zich verborgen moet houden. Rákóczi’s schrijft per omgaande een bericht aan zijn gezant aan het Russische Hof: (2)

Heute kam hier der schwedischen General Mejerfelt an, dessen Fuß an zwei Stellen gebrochen ist. Infolge dieser Verletzung hinkt er und wird auch von manchen Personen fiir den schwedischen Konig gehalten. Er reist nur durch, um zwecks Genesung ein Heil-bad aufausuchen und wird auch seinem Wünsche gemäß durchgelassen. Ihr könnt den Zaren versichern, daß Wir jedoch Acht darauf haben werden, daß die Durchreisendcn nichts zum Schaden S:r Majestät unternehmen konnen.

Uit dit bericht blijkt de moeilijke diplomatieke positie van vorst Rákóczi. Voor zijn strijd tegen de Oostenrijkers heeft hij militaire steun van de Russen verkregen, maar anderzijds ontvangt hij financiële steun van de Fransen, die de Zweden steunen. Hij beschouwt Karel XII na Poltava als een ‘dood man’ (3), maar aangezien Zweden juist met Turkije en Frankrijk een verbond op poten zet, zal een belemmering van de Zweedse doortocht hem duur komen te staan. Het wordt hem wel erg moeilijk gemaakt, als generaal Meijerfeldt hem ook nog verzoekt een veilige doortocht van Karel XII zonder troepen naar Polen te garanderen. Rákóczi antwoordt in bevestigende zin, op voorwaarde dat de Zweedse koning zijn alliantie met Tur­kije verwisselt voor een vredesakkoord met Peter de Grote. Karel XII zou later de gezant, die hem dit voorstel kwam doen, weigeren te ontvangen. Anderzijds zou de tsaar verbolgen zijn geweest over de aan Johan August verleende vrije doortocht.

imagePrins Frans Rákóczi II

Nadat hij vier dagen heeft moeten wachten om van de Hongaarse rebellen de nodige passen te krijgen vervolgt de Zweedse generaal met een nieuwe escorte zijn weg noordwestwaarts over de flanken van de Slowaakse Karpaten, waar hij door zowel adel als volk vriendelijk wordt onthaald. Gezien de nabijheid van Keizerlijke troepen moet hij in het gebergte blijven, de eerste middag over de Latoricarivier naar Seredine (Szerednye) en de volgende dag via Ungvár (Uzhgorod), Neigmitier (Mihály) en Wranau (Varannó). Hier sluit zich een uit gevangenschap vrijgelaten Zweedse officier Schultze bij hen aan. Na een tocht over een lastig gebergte bereiken zij Eperies (Presov), waar Meijerfeldt twee dagen lang door twee daar wonende ministers van Rákóczy uitgebreid ontvangen wordt. Nadat opnieuw van het aanvragen van een Keizerlijke pas wordt afgezien gaat de omweg verder via Zeben of Zelin (Sabiniv) en Leutschau (Löcse, Levoca)) naar Késmárk (Kezmarok), waar de invloedssfeer van Rákóczi eindigt.

Bij de keizerlijke grenspost een mijl verderop vraagt Meijerfeldt een reispas aan. Hij raakt verstrikt in de bureaucratie, omdat de aanvraag naar het Hof in Wenen wordt toegezonden. Meijerfeldt besluit de reis verder heimelijk voort te zetten en splitst het gezelschap in enkele groepjes, die langs verschillende wegen het vaderland moeten zien te bereiken. Een deel van de groep blijft nog een maand in Késmárk, anderen raken aan lager wal. Sommigen zouden bij spel en drank zijn doodgeslagen, anderen zouden op weldaden van de bevolking zijn aangewezen.

Johan August vervolgt de ingeslagen koers door het gebergte via St. Peter, St. Nicolas, Topla (Deplo) en Rosenberg (Ruzomberok). Hij moet zijn paarden voor levensonderhoud verkopen en koopt vanwege aanhoudende stropers langs de weg vlotten om de Waagrivier af te gaan voorbij Susan (Sucany) tot Budiczin. Hij vervolgt over land zijn reis via Neustättel (Novi Masto) en verlaat bij de Jablunka pas uiteindelijk Hongaars grondgebied en reist naar Teschen (Tésin) in Silezië.

Op 30 september arriveert Johan August in Berlijn, waar hem de eer van een audiëntie bij de Pruisische koning Frederik I te beurt valt. Door heel Europa was een hardnekkig gerucht gegaan dat de Zweden door de Russen verslagen waren en dat Karel XII daarbij de dood had gevonden. Onderweg had Meijerfeldt verteld dat het eerste juist en het tweede onjuist was. Hij slaagt er niet in de koning er van te overtuigen dat Karel XII nog in leven is. Als hij nog in leven is, waarom blijft Karel XII dan in Bender hangen terwijl zijn buurlanden weer oorlog tegen hem voeren? Dat zo’n zware reis ondenkbaar is vanwege zijn zware voetblessure en de besprekingen met de Turken (en de Fransen) over een verbond gaan er bij hem niet in.

Een heel ander welkom valt hem ten deel bij zijn aankomst in Stockholm op 26 oktober. Om te beginnen ziet hij eindelijk zijn vrouw Anna Maria Törnflycht terug en niet lang daarna kan haar zwangerschap bekend worden gemaakt. Haar zuster Christina zal minder blij zijn als zij hoort dat haar man Carl Piper gevangen zit in Moskou. Uit zijn brieven zal haar liefde voor haar zwager sterk bekoelen. De bevolking van de stad stroomt samen, om in donker stilzwijgen een authentiek verslag van de nederlaag aan te horen. Voor het eerst bestaat zekerheid dat koning Karel XII nog leeft, getuige het verslag van Meijerfeldt en de authentieke brieven die hij meeneemt. Ook weet hij enig enthousiasme aan te wakkeren voor nieuwe strijd. Hij is het gesprek van de dag: “Jamais Homme reçut plus de Visites“. (4)

 


1. A. Babos, Tracing a Sacred Building Tradition. Wooden Churches, Carpenters and Founders in Maramureş until the turn of the 18th Century”, Lund 2004, pag. 33.
2. A. Ballagi, “XII. Károly és a svédek átvonulása Magyarországon 1709-1715”, Budapest 1922, pag. 48 e.v. (op cit. Archivum Rakoczianum II 537).
3. E. Tengberg, “Från Poltava till Bender, en studie i Karl XII:s Turkiska Politik 1709-1713″, Lund 1953, pag. 48.
4. J.A. Nordberg, “Konung Carl den XII: tes historia”, Stockholm 1740, deel 2, pag. 332. E. Carlson, “Koning Karl XII:s egenhändiga bref”, Stockholm 1893, pag. 96, noot 1. O. Haintz, “König Karl XII. von Schweden”, Berlijn 1958, deel 2, pag. 48, noot 1.