1.7.2. Bruiloft in Stockholm

Eenmaal terug in Zweden gaat de inmiddels 37-jarige Johan August zich zorgen maken over de voortzetting van zijn geslacht. Zijn vier jaar oudere broer Carl Fredrik is net als hij ongehuwd. Opnieuw legt een vrouwelijke telg van het geslacht Törnflycht het beslissende contact: gravin Christina Margaretha Augusta Törnflycht. Haar vader en de eerste vrouw van Johan August sr zijn broer en zus. Johan August jr komt uit het tweede huwelijk voort, zodat er aan die kant geen bloedverwantschap is.

Gravin Törnflycht en haar echtgenoot generaal-majoor en opperstadhouder graaf Axel Wrede-Sparre hebben een dochter Lovisa (Louise) Augusta. Zij is op 14 september 1745 op het familieslot Stora Sundby geboren en vier dagen later in Stockholm gedoopt. Zij is opgevoed door gouvernantes en heeft vaak gelogeerd op landgoederen van familie. Al op 12-jarige leeftijd weet zij het hart te stelen van de grote staatsman Tessin, die aan de Sparre’s verwant is. Hij noemt haar in kleine gedichten “la charmante folie” en “Colibri“. Haar aandacht gaat al heel vroeg uit naar het uitgaansleven van de grote wereld; zij oefent zich vlijtig in het dan populaire epigram in de Franse taal. (1)

Op de verjaardag van de Zweedse kroonprins Gustaaf III, 24 januari 1761, maakt Louise haar debuut aan het Hof. Net als de kroon­prins is zij dan 15 jaar. Zij laat een wervelende en stralende indruk achter en wacht met smart op het moment waarop zij aan het Hofleven kan gaan deelnemen. Dat moment dient zich twee jaar later aan. Zij heeft zojuist een door haar moeder geselecteerde huwelijkskandidaat  afgewezen. Haar moeder heeft bovendien net bot gevangen bij Friedrich Wilhelm von Hessenstein, een zeer vermogende onechte zoon van de vorige Zweedse koning, die een koninklijke route voor zich ziet. (2)

Dan komt graaf Meijerfeldt in beeld. Hij staat hoog in de gunst bij het Hof en staat bekend om zijn spraakzaamheid, en dat vergoedt voor moeder en dochter het leeftijdverschil van 20 jaar en het magere, lange en lelijke voorkomen van de Duitse officier. De mensen rond Louise gaan er zondermeer van uit dat het mooie jonge meisje ontevreden is en de boosheid richt zich al snel tegen haar krachtdadige moeder. Een vriend van de familie schrijft: “Mama zelf heeft de hele zaak geregeld“. (3)

Op 18 februari 1763 houdt de koning Adolf Frederik een groot bal in de Spektakelzaal van zijn slot alleen voor Louise, die het hoogste vertrouwen van de vrouwen van de stad geniet. Alles komt voort uit een grap op een eerdere maskerade, waar Louise als man was verkleed en de loftrompet had uitgestoken over de koning en Axel von Fersen, omdat zij zich tegen werfgeld zouden laten werven voor de Garde in een picknick. Meijerfeldt had er onder andere voor gezorgd dat die grap serieus werd genomen. De hele stad vult zich direct met het gerucht dat hun huwelijk op handen is.

Voor de bruiloft wordt 13 december 1763 als datum gekozen. In de Riddarholmskyrkan in Stockholm vindt om 19:00 uur de plechtigheid plaats. Daarna zit een kleine groep van nog geen 20 familieleden aan bij de bruiloftsmaaltijd. Een boodschapper van het Hof komt het bruidspaar meermaals skål toewensen. Koning Adolf Frederik en koningin Lovisa Ulrika rijden incognito – zonder andere entourage en uiterlijk vertoon dan een koetsier en een lakei – in een eenvoudig rijtuig naar het huis van Meijerfeldt. Daar herkent de dienstbode de kennelijke vrienden van haar heer niet en wil de kaarsen van de kroonluchter aansteken. Vergeefs vraagt de koning dat niet te doen en ziet zich gedwongen ze onhoffelijk uit te blazen. Hij laat alleen een klein licht in de slaapkamer neerzetten en verbiedt de bediende zijn aanwezigheid te onthullen.

