1.3.7. Bijzondere opdrachten

Koning Stanislaus Leszinski

Eind augustus 1705 marcheert generaal-majoor Johan August Meijerfeldt met zijn troepen snel naar Warschau. Daar krijgt hij opdracht de Bisschop van Lemberg er van te ‘overtuigen’ om de afzwering van Augustus en de kroning van Stanislaus tot koning van Polen-Litouwen bij te wonen. (1) De schitterende kroningsplechtigheid vindt op 24 september 1705 plaats. Vervolgens wordt er een vredesakkoord tussen Zweden en Polen gesloten.

Karel XII acht daarmee de agressie van Augustus II de Sterke voldoende beteugeld. Hij richt zijn aandacht tot veler opluchting wederom op de Moskovieten. Bijna alle Baltische gebieden zijn langzamerhand door de Russische tsaar veroverd en de bevolking daar voelt zich door de Zweden in de steek gelaten. Onder achterlating van eenderde deel van het leger onder bevel van generaal Rehnskiöld, zet Johan August zich met de Zweedse hoofdmacht op 29 december op weg in oostelijk richting naar Litouwen.

Johan August bevindt zich met zijn 1000 man sterke regiment bij de koning in de stad Blonie, waar hij net als het hele Zweedse leger de winter op het open veld moet doorbrengen. Waarschijnlijk heeft Karel XII dan al het idee om te breken met de code om in de zomer en de herfst oorlog te voeren en in de winter en het voorjaar rust te houden.

Direct blijkt het grote voordeel van een winterveldtocht, namelijk de snelheid van marcheren over bevroren moerassen en besneeuwde vlakten. De langverwachte Zweedse aanval is niet bedoeld als invasie in Rusland, maar gericht op het toebrengen van een eenmalige verpletterende nederlaag aan Peter de Grote, om hem vervolgens tot het sluiten van een ongunstige vrede te dwingen. Vandaar dat het marsdoel de stad Grodno (Garien) is, waar de Moskovische hoofdmacht zijn winterkwartier opslaat. Karel XII besluit niet tot een belegering van de sterke vestingstad, maar tot een uithongering.

Johan August blijft de Zweedse koning. Hij wordt met 2 of 3000 man op plunderende Moskovieten afgestuurd. Vanuit Suchonitz nadert hij in alle stilte de zuidelijk gelegen stad Indura, waar een regiment van de plunderaars ligt. Omdat de stad op een grote vlakte ligt, wordt hij spoedig door de wachtposten ontdekt. Deze haasten zich zo snel de stad in, dat zij grote paniek veroorzaken en het regiment de stad doen ontvluchten. De Zweden zetten de achtervolging in, doden 60 soldaten en een luitenant en maken 54 gevangenen. Inmiddels is de avond gevallen, zodat zij de nacht van 10 februari 1706 in Indura moeten doorbrengen. De Moskovieten trekken die nacht nog wel samen, maar zodra de Zweden zich roeren trekken zij zich, met achterlating van het geplunderde goed, terug naar Grodno. (2)

De winter is extreem koud en de Russen lijden honger. Uitvallen voor strooptochten worden door Johan August steeds met de dood of gevangenschap beantwoord. Aangezien een groot Saksisch ontzettingsleger al bij Fraustadt door de achtergebleven groep van Rehnskiöld wordt verslagen en de Russen – ondanks een dubbel aantal soldaten – geen open veldslag met Karel XII aandurven, besluit Peter de Grote zijn troepen uit de stad terug te trekken. Het lukt de Moskovieten om uit de stad over de rivier en door de moerassen aan de achtervolgende Zweden te ontsnappen. Een achtergebleven groep wordt wel op de hielen gezeten door de Zweedse voorhoede. Op een smalle dijk in het moeras komt de confrontatie. Met de koning, prins Max en een handvol soldaten waadt Johan August tot zijn nek door het ijskoude water, komt plotseling van de kant opzetten en verjaagt de Moskovieten. (3)

