1.7. Aan het Zweedse Hof

Graaf Johan August Meijerfeldt jr gaat in navolging van zijn vader interesse tonen in de politiek en neemt in Stockholm deel aan de Rijksdag 1751-1752. Eind 1751 wordt hij onderscheiden als Ridder in de Zwaard Orde (R.S.O.) en bevorderd tot majoor in het regiment van Cronhiort, waar hij de plaats van zijn broer zou hebben ingenomen, die enkele maanden eerder de actieve dienst heeft verlaten om Kamerheer te worden.

In 1753 overlijdt de moeder van Brita Barnekow, gravin Margaretha von Ascheberg.  Carl Fredrik jr schrijft een lijkrede in het Frans, getiteld: “Victime de la nature! Epouse du ciel!”. (1) Hij had de rede uit het hoofd geleerd en – terwijl hij in Kristianstad woonde – geoefend op de voordracht en de daarbij noodzakelijk geachte gebaren. Dit was gezien door personen die in een kamer recht tegenover de zijne woonden. Zij konden horen noch weten waar het om ging, dus al snel deed in de stad het gerucht de ronde dat graaf Meijerfeldt waanzinnig geworden was. (2)

De familietraditie getrouw behoort Johan August jr tot degenen, die het koninklijk gezag steunen, meestal aangeduid als Hofpartij. In de Rijksdag 1755-1756 betoont hij zich een vurig aanhanger van deze partij. Adolf Frederik, die inmiddels tot koning van Zweden is gekroond, heeft evenwel weinig macht, hetgeen de temperamentvolle Lovisa Ulrika – zuster van de Pruisische vorst Frederik de Grote – weinig zint. Zij beraamt een staatsgreep en Johan August, die al vroeg tot haar vertrouwelingen behoort, moet sympathiek tegenover het coupplan hebben gestaan. (3)

In ieder geval is Johan August betrokken bij de pogingen van de koningin geld in te zamelen om leden van de Rijskdag om te kopen. Nadat Frederik de Grote weigert 100.000 rijksdaalder te betalen en ook de Zweedse handel haar onvoldoende geld wil lenen, zendt zij hem via Hamburg naar haar broer August Wilhelm en diens vrouw Louisa Amalie van Brunswijk. De officiële oodracht luidt haar te berichten over het overlijden van haar zwager’s moeder, maar in werkelijkheid moet hij een groot bedrag lenen van de Hertog van Brunswijk. Deze stelt hem maar 6.000 dukaten ter beschikking, met de boodschap dat hij zonder behoorlijke financiële zekerheid niet meer kan uitlenen. Daarop zendt Lovisa Ulrika een ander naar Duitsland, om de Kroonjuwelen als onderpand over te dragen.

De Rijksdag komt zowel het coupplan als de juwelenzaak op het spoor. Er worden verscheidene arrestaties verricht en Johan August houdt zich verscholen in het familiekasteel Näsby. Hij wordt echter aangehouden en verhoord, waarbij hem getuigenissen en bekentenissen wor­den voorgehouden. Niettemin slaagt de jonge graaf er in – hier zou van een familietraditie kunnen worden gesproken – juist buiten de kring van hoofdverdachten te blijven en wegens gebrek aan bewijs buiten vervolging te worden gesteld.

Tijdgenoten schrijven Johan August toch een belangrijke rol in de juwelenzaak toe. President-kanselier Anders Johan von Höpken maakt zelfs een kanttekening bij een brief van 26 mei 1756 van de koningin aan de koning, waarin hij graaf Meijerfeldt aanwijst als degene die de Kroonjuwelen in zekerheid gaf aan de Hertog van Brunswijk, in ruil voor een wissel van 18.000 rijksdaalder. (5) Zijn opportunisme en Duitse spraakzaamheid worden als reden genoemd voor zijn afvaardiging naar de Hertog van Brunswijk. (5)

 

 

1. C. Aulin, “Christelig lik-predikan”, Lund 1759: C.F. Meijerfeldt, “Oraison funebre & panêgerique à l’occasion de la mort de la défunte comtesse ci-devant madame Marguerithe d’Ascheberg colonelle douairière de Barnekov…. solemnellement enterrée le 13. de Decembre 1753 dans l’Eglise à Witsköfle…”.
2. A. Barnekow, “Anteckningar om släkten Barnekow”, Kristianstad 1908, pag. 61.
3. Ook de opvolger van Frederik II de Grote van Pruisen, Frederik Willem II, heeft een temperamentvolle zus, Wilhelmina van Pruisen, die in 1787 met succes de steun van haar broer inroept om de opstand van de regenten tegen haar Nederlandse echtgenoot prins Willem V van Oranje de kop in te drukken.
4. A.J. von Höpken, “Höpkens skrifter”, ed. Silfverstolpe, Stockholm 1890, deel II, pag. 226-227.
5. G.J. Ehrensvärd, “Dagboksanteckningar förda vid Gustaf III:s Hof, Stock­holm, deel I, pag. 462-463.