Zl. Nehringen en Medrow

Als één gebied zou moeten worden aangemerkt als hoofdbezitting van de familie Meijerfeldt, dan zijn dat wel de uitgestrekte landerijen rondom Nehringen en Medrow in Zweeds-Pommeren (Vorpommern), 50 kilometer ten zuiden van de hoofdstad Stralsund.

Tot het landgoed Nehringen behoren de dorpen Nehringen, Dorow, Bassendorff, Fäsekow, Kamper en Keffenbrink (destijds Boudrarum of Bouersdorf geheten). Ten oosten hiervan ligt Medrow (spreek uit: meedroo), waartoe behoren de dorpen Medrow, Langenfelde, Rodde, Speckendam (niet meer bestaand) en Jahnkow (destijds Jahnkendorf geheten). Het hele gebied wordt gekenmerkt door uitgestrekte graanvelden, afge­wisseld door oude bossen, voornamelijk langs de Trebel, de grensrivier met Mecklenburg. Het gecombineerde gebied is 15.000 ha (ca. 7 bij 30 km) groot.

De centrale kern van het landgoed Nehringen bestaat uit vijf gebouwen: (1) een kerkje, bestaande uit een toren, een kort schip en een kerkhof, (2) een bakhuis, (3) een koetshuis, (4) een landhuis en (5) weer een koetshuis. Het bijzondere is dat het hier één van weinig bewaard gebleven barokke landgoederen van Pommeren betreft, waarin de gebouwen rondom een cirkel op streng geometrische afstanden van 32 meter van elkaar liggen. Tussen gebouw (1) en (5) loopt een bomenlaan met kleine vakwerkhuizen. Achter gebouw (4) ligt ook weer op geometrische afstanden van 32 meter op een steile heuvel de ruïne van een grenstoren. In Keffenbrink ligt een tweede kern van huizen en graanschuren. In Medrow tenslotte ligt het grootste meer recente landhuis met op enige afstand weer een kerkje.

Het woord Nehringen, oorspronkelijk “die Näring’, kan slaan op voedsel, verdienste of bouwveld. Neringen zijn ook sterke waterwervelingen. In plaatskundige zin wordt het gebruikt voor een lange smalle landtong. Dit komt wel overeen met de lokale situatie, waar de grenstoren op een strook droog land omringd is door de moerassen van de Trebel.

De grenstoren is circa 1350 door Buggenhagen gebouwd. De huidige ruïne van deze toren staat op een destijds door water omgeven eiland van 3,5 meter hoog. De toren is 11,6 meter breed, 9,8 meter lang en 132 lagen ronde veldstenen hoog. Naar het oosten is een rondgebogen opening aangelegd. Naar het zuiden zijn boven en onder vlakgebogen openingen gemaakt. Aan de noordzijde is nog het zadeldak van een aanbouw zichtbaar, waar wellicht een kleine woonkamer heeft gelegen. Een dak en het gehele binnenwerk ontbreken tegenwoordig. De toren diende vooral als verdedigingswerk tegen invallen vanuit het westen, zowel van opstandige Mecklenburgse boeren als van op verovering uit zijnde Duitse vorsten en ridders. Volgens een overlevering zou er een onderaardse gang moeten zijn naar de grenstoren van Wasdow aan de Mecklenburgse overkant van de Trebel.

IMG_0348Reconstructie van de “Fangeltürm” van Nehringen

In 1421 wordt Nehringen voor het eerst als leengoed van Dethlewus Buggenhagen ge­noemd en in 1495 ook Langenfeld. In 1631 wordt Andreas Buggenhagen voor Nehringen (bestaande uit 22 boerendorpen, waaronder Medrow) door de Zweedse belasting aangeslagen voor 105,5 ‘Landhufen’ en 70 ‘Reducirte Hufen’. In de ze­ventiende eeuw bewoont een aantal leenheren het landgoed: vanaf 1613 Pfuel, sinds 1652 Sperling en daarna nog Ridderhielm. Door schul­den valt het landgoed terug aan de Zweedse Kroon.