Er zijn twee versies van het vervolg. Volgens de ene nodigt het koninklijk paar Meijerfeldt uit om naar zijn huis te komen, die een half uur later met het gezelschap arriveert en het koninklijk paar na lang zoeken vindt achter de gordijnen in Meijerfeldt’s slaapkamer. (4) Volgens de andere versie weet het bruidspaar helemaal van niets en laat zich bij thuiskomst in dezelfde kamer aangenaam verrassen. (5) De bruiloft wordt in beide versies met veel plezier voortgezet. Het edele druivenbloed ofwel de Rijnwijn vloeit rijkelijk tot drie uur in de nacht, waarbij Adolf Frederik de drinkers het goede voorbeeld geeft. Voor het eerst sinds hun troonsbestijging in 1751 is het koningspaar samen in het openbaar gezien. (6) 

Z.2 HuwelijkMiddelburgse Courant, 21 januari 1764, voorpagina

Op 18 december 1763 om 19:00 uur geeft de oude graaf Horn, oom van Johan August jr, een groot feest in zijn huis. Het koninklijk paar en het Hof zijn uitgenodigd en aanwezig. eerst is er een twee uur durend concert, dan couverts en tenslotte het bal of kaartspelen tot 6:00 uur in de morgen.

Bij al deze festiviteiten speelt er een verwikkeling. Tessin en zijn vrouw Ulla Sparre zijn tien jaar eerder in ongenade gevallen bij het koninklijke paar. Daarom praat het niet met de familie van de bruid. Voor Johan August jr levert dat als uitgesproken lid van de Hofpartij spanning op. Enkele maanden na de bruiloft brengt het jonge echtpaar een bezoek aan Tessin. Velen zien de ontmoeting met spanning tegemoet, omdat de oude staatsman zijn oogappel aan een van zijn tegenstanders is kwijtgeraakt. Beide heren putten zich echter uit in complimenten voor elkaar en de ontmoeting verloopt in een vriendelijke sfeer.

Johan August treedt kort voor zijn huwelijk als 1324ste lid toe tot de Vrijmetselarij in de loge “Adolf Fredrik”, die bestaan heeft tussen 1753 en 1775 en maar 135 leden heeft geteld. In de jaren zestig is hij bij uitstek een representant van de Hofpartij. Hij toont zich kritisch over de toenadering van de konin­gin tot de Hoedenpartij en tracht via de koning een coalitie te voorkomen. In verband met deze houding weet hij zich te handhaven, als de Mutsenpartij in 1765 de macht in alle staatsinstellingen verovert. In de Rijksdag 1765-1766 behoort hij binnen de 50 leden tellende delegatie van de adel tot de weinige representanten van de Hofpartij. Toch schijnt hij daarin nog zoveel mogelijk de zienswijze van de koningin te hebben uitgedragen. Eind 1768 steunt hij kroonprins Gustaaf III in een dramatische Senaatszitting, waarin koning Adolf Frederik – door enkele dagen werkelijk af te treden – een paar van zijn geringe bevoegdheden terugkrijgt. (7)

Het geslacht Meijerfeldt ondergaat in de jaren zestig veel wijzigingen. Louise baart eind 1766 een stamhouder voor het geslacht Meij­erfeldt. Het kind krijgt de weinig verrassende namen Johan August. Een tweede zoon, Axel Fredrik, wordt drie jaar later geboren. Een derde kind wordt dood geboren en begraven in de Jakobs- en Johanneskerk in Stockholm op 29 november 1773. (8) Carl Fredrik wordt door de koning in 1770 onderscheiden als Ridder van de Zwaard Orde (R.S.O.).

