1.5.1. Van de Zwarte Zee naar Stockholm

Met het doel voor ogen de Zweedse suprematie in Noord-Oost-Europa te herstellen krijgt Johan August een bijzonder belangrijke opdracht. De koning draagt hem op naar Zweden te reizen met mondelinge en schriftelijke bevelen. De reis is voor hem aangenaam, omdat de zuidelijke streken slecht voor zijn gezondheid zijn. (1) Daarbij komt dat zijn bagage vanuit het Moskovische kamp via Kiev en Polen naar Pruisen was gestuurd. Hij heeft nog wel getracht zijn goederen te achterhalen, echter tevergeefs, want in Polen waren ze geplunderd.

Tot het reisgezelschap van Meijerfeldt behoren zijn adjudant Schultz, de secretarissen Löwenheim, Holm, Würzberg en zijn eigen secretaris, de Koninklijke gardisten Wallrave, Oxhufvud en kapitein Bennet, ritmeester Arnhiel, de dragonders kapitein Frahser en kapitein Peterson, de infanteristen kapitein Piper en officier Gerten, hofkapelaan Rydell en een bediende. De superintendent Krmann met 2 begeleiders en de Türingse geleerde Bardilli zijn er ook bij. De laatste twee deelnemers houden een reisverslag bij, hoewel ook Meijerfeldt als auteur wordt gezien. (2) Ieder rijdt te paard met de bagage achterop. Tot en met de Hongaarse grens is er een escorte van een Turkse aga, een Joodse tolk en 22 Moldaviërs.

Met de nodige paspoorten van het Ottomaanse hof begeeft Johan August zich op 10 augustus op weg. De aga haalt onderweg voedsel en verse paarden (al dan niet met geweld) uit de dorpen. Zij passeren al snel de rivier de Prut (tegenwoordig de grens tussen Moldavië en Roemenië) en komen aan in Jassy (Iaşi). Nadat hun paspoorten in orde zijn bevonden krijgen zij 4 Walachijse begeleiders mee. Zij steken de Moldovarivier over en zwenken naar de noordelijke stad Soczowa (Suceava). De volgende dag steken zij die rivier nog 9 keer over en komen aan in Campulung, eerder een dorp dan een stad.

De gemakkelijkste weg loopt dwars over het Karpaten-gebergte naar Bistriţa in Zevenburgen, maar dat ligt in het door de Oostenrijkers beheerste deel van Hongarije. Gezien de gespannen verhouding met de Duitse Keizer ziet Johan August af van de moeite een doorreispas aan te vragen. Daardoor moet hij over de lengte van het Transsylvanische gebergte trekken, in het gebied dat door de opstandige Hongaarse vorst Rákóczi wordt beheerst. Meijerfeldt hoort dat er vóór hem uit een andere groep Zweden rijdt die nog wel in te halen is, maar hij zal hen niet vinden. Behalve de aga en de tolk wordt hier een nieuwe begeleidingsgroep samengesteld en worden zieke voor gezonde paarden gewisseld.

De groep trekt het smaller wordende Moldavadal in en steekt de rivier die dag 10 keer over. In de avond bij de laatste Moldavische huizen, waar de weg zich splitst naar Zevenburgen en Hongarije, steken zij de rivier nog 4 keer over en trekken dan linksaf de bergkam op. Zij trekken 2 dagen door een onherbergzame wildernis, waarvan één met zware regen. Dan dalen zij af naar de Visó – eerst een beekje, maar al snel een rivier – welke zij die dag wel 40 keer moeten oversteken. Dan is het nog 3 uur rijden naar Marmaros, de eerste stad op Hongaars grondgebied. Tot dan toe heeft de reis slechts 10 dagen geduurd. Hier kan het gezelschap Latijn spreken met de plaatselijke edelen. Het Turkse konvooi keert met beloning terug naar Moldavië en de plaatselijke leider geeft een nieuw konvooi mee.

Op 21 augustus zet het gezelschap de reis voort. Na het dorp Targumen moeten zij de rivier de Iza maar liefst 80 keer oversteken. Na 10 uur ploeteren komen zij uit het dal en horen tot hun verbijstering, dat het dal hemelsbreed slechts 3 mijl bedraagt, niet wetend dat de Hongaarse mijlen veel langer zijn dan de Russische, Roemeense en Duitse. De volgende ochtend bereikt het gezelschap de opstandelingenstad Sighet (Sighetu Marmatiei). Met veel eer wordt Meijerfeldt door de commandant Franz Darvay binnengehaald. Darvay ziet dat de Zweedse generaal aan zijn voet verwond is en concludeert – ook door diens galante en vrijgevige optreden – dat hij met Karel XII zelf te maken heeft. Deze indruk wordt nog eens versterkt, als de baron op werkelijk koninklijke wijze zijn met de beeltenis van Karel XII en diamanten ingelegde zware gouden ring van zijn vinger trekt en hem aan de gastvrouw schenkt als dank voor de feestelijke ontvangst.