IMG_0349Brynolf Hesselgreen, “Nehringen, Camper ock ödes hemmanck Wijck”,
Matrikelkarte der Landesaufnahme von Schwedisch-Pommer 1697, Landesarchiv Greifswald, BIV 34.

IMG_0350Uitsnede linksboven van Nehringen

IMG_0351Brynolf Hesselgreen, “Medrow”, Matrikelkarte der Landesaufnahme
von Schwedisch-Pommern 1697, Landesarchiv Greifswald, BIV 36, uitsnede.

In 1711 krijgt graaf Johan August Meijerfeldt het landgoed vanwege zijn militaire verdiensten van koning Karel XII. De familie Meijerfeldt woont primair in Stralsund, vanaf 1730 in het nieuw regeringspaleis in de Badenstrasse, maar komt wel geregeld naar het landgoed toe. Op het noordoostelijke deel van Medrow bouwt de graaf een glasfabriek, die produceerde en voor banen zorgde tussen 1736 en 1755, het jaar dat Hagenow pachter werd. Nehringen vervult een paar functies voor het Zweedse koninkrijk: houtproductie en scheepsbouw aan de Trebel, aanvoer van landbouwgewassen en paardenfokkerij. De stoeterij van Nehringen is beroemd geworden om de magnifieke paarden die daar worden gefokt. (1)

Op het leengoed Nehringen rust nog een sinds 1667 opgelopen schuld van Ridderhielm van 33.285 rijksdaalder. In 1715 nemen de Regeringsraden in Stockholm het standpunt in dat deze schuld aan het landgoed kleeft en dat Meijerfeldt deze dus moet dragen. Koning Karel laat vanuit Stralsund weten dat dit soort schulden niet aan de nieuwe verkrijgers overgaan; niet in dit geval en ook niet in alle andere vergelijkbare gevallen.

De graaf steekt regelmatig over naar Ystad in Zweden, om vandaar naar zijn andere bezittingen Söfdeborg en Näsby te reizen. Aan de Dunagårdswerf heeft hij een galjoot laten bouwen (een soort kofschip, met vaste verschansing voor en achter, platte bodem en 2 tot 3 masten) en gedoopt als “die Näring”. De bemanning bestaat uit kapitein Christian Tidman en 4 matrozen. Het laatste bezoek van Johan August sr. aan Nehringen is op 20 oktober 1750, als hij begraven wordt in het familiegraf voor het altaar van de St. Andreas Kirche.

Om Nehringen en Medrow niet te laten versnipperen heeft Johan August sr. in zijn testament vastgelegd dat het fideï commis zijn, zodanig dat het twee generaties met voorrang voor de mannelijke lijn binnen de familie blijft. Zijn oudste zoon Carl Fredrik jr. erft Nehringen en zijn jongste zoon Johan August jr. Medrow, overigens in beide gevallen onder het voorbehoud van vruchtgebruik door hun moeder. Om financiële redenen wordt Medrow in 1755 verpacht aan Blasius Hagenow.

IMG_0352Henric Liedin, “Nering. Aftagit med Compass och Steg den 18. Januarij 1762,
tillhöra Meyerfältska arfwingarne”, Königliche Preussischen Plankammer, nr. 376.

Over de Pommerse landgoederen van de familie ontstaat in de eerste maand van 1758 een verwikkeling. De Zweedse onderdanen waren bij het uitbreken van de oorlog gewaarschuwd niet te vluchten en hun landgoederen niet onbeheerd achter te laten. Gravin Brita Barnekow geeft aan deze oproep gehoor en steekt van Zweden over naar Stralsund. Niettemin weigert de regering haar een pas voor een beschermde tocht van Stralsund naar Nehringen te geven vanwege de belegering van Stralsund. (2)

Tijdens deze Pommerse Oorlog (1757-1762) vecht Johan August jr. met zijn Eerste Duitse bataljon grenadiers en verblijft hij tijdens de lange rustperioden op het landgoed. Maar ook komen de gevechten soms dicht bij het landgoed, met name als de Zweedse bevelhebber Lantinghausen op 16 augustus 1761 in Medrow aankomt en de dag daarop bij Nossendorf de Trebel oversteekt en dus de grens met Mecklenburg passeert.

