3.5. Het Bremer geslacht

De geschiedenis van de stad Bremen is aanvankelijk verweven met die van Nederland. Hollandse kolonisten brengen het gebied in de 12de eeuw in cultuur, waardoor aan weerszijden van de rivier de Wezer de Hanzestad kan ontstaan. De stad is lange tijd neutraal tot een vierjarige oorlog 1442-1446 tegen vier Nederlandse provincies, die eindigt met de Vrede van Hardewijk. 

De Vrede van Westfalen in 1648 brengt voor Nederland de onafhankelijkheid van de Habsburgers, maar voor Bremen en Verden juist de toedeling aan Zweden. De  twee steden zijn in één hertogdom verbonden door een personele unie met het Zweedse vorstenhuis. Tegen de zin van Zweden blijft de Hanzestad Bremen zelf een vrije Rijksstad, waardoor ze in plaats daarvan Stade tot hoofdstad kiezen. In 1654 en 1666 voeren de Zweden twee korte oorlogen om Bremen in te nemen, met slechts een kleine gebiedsuitruil tot gevolg.

Aangrenzend aan Bremen ligt het dorp Stuhr in het graafschap Delmenhorst, dat in bezit is van de graven van Oldenburg. In 1667 komt dit door vererving in handen van de Deense koning. Deze valt in 1675 samen met Brandenburg (dat uit is op verovering van Zweeds-Pommeren) Bremen en Verden binnen. Nadat Lodewijk XIV een klein Frans leger onder Marquis de Joyeuse heeft laten inrukken trekken de Denen zich op 2 september 1679 terug en wordt het Zweedse gezag hersteld. Tijdens de Grote Noordse Oorlog trekt Denemarken in 1712 Bremen-Verden opnieuw binnen en verkoopt het aan de keurvorst van Hannover (de Britse koning George I) in ruil voor diens militaire steun. 

Tegen deze historische achtergrond is het tijd aandacht te besteden aan het in deze omgeving levende adellijk geslacht Von Meyer(s)feld(t). In de eerste paragraaf wordt het verhaal van de geadelde Meyer en zijn nageslacht beschreven. In de tweede paragraaf staan de bijlagen.