1.7. Couppleger

Johan August is dood, lang leve Johan August!  In  navolging van zijn vader gaat de jonge graaf interesse tonen in de politiek. Hij is lid van de adellijke fractie van de Rijksdag in Stockholm en neemt deel aan de zitting 1751-1752.

Carl Fredrik jr wordt op 19 september of 22 oktober 1750 bevorderd van kapitein tot majoor in zijn regiment of in dat van Österbotten. Eind 1751 ontvangt Johan August jr de onderscheiding Ridder in de Zwaard Orde, één van de onderscheidingen die de inmiddels overleden koning Frederik I enkele jaren eerder in het leven had geroepen. Deze orde verwijst terug naar de Orde van de Zwaardbroeders in Lijfland. Johan August jr is door geboorte van adel en officier; daarom is hij anders dan zijn vader ontvankelijk voor verdere onderscheidingen.

Op 19 maart 1752 is het de beurt aan Johan August om op te klimmen van kapitein tot majoor. Dat doet hij in het regiment van Cronhiort, waar hij de plaats van zijn broer Carl Fredrik overneemt, die enkele maanden eerder de actieve dienst verlaat om Kamerheer te worden.

In 1753 overlijdt de moeder van Brita Barnekow, gravin Margaretha von Ascheberg.  Carl Fredrik jr schrijft een lijkrede in het Frans, getiteld: “Victime de la nature! Epouse du ciel!”. (1) Hij leert de rede uit het hoofd en – terwijl hij in Kristianstad woont – oefent hij op de voordracht en de daarbij noodzakelijk geachte gebaren. Dit was gezien door personen die in een kamer recht tegenover de zijne wonen. Zij kunnen horen noch weten waar het om gaat, dus al snel doet in de stad het gerucht de ronde dat graaf Meijerfeldt waanzinnig geworden is. (2)

De familietraditie getrouw behoort Johan August jr tot degenen, die het koninklijk gezag steunen, meestal aangeduid als Hofpartij. In de Rijksdag 1755-1756 betoont hij zich een vurig aanhanger van deze partij. Adolf Frederik van Holstein-Gottorp, in 1743 door de Rijksdag tot koning van Zweden gekozen, heeft evenwel weinig macht, hetgeen de temperamentvolle Lovisa Ulrika – zuster van de Pruisische vorst Frederik de Grote – weinig zint. Zij beraamt een staatsgreep. (3)

In de lijsten van de belangrijkste coupplegers komt Johan August niet voor, maar hij hoort al vroeg tot haar vertrouwelingen en staat minstens sympathiek tegenover het coupplan. In elk geval is hij betrokken bij de pogingen van de koningin geld in te zamelen om leden van de Rijskdag om te kopen. Nadat Frederik de Grote weigert 100.000 rijksdaalder te betalen en ook de Zweedse handel haar onvoldoende geld wil lenen, zendt zij Johan August via Hamburg naar haar broer August Wilhelm en diens vrouw Louisa Amalie van Brunswijk. De officiële opdracht luidt haar te berichten over het overlijden van haar zwager’s moeder, maar in werkelijkheid moet hij een groot bedrag lenen van de Hertog van Brunswijk. Deze stelt hem maar 6.000 dukaten ter beschikking, met de boodschap dat hij zonder behoorlijke financiële zekerheid niet meer kan uitlenen. Daarop zendt Lovisa Ulrika een ander naar Duitsland, om de Kroonjuwelen als onderpand over te dragen.

De Rijksdag komt zowel het coupplan als de juwelenzaak op het spoor. Er worden op 22 juni 1756 verscheidene arrestaties verricht. Johan August adviseert het koningspaar naar Uppsala uit te wijken om daar nieuwe plannen te smeden, maar ze volgen het advies van Horn op om gewoon naar het paleis te gaan. Die nacht bespreekt Johan August intensief met hen wat er moet gebeuren en houdt zich vervolgens verscholen in het familiekasteel Näsby. Hij wordt echter aangehouden en verhoord, waarbij hem getuigenissen en bekentenissen van hoofdverdachte Brahe wor­den voorgehouden. Door gedeeltelijk schuld te bekennen en sterke verwijten in ontvangst te nemen ontkomt Johan August aan de pijnbank en wordt gepardonneerd. (4)

Tijdgenoten schrijven Johan August een belangrijke rol in de juwelenzaak toe. President-kanselier Anders Johan von Höpken maakt zelfs een kanttekening bij een brief van 26 mei 1756 van de koningin aan de koning, waarin hij graaf Meijerfeldt aanwijst als degene die de Kroonjuwelen in zekerheid gaf aan de Hertog van Brunswijk, in ruil voor een wissel van 18.000 rijksdaalder. (5) Zijn opportunisme en Duitse spraakzaamheid worden als reden genoemd voor zijn afvaardiging naar de Hertog van Brunswijk. (6)