Tijdens de festiviteiten komt het bericht, dat de Keizerlijke troepen vanuit Zevenburgen naar het noorden oprukken en reeds Nagybányi, een stad op nog geen mijl afstand, plunderen. Het is niet uitgesloten dat kolonel Wolmar Meijerfeldt deze troepen aanvoert. De bezoekers vertrekken overhaast, krijgen een convooi mee bij het oversteken van de Tisza en verder tot aan de grensburcht Hust. De tocht gaat verder over Salicz (waar de reguliere posterijen beginnen) en Bene. In de loop van 26 augustus arriveren zij in het hoofdkwartier van vorst Rákóczi in de stad Munkácz (Mukacevo). De vorst had per koerier al van hun komst vernomen en verleent nog diezelfde middag audiëntie. In het gesprek krijgt hij een gunstige indruk van Johan August en later noemt hij hem een zeer wijze, bekwame man. Meijerfeldt houdt zich liever onzichtbaar voor een aankomende Russische gezant uit Polen. Rákóczi’s gezant aan het Russische Hof schrijft per omgaande het volgende bericht: (3)

Heute kam hier der schwedischen General Mejerfelt an, dessen Fuß an zwei Stellen gebrochen ist. Infolge dieser Verletzung hinkt er und wird auch von manchen Personen fiir den schwedischen Konig gehalten. Er reist nur durch, um zwecks Genesung ein Heil-bad aufausuchen und wird auch seinem Wünsche gemäß durchgelassen. Ihr könnt den Zaren versichern, daß Wir jedoch Acht darauf haben werden, daß die Durchreisendcn nichts zum Schaden S:r Majestät unternehmen konnen.

Uit dit bericht blijkt de moeilijke diplomatieke positie van vorst Rákóczi. Voor zijn strijd tegen de Oostenrijkers heeft hij militaire steun van de tsaar verkregen, maar anderzijds ontvangt hij financiële steun van de Fransen. Hij beschouwt Karel XII na Poltava als een ‘dood man’ (4), maar aangezien Zweden juist met Turkije en Frankrijk een verbond op poten zet, zal een belemmering van de Zweedse doortocht hem duur komen te staan. Het wordt hem wel erg moeilijk gemaakt, als generaal Meijerfeldt hem ook nog verzoekt een veilige doortocht van Karel XII zonder troepen naar Polen te garanderen. Rákóczi antwoordt in bevestigende zin, op voorwaarde dat de Zweedse koning zijn alliantie met Tur­kije verwisselt voor een vredesakkoord met Peter de Grote. Karel XII zou later de gezant, die hem dit voorstel kwam doen, weigeren te ontvangen. Anderzijds zou de tsaar verbolgen zijn geweest over de aan Johan August verleende vrije doortocht.

image

Prins Frans Rákóczi II

Nadat hij 4 dagen heeft moeten wachten om van de Hongaarse rebellen de nodige passen te krijgen vervolgt de Zweedse generaal met een nieuwe escorte zijn weg noordwestwaarts over de flanken van de Slowaakse Karpaten, waar hij door zowel adel als volk vriendelijk wordt onthaald. Gezien de nabijheid van Keizerlijke troepen moet hij in het gebergte blijven, de eerste dag over de Latorzarivier naar Seredine en de volgende dag via Ungwar (Uzhorod) en Reigmitier naar Eperies, waar zij 2 dagen lang door 2 ministers van Rákóczy uitgebreid ontvangen worden. Dan gaat het verder via Zelin en Leutschau naar Késmárk (Kezmarok), waar de invloedssfeer van Rákóczi eindigt.

Omdat een mijl verderop een keizerlijke grenspost staat, vraagt Meijerfeldt daar een geleidebrief aan. Hij raakt verstrikt in de bureaucratie, omdat de aanvraag naar het Hof in Wenen wordt toegezonden. Door dit alles verliest de groep een maand. Meijerfeldt besluit de reis verder heimelijk voort te zetten en splitst het gezelschap in enkele groepjes, die langs verschillende wegen het vaderland moeten zien te bereiken. Een deel van de groep blijft nog een maand in Késmárk en raakt aan lager wal. Sommigen zouden bij spel en drank zijn doodgeslagen, anderen zouden op weldaden van de bevolking zijn aangewezen.
Johan August vervolgt de ingeslagen koers door het gebergte via St. Pieter, St. Nicolas Deplo en Rosenberg. Hij moet zijn paarden voor levensonderhoud verkopen en koopt vanwege aanhoudende stropers langs de weg vlotten om de Waagrivier af te gaan voorbij Sufau tot Budiczin. Hij vervolgt zijn reis via Neustättel en verlaat bij de schans Jablunska uiteindelijk Hongaars grondgebied en reist naar Teschen (Tésin) in Silezië.

Op 30 september arriveert Johan August in Berlijn, waar hem de eer van een audiëntie bij de Pruisische koning Frederik I te beurt valt. Hij slaagt er echter niet in de koning er van te overtuigen dat Karel XII nog in leven is. Een heel ander welkom valt hem ten deel bij zijn aankomst in Stockholm op 26 oktober. De bevolking van de stad stroomt samen, om in donker stilzwijgen het eerste authentieke verslag van de nederlaag aan te horen. Toch weet hij ook enthousiasme aan te wakkeren voor nieuwe strijd. Hij is het gesprek van de dag: “Jamais Homme reçut plus de Visites“. (5)

1. Le Long IV, pag. 648.
2. De oorspronkelijke bron “Schwedische Reisz-Beschreibung’ is geschreven door iemand die zowel aan de reis Poltava-Bender als de reis Bender-Stockholm deelnam, vermoedelijk Bardilli. Geciteerd in A. Ballagi, “Zur Geschichte der Heimkehr Karls XII. und des Schwedischen Heeres durch Ungarn”, vertaald door Edm. Beck, Lund 1932, KFÅ 1931, 172-239 en 1934, pag. 144-187. Uitvoerig reisverslag bij Le Long IV, pag. 648-657.
3. Ballagi, pag. 48 e.v. (op cit. Archivum Rakoczianum II 537).
4. Tengberg (1953), pag. 48.
5. Citaat bij Nordberg II, pag. 332. Carlson (1894), pag. 95. O. Haintz, “König Karl XII. Von Schweden”, Berlijn 1958, deel II, pag. 48, noot 1