Adam Arvidsson Horn is in de jaren vijftig de belangrijkste staatsman van Zweden. Hij voert met zijn vrouw Anna Catharina Meij­erfeldt een grote hofhouding. Zo laten zij de schilder Pasch jr vier schilderijen voorstellende “De vier jaargetijden” maken voor hun buitengoed Fågelvik. Dochter Brita heeft een serieuze liefdesaffaire met de tweede zoon van de koning, prins Karel XIII. Horn is wel voorstander van een huwelijk, maar het Hof niet. De familie Von Fersen is doorslaggevend, omdat hun dochter Ulla en prins Fredrik ook al een huwelijk willen sluiten. Brita zoekt daarop vergetelheid bij haar grootmoeder Barnekow in Pommeren, die daar de laatste jaren van haar leven verblijft. Op 17 december 1771 schrijft Adam Horn een brief aan Brita, die op dat moment op Nehringen verblijft. De inhoud van deze brief onthult veel over de familie: (9)

La maladé de Notre Grand Mere me fait de la peine, mais a son age les infirmités sont communes et ont doit ce preparer alors aux evenemens que la Providence ordonne. Je suis bien ai se qu’Elle Vous aye remis Les Diamans de Votre Mere, qui a sa mort auroient pu ce perdre sans qu’on auriot sec ce qu’ils seroit dcvenus, et comme Votre Mere ce trouve dans une situation trop triste et malheuresement pour jamais esperer qu’elle puisse en faire usage je Vous en fait present et je Vous Les donne toutes.

Adam Horn is er bij het schrijven van deze brief blijkbaar nog niet van op de hoogte dat de ziekte van grootmoeder heeft geleid tot haar overlijden op 1 december. Zij wordt bij haar man in het familiegraf in de kapel van Nehringen bijgezet. Met de trieste en ongelukkige toestand van zijn vrouw doelt hij op haar langzaam groeiende krankzinnigheid. Om deze reden heeft hij getracht van haar te scheiden, maar is in die opzet niet geslaagd. (9) Hij concludeert dat het huwelijk hem weinig voordelen bracht, omdat hij naast de ziekte van zijn vrouw geen voordeel had van zijn schoonvader vanwege diens impopulariteit bij de legertop sinds de uitwisseling bij Poltava. Kort hierop overlijdt hij zelf, eind januari 1772, op 55-jarige leeftijd. Brita trouwt met graaf Claes Julius Ekeblad op Stola. Blijkens hun uitgebreide correspondentie hebben zij een gelukkig maar kinderloos huwelijk. Claes verblijft meestal aan het Hof in Stockholm en Brita op Stola, omdat zij niet zoveel vergevingsgezindheid kan opbrengen door een rol aan het Hof te aanvaarden. In 1791 verdrinkt zij zich in een depressieve bui bij Marieholm.

 

  1. S. Leijonhufvud, “Carl Gustaf Tessin och hans Åkerökrets”, Stockholm 1933, deel I, pag. 63-65.
  2. Leijonhufvud, deel II, pag. 92-96.
  3. M.J. Crusenstolpe, “Gustaaf III, zijn geslacht en zijn tijd. Tafereelen uit de Zweedse geschiedenis, Haarlem 1843, deel 1 en deel 2.
  4. F. Sparre, “Egenhändiga Anteckningar”, in “Portefeuille”, Stockholm 1837, deel 1,  pag. 93 e.v.
  5. M.J. Crusenstolpe, “Der Mohr oder das Haus Holstein-Gottorp in Schweden, deel I, Berlijn 1842, pag. 157-158.
  6. Ehrensvärd, deel I, pag. 329.
  7. L. Lundquist in Nilzén, “Svenskt Biografiskt Lexikon”, Stockholm 1986, pag. 476. M.F. Metcalf, “Russia, England and Swedish Party Politics 1762-1766”, Stockholm 1977, pag. 139. J. Breevoort, “Verhalen uit het Zweedse hofleven”, deel 1 “De koningin boven den koning”, Rotterdam 1916, pag. 172-173.
  8. Stadsarchiv Stockholm, Kyrkoböcker, Jakobs- och Johannes församlingar, Död- och begravingsbok 1736-1884 L-N, pag. 287, FIa:2 15.
  9. Riksarkivet Stockholm, Biographica M 8 b.
  10. M.J. Petry in zijn vertaling van Carl von Linné, “Nemesis Divina”, pag. 357.