Gezien zijn ongelukkige start in de vaderlandse politiek, besluit Johan August jr zijn geluk opnieuw in de buitenlandse oorlogen te beproeven. Hij stelt zich in dienst van Brunswijk, dat door bloedbanden aan het Oostenrijkse vorstenhuis is verbonden. Daar is een jonge hertog aan de regering gekomen: Ferdinand (1734-1806), die zich door het aan Pruisen geallieerde Engeland-Hannover heeft laten inhuren. Johan August treedt in dienst van deze doortastende veldheer. Op 26 juli 1757 maakt hij de  Slag bij Hastenbeck nabij Hamelen mee. Frankrijk is de winnaar. Vanuit Brunswijk schrijft hij brieven aan koningin Lovisa Ulrika (ondermeer op 1 februari en 9 maart 1757) over haar broer de koning van Pruisen. Hij doet haar bijvoorbeeld het bijzondere voorstel om tarwe in de provincies te laten uitdelen om loyaliteit bij de boeren te verkrijgen en haar broer hiertoe te vragen zijn reserves aan te spreken. (7)

Dat Frankrijk opeens de tegenstander is heeft te maken met de renversement des alliances na de Vrede van Aken van 1748. Pruisen slaagt er in Engeland en Hannover tot een neutrale politiek te bewegen, wat tot een ommezwaai leidt van Frankrijk ten gunste van Oostenrijk, dat zich op zijn beurt met Rusland en Saksen-Polen verbindt. Als Frederik de Grote van Pruisen zich eind augustus 1756 laat verleiden tot een inval in Saksen is de Zevenjarige Oorlog een feit. Hertog Lodewijk Ernst van Brunswijk (1718-1788) verleent zijn staats- en krijgsdiensten aan de neutrale Nederlanden, als beschermer van het Huis van Oranje en kapitein-generaal van het leger van de Republiek. In de periode 1759-1766 is de hertog voogd-stadhouder over de Nederlanden, zolang prins Willem V van Oranje minderjarig is.

In de nazomer van 1757 kiest Zweden partij in de oorlog. Gelet op de aanspraken van Pruisen op Voor-Pommeren wordt gekozen voor de alliantie tegen Pruisen. De oorlogszuchtige partij van de Hoeden heeft de overhand in de Rijksdag en is zelfs uit op herovering van Achter-Pommeren. De Zweedse koning vaardigt een verbod voor zijn onderdanen uit om wapenen ten gunste van Pruisen en zijn bondgenoten te dragen. Hoewel Johan August niet in Pruisische dienst staat, geldt het verbod ook voor hem. Hij aarzelt echter om de actieve veldtochten onder de bekwame Hertog van Brunswijk in te ruilen voor een afwachtende garnizoensbaan in een Pommerse vestingstad. Dat hij aan het ver­bod geen ogenblikkelijk gehoor geeft, stoort de Zweedse regering in hoge mate. Op 8 november schrijft Von Höpken aan Adam Arvidsson Horn: “Il se trouve d’autre Suédois dans les troupes de Brunsvig, mais je n’en fait point de cas, parce qu’ils se trouvent exilés et expatriés. Je m’interesse uniquement a M. le comte Meyerfelt par l’interet que vous prenez à ce qui le touche.” (8) Deze nog welwillende houding moet worden toegeschreven aan Johan August’s hoge komaf en aan het feit dat Zweden weinig officieren telt, die zo met de oorlog vertrouwd zijn.

De Zweedse legers beginnen succesvol met de veroveren van Stettin. Geleidelijk worden ze echter over de grens teruggedrongen. Op 30 december krijgt de Zweedse verdediging van de Trebelovergang bij Nehringen opdracht zich naar Tribsees terug te trekken. Misschien is dit het signaal voor Johan August om aan de bevelen van de koning gehoor te geven. Hij staat op dat moment aan het front bij het door de Fransen veroverde Hannover en spoedt zich vandaar naar Stralsund, om tegen de Pruisische blokkade van de stad deel te nemen.

 

 

1. C. Aulin, “Christelig lik-predikan”, Lund 1759: C.F. Meijerfeldt, “Oraison funebre & panêgerique à l’occasion de la mort de la défunte comtesse ci-devant madame Marguerithe d’Ascheberg colonelle douairière de Barnekov…. solemnellement enterrée le 13. de Decembre 1753 dans l’Eglise à Witsköfle…”.
2. A. Barnekow, “Anteckningar om släkten Barnekow”, Kristianstad 1908, pag. 61.
3. Ook de opvolger van Frederik II de Grote van Pruisen, Frederik Willem II, heeft een temperamentvolle zus, Wilhelmina van Pruisen, die in 1787 met succes de steun van haar broer inroept om de opstand van de regenten tegen haar Nederlandse echtgenoot prins Willem V van Oranje de kop in te drukken.
4. Personer vid Riksens Högl. Ständers Commission (…) hörde under Riksdagen i Stockholm år 1756, Uti saken rörande det här i Staden anlagde upror, Handlingar rörande Skandinaviens historia”, deel 13, pag. 307.
5. A.J. von Höpken, “Höpkens skrifter”, ed. Silfverstolpe, Stockholm 1890, deel II, pag. 226-227.
6. G.J. Ehrensvärd, “Dagboksanteckningar förda vid Gustaf III:s Hof, Stock­holm, deel I, pag. 462-463.
7. F.A. von Fersen, “Historiska Skrifter”, Stockholm 1869, deel 2, pag. 228-308. Riksarkivet, Stafsundsarkivet, vol. 29.
2. A.J. von Höpken, “Höpkens skrifter”, ed. Silfverstolpe, Stockholm 1890, deel 1, pag. 355-356.