Na de Vrede van Hubertsburg richt Johan August jr. zijn aandacht op Zweden voor zijn loopbaan en huwelijk. Medrow doet hij over aan zijn broer Carl Fredrik jr., die dus eigenaar van beide Pommerse landgoederen wordt. Hun moeder Brita Barnekow verblijft er vaak en krijgt tot aan haar dood in 1771 gezelschap van haar kleindochter Brita Horn. Vanaf 1762 pleegt Carl allerlei barokke verbouwing, ten dele van de oude gebouwen (1) de kerk, (4) het oostelijke deel van het landhuis en (5) het zuidelijke deel van het koetshuis. Op bovenstaande kaart van 1762 zijn die oude gebouwen nog te zien.

IMG_0353Het landhuis in Nehringen: Foto: Frank von Meijenfeldt (1988)

In 1778 koopt Johan August jr. Medrow terug. Rond 1780 wordt een nieuw landhuis op Nehringen gebouwd. Het heeft negen traveeën, een zuilenportaal voor de middelste drie middelste, een gestuukte bouw, een mansardedak met verdieping en hoog bovendeel. Het is een familiehuis van een zekere elegantie zonder indrukwekkende representatieve uitstraling. Het is een typisch Zweeds landhuis uit de tweede helft van de achttiende eeuw om de zomer in door te brengen: helder, naar bosbessen geurend en vriendelijk. Door het overlijden van Carl Fredrik jr. in 1791 verkrijgt Johan August jr. Nehringen en is hij eigenaar van alle Pommerse goederen.

Graaf Johan August jr. is dat jaar met pensioen gegaan als veldmaarschalk en woont voornamelijk op Nehringen, terwijl zijn 20 jaar jongere vrouw nog hof houdt in Stockholm. Op 15 juli 1800 wordt hij in het Meijerfeldtse familiegraf in de Andreaskerk begraven. Daarna valt het land­goed terug aan de Zweedse Kroon. De koning verwerpt de gedachte om het landgoed aan zijn broer te schenken om hem schuldenvrij te maken, maar hij verkoopt het – met een vooruitziende blik – aan Pruisische adel, in delen gesplitst.

Medrow en Langenfelde worden in 1802 verkocht aan Friedrich Christoph Karl Hagenow, de zoon van Blasius Hagenow, die dat jaar in de Rijksadelstand verheven wordt. Broer Wilhelm bouwt er in 1828 een groot landhuis. Het landhuis blijft in handen van de familie Von Hagenow en nazaten tot het in 1945 wordt aangewezen als woonhuis voor oudere dorpsbe­woners. Nu staat het leeg en raakt in verval.

Nehringen wordt in 1806 verkocht aan Schoulz von Ascheraden, in 1857 doorverkocht aan Keffenbrink en in 1898 aan Pachelbel, die op het landgoed de twee aanstichters van wereldoorlogen ontvangt: keizer Wilhelm II en Adolf Hitler. In de oorlog en kort daarna zijn er grote vernielingen aangericht in het landhuis. Sinds 1945 deed het dienst als landbouwhuis voor een aantal gezinnen. In 1995 kocht voormalig eigenaar Pachelbel het leegstaande landhuis op van de Treuhand, dat alle staatseigendommen van het bewind tussen 1950 en 1990 privatiseert. Hij restaureert een stukje van gebouw (3) om er zelf te kunnen verblijven, maar verdere investeerders in restauraties worden per advertentie opgeroepen. Europese subsidies helpen ook. Sinds de A20 Oostzee autosnelweg van Rostock naar Stettin langs Nehringen en Medrow loopt is het aantal gebruiksmogelijkheden toegenomen.

 

(1) C. Tersmeden, “Admiral Carl Tersmedens Memoarer”, Stockholm 1915, deel III, pag. 199.
(2) A.J. von Höpken, “Höpkens skrifter”, ed. Silfverstolpe, Stockholm 1890, deel II, pag. 462.