1.3.2. In het Poolse moeras

image

Tsaar Peter de Grote

In 1705 is Johan August weer aan de zijde van koning Karel XII te vinden. Zijn regiment ligt zo dicht mogelijk bij de thuishaven van de soldaten: Brandenburg. Het winterkwartier ligt waarschijnlijk in Dischau aan de Weichsel, vlakbij Dantzig. Hij wordt in mei van dat jaar betrokken in een conflict met deze neutrale havenstad aan de Oostzee.

Vrijstad Dantzig weigert de met voorraden uit Zweden aangekomen vloot de doorgang over de rivier. Als de stad ook nog eens weigert Saksische goederen en twee vijandelijke Litouwers uit te leveren, wordt generaal Meijer­feldt er op af gestuurd met 3000 dragonders. Hij heeft opdracht de stad in brand te steken als zij verder onwillig blijft. Hoewel hij in het verleden bewezen had voor een dergelijke maatregel niet terug te schrikken, brengt hij een ander wapen in de strijd. Voor het onderhoud van zijn troepen eist hij dagelijks 4441 broden, 4441 stukken vlees, 2221 stukken spek, evenveel gort, 8840 maten bier, 12660 balen hooi, 660 schepel haver en 420 rijksdaalder in contanten. (1)

Op 12 juli 1705 brengen Johan August en Wolmar Johan tussendoor een bezoek aan het Zweedse hof in de Poolse grensplaats Rawicz. Karel XII verheft hen wegens hun vele verdiensten in de stand van baron (friherre). Van Johan August zijn de verdiensten bekend, maar die van Wol­mar Johan blijven nog onbekender dan die van hun oudste broer Carl Fredrik. Deze neemt op 16 juli deel aan de gewonnen Slag bij Gemäuerthof, waar hij met Horn succesvol de rechterflank aanvoert, tegen de Russen onder Sjerementjev, die Koerland stap voor stap veroveren.

Het onderhoud van het Zweedse regiment komt Dantzig zo duur te staan, dat ze op 26 juli toegeeft. Er ontstaat een probleem, als Johan August de door hem uit de stad gehaalde 5 à 6000 rijksdaalder aan zijn soldaten als soldij wil uitbetalen. Koning Stanislaus eist het bedrag op, maar Karel XII wijst dit af: Daβ Meijerfeldt sein Geld verliert, wird sein Regiment in einen schauerlich häβliches Labyrinth versetzen. (2)

Johan August had voor vuistgevechten en wanordelijk gedrag onder de buitenlandse huurlingen gewaarschuwd. De gevoelige generaal Stenbock had zich deze waarschuwing aangetrokken alsof gericht tegen zijn eigen vreemde troepen en de zaak via de koning zelfs voor de krijgsraad gebracht. Na het afnemen van de getuigenverhoren had de koning het spektakel echter afgelast; hij achtte de generaals te belangrijk om één van hen te moeten missen. Daarmee was de kwestie beëindigd, hoewel bij Stenbock een doorn blijft steken. (3)

Na de zomer van 1705 bevindt Johan August zich met zijn 1000 man sterke regiment bij de koning in de stad Blonie, waar hij net als het hele Zweedse leger de winter op het open veld moet doorbrengen. Waarschijnlijk heeft Karel XII dan al het idee om te breken met de code om in de zomer en de herfst oorlog te voeren en in de winter en het voorjaar rust te houden.

In september wordt een ware operette opgevoerd ten behoeve van de afzwering van Augustus en de kroning van Stanislaus. Johan August moet de Bisschop van Lemberg er van ‘overtuigen’ om de kroning bij te wonen. (4) Hiermee acht Karel XII zijn taak tegen Augustus voorlopig volbracht en richt hij zijn aandacht tot veler opluchting wederom op de Moskovieten. Bijna alle Baltische gebieden zijn langzamerhand door de Russische tsaar veroverd en de Zweedse bevolking daar voelt zich in de steek gelaten. Onder achterlating van eenderde deel van het leger onder bevel van generaal Rehnskiöld, zet de Zweedse hoofdmacht zich op 29 december van Warschau op weg in oostelijk richting naar Litouwen.
Direct blijkt het grote voordeel van een winterveldtocht, namelijk de snelheid van marcheren over bevroren moerassen en besneeuwde vlakten. De langverwachte Zweedse aanval is niet bedoeld als invasie in Rusland, maar gericht op het toebrengen van een eenmalige verpletterende nederlaag aan Peter de Grote, om hem vervolgens tot het sluiten van een ongunstige vrede te dwingen. Vandaar dat het marsdoel de stad Grodno (Garien) is, waar de Moskovische hoofdmacht zijn winterkwartier opslaat. Karel XII besluit niet tot een belegering van de sterke vestingstad, maar tot een uithongering.

Johan August bevindt zich bij de Zweedse koning. Hij wordt met 2 of 3000 man op plunderende Moskovieten afgestuurd. Vanuit Suchonitz nadert hij in alle stilte de zuidelijk gelegen stad Indura, waar een regiment van de plunderaars ligt. Omdat de stad op een grote vlakte ligt, wordt hij spoedig door de wachtposten ontdekt. Deze haasten zich zo snel de stad in, dat zij grote paniek veroorzaken en het regiment de stad doen ontvluchten. De Zweden zetten de achtervolging in, doden 60 soldaten en een luitenant en maken 54 gevangenen. Inmiddels is de avond gevallen, zodat zij de nacht van 10 februari 1706 in Indura moeten doorbrengen. De Moskovieten trekken die nacht nog wel samen, maar zodra de Zweden zich roeren trekken zij zich, met achterlating van het geplunderde goed, terug naar Grodno. (5)