Koning Stanislaus maakt zich intussen op voor een vereniging van zijn leger met dat van de koning van Zweden. Onderweg eist hij de overgave van Zabirs, maar de commandant van de vijandelijke vesting weigert en schiet zelfs op zijn landgenoten. Generaal Meijerfeldt wordt er op 29 april op af gestuurd en weer weigert de commandant. Het geschut van de generaal doet de Pool echter reeds na 3 dagen van gedachten veranderen. (4)

Karel XII houdt er van met weinig begeleiders van het ene legeronderdeel naar het andere te snellen. In het voorjaar van 1706 rijdt hij bijvoorbeeld te paard in 22 uur een afstand van 270 kilometer van Slucsk naar Pinsk in Zuid-Litouwen. Deze fabelachtige snelheid bereikt hij door achter elkaar door te rijden met een reservepaard aan de teugel. Alleen Johan August, prins Max en twee anderen kunnen de koning op deze rit bijhouden. Hun grootste oponthoud ontstaat bij een meer, waar zij pas na uren zoeken een boot vinden. De koning neemt als meest ervaren schipper het roer, Meijerfeldt en de anderen roeien en prins Max laat de paarden aan de teugel achter de boot aan zwemmen. Alles gaat goed, totdat de paarden geen land meer zien. Ondanks hun heftige weerstand weet prins Max de teugels vast te houden, terwijl de boot wild heen en weer wordt geslingerd. Als eindelijk land in zicht komt zwemmen zij weer rustig mee, zodat de roeiers snel de oever weten te bereiken. (5)

Eenmaal bij Pinsk wordt Johan August opdracht gegeven naar de vesting op te rukken en haar commandant 24 uur voor de overgave te laten. Het dreigement van de generaal luidt deze keer, dat geen mens binnen de vesting in leven zal worden gelaten. Hiermee bereikt hij het beoogde effect. Op 11 juni staat Meijerfeldt met zijn regiment na de oversteek van de Weichsel bij Lublin. (6)

Eind juli 1706 krijgt Meijerfeldt opdracht met vier regimenten op te rukken naar Brest, een belangrijke pas tussen Polen en Litouwen. Er waren berichten binnengekomen, dat zich daar vijandelijke Polen hadden genesteld. Als hij aankomt bij de pas, blijkt er niemand te zijn. Hij rijdt daarom door naar de stad en dwingt de plaatselijke edelen op de hand van Stanislaus. Onwilligen worden gestraft met ruïnering en verbranding van goederen. Nadat de troepen van Sapieha zich bij de zijne hebben gevoegd, kan de omgeving verder worden afgestroopt. (7)

 

1. Gravenbrief, folio 151.
2. J.A. Nordberg, “Konung Carl den XII: tes historia”, Stockholm 1740, deel 2, pag. 71-72. Le Long, deel 4, pag. 605. Chr. Kelch, “Liefländische Historia 2, Continuation 1690-1707”, 1875, pag. 526 noot **.
3. F.G. Bengtsson, “The life of Charles XII, King of Swe­den”, London 1960, pag. 206. L. Smids, “Oorlogend Europa of een korte chronyk van het voorgevallene in Staat en Oorlog”, Amsteldam 1715, pag. 142, schrijft dat het op 13 februari veldheer Meijerfeldt is die koning Augustus bij Fraustadt verslaat.
4. Le Long, deel 3, pag. 662.
5. M. Ranft, “Die Merkwürdigen Lebensgeschichte derer vier berümten Schwedischen Feldmarschalle, Grafen Rehnschild, Steenbock, Meyerfeld und Dücker”, deel 3, Leben und Thaten des Feld-Marschalls Graf Meyerfeld” , Leipzig 1753, pag. 310.
6. Post=Tidener, 03-07-1706.
7. Nordberg, deel 2, pag. 98. Le Long, deel 3, pag. 666-668.