2.4.1. Weg uit Rotterdam

De binding van de Nederlandse familie Von Meijenfeldt met de stad Rotterdam begint in 1810 en verwatert al weer vanaf 1850. In 1858 zijn alle leden van de eerste generatie overleden. Hendrik wordt in 1859 nog wel door zijn werkgever van Schiedam naar Rotterdam teruggeroepen en krijgt daar zijn oude rang terug. Hij stijgt korte tijd later tot Commies der Tweede Klasse en krijgt Delfshaven als nieuwe standplaats.

Carl zit al tien jaar in Amsterdam als hij in 1860 de betrekking Bewaarder bij de Magazijnen van de Marine krijgt toegewezen. Hij had het jaar daarvoor weer een dochter Petronella Wilhelmina gekregen en al na 10 maanden verloren. Kort daarna wordt Carl bevorderd tot Conserveerder van eiken- en andere houtwaren. Hij staat onder het directe bevel van de Magazijnmeester en is speciaal belast met de sortering, conservatie en afgifte van de verschillende houtwaren, waarbij hij van een eigen waarmerk gebruik maakt. Het gaat niet alleen om het aangevoerde en onder zijn beheer in de molen of op de werf te zagen ruwe hout, maar ook om het bij de scheepsbouw vrijkomende afvalhout, dat hij in bruikbaar, wrak en onbruikbaar moet sorteren.

Carl krijgt in 1862 een zoon Pieter en in 1864 Hendrik Diederich. In verband met deze uitbreiding verhuist hij in 1866 naar de Kattenburgergracht 530. Hendrik krijgt in dat jaar een nieuwe standplaats, namelijk Dordrecht.

In 1867 sluit Carl zich aan bij de Gereformeerde Kerk van Amsterdam en laat daar zijn vier jongste kinderen dopen. Sinds zijn verhuizing van Rotterdam naar Amsterdam had hij ze niet Luthers laten dopen. Bij Koninklijk Besluit van 1868 wordt de betrekking van Conserveerder opgeheven. Carl krijgt eervol ontslag en wordt in zijn 53-ste levensjaar op wachtgeld gezet. Het jaarlijkse inkomen voor het grote gezin is vanaf dat moment 500 gulden. Carl’s zoon Pieter is in 1871 slachtoffer van een pokkenepidemie.

De dochter van Hendrik wordt door dominee Fruijn in de Augustijnenkerk te Dordrecht bevestigd in 1870. Dit is de oudste Hervormde kerk van Nederland. Dat bekent dat ook Hendrik van de Lutherse naar de Gereformeerde kerk is overgestapt. Twee jaar later overlijdt zijn dochter op 20-jarige leeftijd. Hendrik krijgt in 1872 op 61-jarige leeftijd eervol ontslag met behoud van pensioen, waarbij zijn 15 zeejaren overigens abusievelijk over het hoofd worden gezien. (1)

Carl’s dochter Cato trouwt 1874 met Jan van der Tas. Jan was in 1848 in Wateringen geboren als zoon van zoon van broodbakker Leendert van der Tas (1824-1885) en Johanna Beekenkamp v/h geh. Nicolaas van der Vlugt (1822-1863). Jan was op 24-jarige leeftijd naar Amsterdam gekomen met zijn even oude verloofde Maria Otten, die korte tijd later het veld ruimde. Hij had in 1872 de kruidenierswinkel “De hand naar Leiden” op de Leidschestraat bij het Koningsplein gekocht. Cato krijgt acht kinderen bij Jan. Jan is tot zijn dood diaken in de Gereformeerde Kerk en bestuurslid van het oude mannen- en vrouwenhuis, waar hij bekend staat als “Vader Van der Tas”. Hij is medeoprichter van het suppletiefonds voor Christelijke Verzorging van behoeftige krankzinnigen. (2) Bij de huwelijken van de kinderen van Cato verzorgden haar broers Carl, Frits en Hendrik von Meijenfeldt de (christelijke) ceremonie.

Jan, de oudste zoon in de tweede generatie, overlijdt in 1878 op 70-jarige leeftijd ongehuwd en kinderloos. Hendrik wordt vermoedelijk door de buurt gewaarschuwd en reist twee dagen later per spoor naar hem toe. Hij moet een smid laten komen om twee slotjes open te breken. Hij wikkelt de begrafenis af en noteert aan baten 278,37 gulden tegen 40,22 gulden aan kosten, waardoor de drie erfgenamen ieder 80 gulden ontvangen.

De tweede zoon van Carl – Carl Frederik – begint als kantoorbediende en wordt al snel handelsreiziger in horloges. Vanuit het Zwitserse Chaux de Fonds schrijft hij op 23 juli 1879 in een verjaardagswens aan zijn jongere broer Frits:

Maandag ben ik naar Fontainemelon geweest, en heb aldaar een fabriek bezigtigd, alwaar men de mouvementen voor een horloge in het ruw vervaardigt. Deze fabriek wordt door stoom gedreven, er werken ongeveer 200 mannen, meisjes en vrouwen op, en de bezichtiging van een en ander is zeer interessant. Bij die gelegenheid heb ik ook de Zwitserse Alpen gezien, wat een ontzaggelijk trotsch gezicht is, het zijn vervaarlijk hooge bergen, wier toppen met eeuwige sneeuw bedekt is. (…) Aldaar groeien de aardbezien zoo maar in ’t wild, en ik heb mij met de meisjes van den Heer Jules Billon vermaakt, met het zoeken en plukken dier vrucht.”

Twee jaar later huwt hij Margaretha (Margré) de Haas, dan 25 jaar oud. Zij gaan wonen aan de Vondelkade 155 in Amsterdam.

De jongste zoon van Carl – Hendrik – werkt 1879 al op 14-jarige leeftijd zes maan­den bij Willem B. Posno. Hij krijgt een getuigschrift:

… en hem steeds bewijzen van werk­zaam­heid en volwas­sen­heid heeft ge­geven terwijl het slechts met leedwezen is, dat hij ge­noem­den heer, op ver­zoek zijns vaders, uit zijnen dienst ont­slaat.

 

1. Uitvoerige documentatie om dit kwaad recht te zetten in het Familiearchief [DF/N.3/61-66].

2. De Spiegel, Weekillustratie voor het Christelijk Gezin, 27 juni 1908, blz. 308.