2.7.1. Nederlands-Indië

Tussen 1911 en 1942 hebben vier, waarschijnlijk vijf kinderen van Frits von Meijenfeldt en Engeltje de Koe ieder ongeveer 20 jaar in de kolonie Nederlands-Indië doorgebracht.

De eerste die vertrekt is zoon Frits. Hij treedt in dienst van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Hij wordt als 2de  luitenant infanterie gelegerd in Magelang op Java. Daar trouwt hij in 1912 met Suze Kimmijzer, geboren in Djokjakarta in 1889. Hij wordt in 1914 bevorderd tot 1ste luitenant en een jaar later overgeplaatst naar Baoe-Baoe op Boeton.

Nk.3. Frits von Meijenfeldt
Frits von Meijenfeldt
Suze Kimmijser
Suze Kimmijser

De tweede die vertrekt is zoon Carl. Hij was graag dominee geworden, had daarvoor ook een getuig­schrift van het Gere­formeerd Gymnasium, maar koos uit­eindelijk voor de rechtenstudie aan de Vrije Universi­teit en promoveert daar in 1912 op de disserta­tie “De gren­zen van het recht van amende­ment in de practijk van de Tweede Kamer der Sta­ten-Gene­raal”. (1)

Nk.2. Carl von Meijenfeldt x Maria van Apeldoorn
Carl von Meijenfeldt en Maria van Apeldoorn

Eind 1912 trouwt Carl met Maria van Apeldoorn, onderwijzeres op de School met de Bijbel in Watergraafsmeer. Haar moeder Gerridina van der Bend en Enny’s schoonvader zijn zus en broer. Voor het vertrek van Carl worden twee (elkaar niet uit­slui­ten­de) redenen gege­ven: 1. hij staat onder druk van zijn promo­tor prof. mr. Fabius, die meende dat de Christen-ambtenaren daar waren onderver­tegenwoordigd; 2. de rech­terlijke macht is voor hem – niet afkomstig uit een rijke en adellijke familie – minder toeganke­lijk. Onder­weg in het Suez-kanaal overvalt hem een zware depressie, niet alleen omdat Neder­lands-Indië hem weinig lokt, maar vermoede­lijk ook in verband met overvloedig bloed­ver­lies na een aman­del-operatie. Carl begint in 1913 als Griffier van de Algemeen Secretaris in Batavia en wordt een jaar later Griffier van de Landraad te Buitenzorg.

In 1915 volgt dochter Nellie haar echtgenoot, predikant De Haas, naar Weltevreden.

Nellie von Meijenfeldt en Willem de Haas
Nellie von Meijenfeldt en Samuel de Haas

Nellie, Carl en Frits reizen naar steeds nieuwe bestemmingen. In 1916 is Carl griffier van de Raad van Justitie te Semarang en in 1917 tijdelijk buitengewoon voorzitter van de Landraad van Indramajoe. Dat jaar wordt Frits in Pare Pare op Celebes gelegerd. In 1918 gaat Nellie naar Semarang en Batavia; haar man is overgestapt naar het Departement van Justitie. Carl wordt dat jaar vice-voor­zitter van de Landraad op Soe­ra­baya. In 1919 is Frits in Ban­joebie­roe op Java gelegerd. Een jaar later wordt Carl voorzitter van de Landraad op Tebing Tinggi.

Voor zoon Hendrik is 1919 een belangrijk jaar. Hij doet zijn Groot Ambtenaars Examen in Leiden, hij trouwt te Watergraafsmeer met Maria Beumer uit Harderwijk en vertrekt met haar naar Tinombo op Sulawesi. Hij wordt in 1920 benoemd tot Ambtenaar Binnenlands Bestuur in Gorontalo op hetzelfde eiland.

Voor Carl en Frits wordt het na 9 jaar in de tropen tijd voor 10 maanden Europees Verlof. Frits mag in 1920 met zijn gezin van vier kleine kinderen naar huis en gaat aan de Constantijn Huygensstraat in Amsterdam wonen. Carl komt ook met zijn gezin van vier kleine kinderen terug, maar dan een jaar later. Frits is al weer terug naar Buitenzorg (Java); Carl wordt in 1922 voorzitter van de Landraad te Kraksaan en in 1923 lid van de Raad van Justitie te Makassar. Frits gaat dat jaar naar Batavia en wordt in 1924 kapitein in het KNIL. Henk wordt dat jaar ambtenaar BB in Den Passar op Bali, in 1927 controleur 1ste Klasse. Dat jaar keert hij terug met Europees verlof en gaat weer in 1928 als secreta­ris van de Resident Wes­teraf­de­ling Borneo in Ponti­a­nak en drie jaar later Medan.