De winter is extreem koud en de Russen lijden honger. Uitvallen voor strooptochten worden door Johan August steeds met de dood of gevangenschap beantwoord. Het moet in deze tijd zijn geweest, dat de koning aan de generaal zijn afkeer van het voorgeleiden van gevangenen laat blijken. Als deze hem 24 Moskovieten laat zien zegt Karel: Een dode hond bijt niet meer. (6) Aangezien een groot Saksisch ontzettingsleger al bij Fraustadt door de achtergebleven groep van Rehnskiöld wordt verslagen en de Russen – ondanks een dubbel aantal soldaten – geen open veldslag met Karel XII aandurven, besluit Peter de Grote zijn troepen uit de stad terug te trekken. Het lukt de Moskovieten om uit de stad over de rivier en door de moerassen aan de achtervolgende Zweden te ontsnappen. Een achtergebleven groep wordt wel op de hielen gezeten door de Zweedse voorhoede. Op een smalle dijk in het moeras komt de confrontatie. Met de koning, prins Max en een handvol soldaten waadt Johan August tot zijn nek door het ijskoude water, komt plotseling van de kant opzetten en verjaagt de Moskovieten. (7)

Koning Stanislaus maakt zich intussen op voor een vereniging van zijn leger met dat van de koning van Zweden. Onderweg eist hij de overgave van Zabirs, maar de commandant van de vijandelijke vesting weigert en schiet zelfs op zijn landgenoten. Generaal Meijerfeldt wordt er op 29 april op af gestuurd en weer weigert de commandant. Het geschut van de generaal doet de Pool echter reeds na 3 dagen van gedachten veranderen. (8)

Karel XII houdt er van met weinig begeleiders van het ene legeronderdeel naar het andere te snellen. In het voorjaar van 1706 rijdt hij bijvoorbeeld te paard in 22 uur een afstand van 270 kilometer van Slucsk naar Pinsk in Zuid-Litouwen. Deze fabelachtige snelheid bereikt hij door achter elkaar door te rijden met een reservepaard aan de teugel. Alleen Johan August, prins Max en twee anderen kunnen de koning op deze rit bijhouden. Hun grootste oponthoud ontstaat bij een meer, waar zij pas na uren zoeken een boot vinden. De koning neemt als meest ervaren schipper het roer, Meijerfeldt en de anderen roeien en prins Max laat de paarden aan de teugel achter de boot aan zwemmen. Alles gaat goed, totdat de paarden geen land meer zien. Ondanks hun heftige weerstand weet prins Max de teugels vast te houden, terwijl de boot wild heen en weer wordt geslingerd. Als eindelijk land in zicht komt zwemmen zij weer rustig mee, zodat de roeiers snel de oever weten te bereiken. (9)

Eenmaal bij Pinsk wordt Johan August opdracht gegeven naar de vesting op te rukken en haar commandant 24 uur voor de overgave te laten. Het dreigement van de generaal luidt deze keer, dat geen mens binnen de vesting in leven zal worden gelaten. Hiermee bereikt hij het beoogde effect.

Eind juli 1706 krijgt generaal-majoor Meijerfeldt opdracht met vier regimenten op te rukken naar Brest, een belangrijke pas tussen Polen en Litouwen. Er waren berichten binnengekomen, dat zich daar vijandelijke Polen hadden genesteld. Als hij aankomt bij de pas, blijkt er niemand te zijn. Hij rijdt daarom door naar de stad en dwingt de plaatselijke edelen op de hand van Stanislaus. Onwilligen worden gestraft met ruïnering en verbranding van goederen. Nadat de troepen van Sapieha zich bij de zijne hebben gevoegd, kan de omgeving verder worden afgestroopt. (10)

In augustus bevindt de Zweedse hoofdmacht zich weer in Polen. Daar voert Johan August enkele manoeuvres uit tegen de opnieuw actief geworden hoofdmacht van de Saksische koning Augustus. Deze wil de Weichsel overtrekken, om een van Meijerfeldts regimenten onder Trautvetter aan te vallen. Ondanks zijn overweldigende meerderheid durft de Saksische koning geen gevecht aan. Op volle kracht marcheren de Saksen weg, achtervolgd door de Zweedse generaal. Deze gaat echter aanmerkelijk minder snel vooruit, omdat hij geen cavalerie heeft, enkele honderden gevangenen met zich mee voert en onervaren manschappen onder zijn gelederen telt.
Op de terugtocht van Brest naar de Zweedse hoofdmacht in Radom verliest Johan August 60 man. Zijn kapitein van de cavalerie wordt tijdens het foerageren door een Poolse overmacht overrompeld. Slechts weinigen weten aan de dood te ontkomen. (11)
1. Le Long III, pag. 422.
2. Carlson (1894), pag. 331.
3. M. Stenbock, “Bilagor till Stenbocks journal”, KKD XII, Lund 1918, pag. 273-280.
4. Riksarkivet Stockholm, Riksregistraturet, Grewebref for K: Rådet, Generalen och General Gouverneuren, Johan August Meijerfeldt”, Demotica 3 maart 1714 – verder te noemen Gravenbrief -, folio 151.
5. Nordberg II, pag. 71-72. Le Long VI, pag. 605. Kelch, pag. 526 noot **.
6. Le Long VI, pag. 418.
7. Bengtsson, pag. 206.
8. Le Long III, pag. 662.
9. Ranft, pag. 310
10. Nordberg II, pag. 98. Le Long III, pag. 666-668.
11. J. Cederhielm, “Bref”, KKD VIII, Lund 1913, pag. 219.