2.4.3. Tot de eeuwwisseling

De laatste tien jaar van de negentiende eeuw brengt vrijwel de afsluiting van de tweede generatie en de geboorte van de rest van de vierde generatie.

In Dordrecht krijgen Evert en Jo in 1890 een dochter Anna.

In 1891 verhuizen Carl Frederik en Margré naar de Spuistraat 268 in Amsterdam. Zij gaan daar met hun kinderen boven hun winkel “Horlogerie en Gros” wonen. Schoonmoeder Aaltje Prins, weduwe van Willem de Haas, woont in. Frits en Engeltje krijgen een zoon Roelof.

Evert en Jo krijgen een dochter To in 1892 in Dordrecht. In Amsterdam wordt een jaar later Evert geboren, zoon van Frits en Engeltje. Zij krijgen in 1894 een zoon Jan; hij haalt zijn eerste verjaardag niet.

Het 50-jarig huwelijksfeest van Carl en Nel Diederich vindt plaats in 1895. Een half jaar later overlijdt Nel op 72-jarige leeftijd. Zoon Jan is kantoorbediende en gaat dat jaar inwonen bij J.P. van Zon op de 2de Jan van der Steenstraat 26 in Amsterdam. Hij is niet getrouwd en heeft geen kinderen; hij heeft een geestelijke achterstand.

Carl’s jongste zoon Hendrik is vanaf dat jaar werkzaam bij de afdeling Bewaarneming van de Neder­land­sche Bank aan de Herengracht 461-463. Hij is belast met de Tweede Ad­mi­nistra­tie Ver­zil­ve­ring, Recapitulatie Bin­nen­landse Cou­pons, Collati­oneering van nieuw-ingeboek­te posten in de Hoof­den- en Loting-Boeken, Controle Dag- en Weekbla­den, Alpha­betisch Register, Jaarlijkse Knippe­rij.

In Amsterdam krijgen krijgen Carl Frederik en Margré een zoon Jan en Frits en Engeltje een zoon Henk, allebei in 1896. Evert en Jo krijgen in 1897 een tweeling Maria en Frieda; Maria leeft niet meer dan negen maanden, Frieda maar 3 dagen. In 1898 krijgen Frits en Engeltje een zoon Jan in Amsterdam.

In 1898 reist Hendrik af naar Bergen op Zoom om daar in het huwelijk te treden met de 29-jarige Anna Augustijn. Vader Augustijn stamt van een oud Bergsch geslacht, dat sinds 1758 de pottenbakkerij “De Kat” in eigendom heeft. Voordat zijn zoon Govert de bakkerij in de periode 1902-1932 uitbouwt tot een beroemde kunstwer­kaardefabriek, woont hij met zijn zuster Anna in Amsterdam. Anna vraagt in 1896 aan haar ouders toestemming om zich met Hendrik te verloven en ontvangt het volgende antwoord van haar vader:

“Dat uw brief ons verwondering en verbazing bewekte behoef ik u niet te schrijven, het was over twaalven voor wij naar bed gingen en uw moeder heeft den nacht niet veel geslapen“. Nadat hij informatie heeft ingewonnen concludeert hij: “dan kunnen en mogen wij deze zaak niet tegenwerken, maar geven uw van ganscher harte volkomen toestem­ming tot uw Engagement“. Hij wijst haar nog op de bezwaren van haar moeder, op de korte tijd dat zij Hendrik nog maar kent en op de mogelijk­heid nog terug te treden, maar hij laat de beslissing uiteindelijk aan zijn dochter. Ook is hij bevreesd dat zij met een stijve Hollander komt aanzetten: “als ik denk aan een beambte aan de Nedl. Bank, dan stel ik mij een Heer voor, die bang is om zijn handschoentjes uit te doen, afgemeten in zijn spreken”. In haar verlovingstijd woont Anna in Bergen op Zoom en ontvangt veel hartelijke brieven van haar aanstaande schoonfamilie, ook van haar dan 82-jarige aan­staande schoonvader Carl von Meijenfeldt.

Hendrik is deputaat voor de kas­com­mis­sie voor de zending van de Gerefor­meerde Kerken. In 1898 wordt een woning betrokken aan de 1e Helmerstraat 87 en het jaar daarop wordt daar de eerste zoon Carl geboren.

Net voor de eeuwwisseling in 1899 overlijdt Carl op 83-jarige leeftijd in Amsterdam. Van zijn totaal 10 kinderen leven Evert (met Jo van Leusden), Carl Frederik (met Magré de Haas), Frits (met Engeltje de Koe), Cato (met Jan van der Tas), Jan en Henk (met Anna Augustijn). Met alleen Naatje Kennedij, weduwe van Hendrik, nog in leven is met hem de tweede generatie van de familie Von Meijenfeldt afgesloten. Op begraafplaats “Te Vraag” vindt de teraardebestelling plaats.