1.3.2. Achtervolging door Polen

In het voorjaar van 1702 besluit de Zweedse koning Karel XII om de grens van Litouwen naar Polen over te steken. In plaats van de Poolse Landdag moet geweld de Saksische koning Augustus II de Sterke van de Poolse troon stoten. Hij drijft zijn vijand steeds verder voor zich uit. Daarbij blijft hij een bijzondere voorkeur voor Johan August Meijerfeldt houden als het om het uitvoeren van speciale missies gaat. Hij wordt niet alleen op verkenning uitgezonden, maar moet ook onaangenaam werk doen: contributie of proviand bij de lokale bevolking invorderen en de overgave van weerspannige vestingen opeisen.

Carl Fredrik Meijerfeldt blijft met het regiment Österbotten achter in het Baltische gebied. Daar houdt hij zich ook bezig met de politiek, getuige een brief van hem, gedateerd 1 juni 1702, aan Riga’s gouverneur Frölich. Hij meldt van de geallieerde Litouwse vorst Sapieha te hebben vernomen, dat in Polen een Turkse gezant actief is. Deze zou het doel hebben een gezamenlijk aanvalsverdrag tussen Turkije en Polen tegen Rusland te sluiten, waardoor de Saksisch-Poolse koning als vijand zou moeten worden afgezworen. Duidend op de overeenkomst tussen dit streven en de politiek van de koning van Zweden, besluit Meijerfeldt zijn brief met de woorden “so (scheint) den werke gott bestetigen woll(en)”. (1)

Op 3 juli 1702 wordt Johan August door de koning met 600 ruiters op verkenning gestuurd naar Klissov, een stadje in het centrum van Polen, waar zich een Saksisch leger van 3000 man moet bevinden, en naar Opieza, waar 200 Kozakken vergeefs aanvallen ondernemen. Onderweg vlucht de Poolse bevolking voor hem uit en steekt al haar bezittingen in brand. Ook neemt hij op de 6de juli enkele Polen gevangen, waaronder een aanzienlijke wojvod (vorst). In de loop van de avond laat hij hem vrij, maar dat weerhoudt de wojvod er niet van de volgende avond de aanval te openen, overigens vergeefs. (2) Ongezien kan Johan August daarna de Saksen benaderen en constateren dat zich een groot Saksisch-Pools leger heeft verzameld onder aanvoering van koning Au­gustus zelf. (3)

Johan August haast zich naar het Zweedse kamp terug en brengt op 9 juli rapport uit aan zijn koning. Zijn jongere broer Wolmar Johan komt hier voor het eerst in de schijnwerpers als hij getuige is van de rapportage. (4) Het is mogelijk dat Wolmar bij het regiment van zijn broer dienst doet. Rond deze tijd moet hij bovendien tot de rang van overste zijn bevorderd.

Karel XII besluit onmiddellijk slag te leveren. Johan August is een van de weinige aides-de-camp-generaux bij de koning, als deze bij de opstelling in slagorde van de ene stelling naar de andere ijlt. (5) De slag bij Klissov wordt met grote overmacht gewonnen, maar tot een capitulatie komt het niet. In het nabij gelegen Pinczow stationeert Johan August op 16 augustus de buitgemaakte artilleriegoederen en de Zweedse gewonden.

Terwijl de hoofdmacht verder zuidwaarts trekt, gaat kolonel Meijerfeldt op pad om de omgeving contributie op te leggen. Aanvankelijk had Karel XII dat verboden met het doel de Poolse edelen op zijn hand te krijgen. Nu daarvan geen sprake is wordt de Zweedse repressie voor de bevolking steeds zwaarder. Nadat hij op 18 augustus Buschke heeft aangedaan trekt Meijerfeldt de 21ste plunderend door Neustadt, dat de volgende dag zelfs in brand wordt gestoken vanwege een weigerachtige houding. Hij maakt veel paarden buit, arresteert vijandelijke Polen en arriveert de 25ste in Pinczow. (6)

Johan August begeeft zich vervolgens naar de Zweedse hoofd­macht in Krakau (Krakow), maar op 3 september krijgt hij opdracht met 600 ruiters naar Pinczow terug te keren, omdat de bevolking geen levensmiddelen afstaat en de vijandelijke troepen zich daar samentrekken. Hij stormt de stad binnen en de bevolking staat – zijn reputatie als brandstichter kennende – onmiddellijk voedsel af. In verband met de dreigende Saksische omsingeling wil hij de stad ontruimen, maar de koning bericht hem hiervoor onvoldoende paarden te kunnen leveren. (7)

Van de kolonel komt op 6 oktober de mededeling, dat hij de gewonden en het geschut heeft overgebracht naar Opatowitz (Opatow). Onderweg heeft hij Polen overrompeld en verjaagd. Een dag later arri­veert hij in het Zweedse hoofdkwartier met 40 paarden en keert een dag later terug naar Opatowitz. (8) De koning, die herstellende is van een beenbreuk, bezoekt hem daar op zijn eerste rit op 30 oktober. Hij laat die dag de Saksische gevangenen vrij. (9) 
Johan August krijgt in die tijd zoveel speciale opdrachten, dat hij niet altijd beschikbaar kan zijn. Zo doet generaal-majoor Stenbock meermalen beroep op de kolonel met zijn 600 ruiters, maar de koning antwoordt meer dan eens, dat hij hem zelf nodig heeft. (10) Stenbock is een veelgeprezen officier, maar hij maakt met vrijwel iedereen ruzie binnen het Zweedse leger, vanaf dat moment ook met de Meijerfeldts. 

Majoor Carl Fredrik Meijerfeldt, gelegerd in Sehlburg, stuit 28 december 1702 op een groep van Bandomer, net terug met veel oorlogsbuit uit Lijfland. De groep raakt alles kwijt en een aantal leden moet het met de dood bekopen. (11)

 

 

1. H.E. Uddgren, “Något om Karl XII:s stallning till kriget med Ryssland och försvaret af Östersjöprovinserna under åren 1702-1706”, KFÅ (Karolinska Förbundets Årsbock) 1910, Lund 1911, pag. 90.

1. A. Lewenhaupt, “Leonhard Kaggs Dagbok 1698-1722”. HH (Historiska Handlingar) 24, pag. 32. Ranft, pag. 280.
2. C.P.H. Sperling, “Dagbok”, KKD III, Lund 1907, pag. 26 en 31.
3. J. Lyth, “Dagböck”, KKD II, Lund 1903, pag. 146.
4. Nordberg I, pag. 238-241. Le Long II, pag. 281.
5. J. Cederhielm, “Dagboksfragment”, KKD X, Lund 1914. pag. 454. Lyth, pag. 170. Lewenhaupt, pag. 38.
6. Carlson (1894), pag. 336-337. Le Long II. pag. 286. Nordberg I, pag. 259. Sperling, pag. 32.
7. Lyth, pag. 176-177.
8. Nordberg I, pag. 227.
9. Carlson (1894), pag. 282-283.
10. Bengtsson, pag. 148. Lyth, pag. 183. Adlerfelt, pag. 140. In een brief van 6 april 1703 wordt geklaagd over de geringe problemen die Meijerfeldt heeft en de oneerlijke verdeling van het geld (“In de wereld is geen volk zo onbetrouwbaar als de Polen”): « De la Gardiska Archivet eller Handlingar ur Grafl. De la Gardiska Bibliotheket på Löberöd », Lund 1837, pag. 168-169.
10. Nordberg I, pag. 384.

11. Le Long II, pag. 472.