In 1928 mogen zowel  Carl (met nog een vijfde kind) als Frits voor de tweede keer op Europees Verlof naar Nederland, nu acht maanden. De laatste gaat aan de Noorder Amstellaan in Amsterdam wonen. In 1929 reizen de twee gezinnen nog één keer naar Nederlands-Indië. Carl wordt tijdelijk buitengewoon lid van de Raad van Justitie te Soera­baya; Frits gaat naar Bandoeng (Java) en daarna Palembang (Sumatra); Carl in 1930 voorzitter van de Landraad in Soerabaya en 1931 tijdelijk buitengewoon lid van de Raad van Justitie te Batavia. Carl speelt een actieve rol in het kerkelijk leven, houdt op de buitenplaatsen zonder dominees soms preken en wordt uitein­delijk beschouwd als één van de ‘kerkevaders’.

Gerard, Maria (van Apeldoorn), Maria, Dien, Nel, Carl en Frits von Meijenfeldt
Gerard, Maria (van Apeldoorn), Maria, Dien, Nel, Carl en Frits von Meijenfeldt

Na een verblijf van ongeveer 20 jaar komt de pensionering en terugkeer van Nellie, Frits en Carl uit Nederlands-Indië.  De tropenjaren worden dubbel geteld. Nellie keert terug in 1931 en leeft daarna apart van haar man, zonder formele echtscheiding. Frits keert met zijn gezin in 1932 terug en gaat in Den Haag aan het Klimophof wonen. Hij wordt secretaris-penningmeester van de Koninklijke Vereninging Oost en West, gericht op onderwijs. Carl keert met zijn gezin in 1932 terug en gaat in Heemstede aan de Van Slingelandtlaan wonen. Hij wordt daar lid van de Gemeenteraad.

Nk.8. Hendrik von Meijenfeldt x Marie Beumer
Henk von Meijenfeldt en Marie Beumer
Hendrik von Meijenfeldt
Henk von Meijenfeldt

Hendrik werkt tussen 1934 en 1937 aan zijn promotie in de Let­teren en Indisch Recht RU-Lei­den. In 1937 wordt hij Assistent-Resident in Bengkalis, het jaar daarop in Ambon, tevens burge­mees­ter van Amboina. Hij is voor­zitter van de Stic­hting Bestrijding Tuberculose Amboi­na en lid van de Ver­eni­ging Bestrij­ding Lepra in de Moluk­ken. Hoewel hij geen militair maar bestuursambtenaar is, wordt hij toch in 1941 in een Jappenkamp geïnterneerd. Hij overlijdt daar in 1942 ten gevolge van dysenterie. (2)

Een treffend bewijs van de aanhanke­lijkheid der bevolking leverde de begrafenis. Zij werd namelijk opge­merkt door een christelijke, Ambonese onderwij­zer. Door enkele tekens wist een der dames die de droeve stoet naar het op verre afstand gelegen kerk­hof begeleid­de, hem te kennen te geven wie er begra­ven werd. De Ambo­nees verdween ij­lings. Toen de stoet onder bewaking van Japanse militai­ren bij de begraafplaats was aangekomen traden opeens een aan­tal Ambonezen (alle christelijke onderwijzers) te­voor­schijn die zonder dralen de baar uit de handen der Jappen overnamen. Deze waren door het volkomen onver­wachte optreden der Ambonezen dermate onthutst, dat zij zich in het geheel niet verzetten.
Tijdens de gang naar de groeve werd stil op de muur waar­langs de baar gedragen werd een mand met orchi­deeën ge­schoven, welke prachtige bloemen ook later het stoffelijk overschot in het graf dekten.

De dochter van Resident H.J. Jansen schrijft het volgende over de laatste tijd in het kamp:

Bovendien werd ik vaak duizelig van moeheid en ondervoeding en ik betrapte me tijdens het verzorgen van één van onze aardigste kennissen, de heer von Meyenfeldt, een assistent-resident, een keer op de wens: “Ging je maar dood, ik kan je potje bijna niet meer legen.” Ik schrok erg van mijn gedachte. (…) De vrouw, die haar braaksel altijd liet lopen, genas, maar meneer von Meyenfeldt stierf en ik voelde me zo schuldig, dat ik hem een moment had doodgewenst, die lieve, stille, geduldige man, die zich net zo dapper had gedragen als vader.

Roelof’s zoon Chiel wordt in 1948 benoemd tot luitenant der infanterie en ingelijfd bij het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Na de soevereiniteitsoverdracht in 1949 blijft hij nog een paar jaar in Indonesië om het leger daar te helpen opbouwen. Hij trouwt dat jaar op Kresek, Tan­gerang en het eerste kind wordt daar ook geboren.

Eind 1959 neemt Carl’s zoon Gerard, dan 40 jaar oud, de functie aan van procureur-generaal bij het Hof van Nederlands Nieuw-Guinea. In november 1960 werkt hij al weer in Nederland ten gevolge van de Affaire Gonsalves.

 

2. Citaten uit “Libertas ex veritate”, uit­gave van de orga­nisatie van reü­nisten der SSR (Societas Studiosorum Reformato­rum) ter her­denking van haar leden, omgekomen ten gevolge van de Japanse bezetting van het toenmalige Nederlands-Indië, door W.H.C. Knapp, pag 58-61.