1.2.4. Achtervolging door Polen

Koning Karel XII valt Polen binnen en drijft zijn vijand steeds verder voor zich uit. Hij blijft een bijzondere voorkeur voor Johan August houden als het om het uitvoeren van speciale missies gaat. Hij wordt vaak op verkenning uitgezonden, moet contributie of proviand bij de lokale bevolking invorderen en de overgave van weerspannige vestingen opeisen.

Op 3 juli 1702 wordt Johan August door de koning met 600 ruiters op verkenning gestuurd naar Klissov, een stadje in het centrum van Polen, waar zich een Saksisch leger van 3000 man moet bevinden, en naar Opieza, waar 200 Kozakken vergeefs aanvallen ondernemen. Onderweg vlucht de Poolse bevolking voor hem uit en steekt al haar bezittingen in brand. Ook neemt hij op de 6de juli enkele Polen gevangen, waaronder een aanzienlijke wojvod (vorst). In de loop van de avond laat hij hem vrij, maar dat weerhoudt de wojvod er niet van de volgende avond de aanval te openen, overigens vergeefs. (1) Ongezien kan Johan August daarna de Saksen benaderen en constateren dat zich een groot Saksisch-Pools leger heeft verzameld ondcr aanvoering van koning Au­gustus zelf. (2)

Johan August haast zich naar het Zweedse kamp terug en brengt op 9 juli rapport uit aan zijn koning. Zijn jongere broer Wolmar Johan komt hier voor het eerst in de schijnwerpers als hij getuige is van de rapportage. (3) Het is mogelijk dat Wolmar bij het regiment van zijn broer dienst doet. Rond deze tijd moet hij bovendien tot de rang van overste zijn bevorderd.

Karel XII besluit onmiddellijk slag te leveren. Johan August is een van de weinige aides-de-camp-generaux bij de koning, als deze bij de opstelling in slagorde van de ene stelling naar de andere ijlt. (4) De slag bij Klissov wordt met grote overmacht gewonnen, maar tot een capitulatie komt het niet. In het nabij gelegen Pinczov (Pinczow) stationeert Johan August op 16 augustus de buitgemaakte artilleriegoederen en de Zweedse gewonden.

Terwijl de hoofdmacht verder zuidwaarts trekt, gaat kolonel Meijerfeldt op pad om de omgeving contributie op te leggen. Aanvankelijk had Karel XII dat verboden met het doel de Poolse edelen op zijn hand te krijgen. Nu daarvan geen sprake is wordt de Zweedse repressie voor de bevolking steeds zwaarder. Nadat hij op 18 augustus Buschke heeft aangedaan trekt Meijerfeldt de 21ste plunderend door Neustadt, dat de volgende dag zelfs in brand wordt gestoken vanwege een weigerachtige houding. Hij maakt veel paarden buit, arresteert vijandelijke Polen en arriveert de 25ste in Pinczov. (5)

Johan August begeeft zich vervolgens naar de Zweedse hoofd­macht in Krakau (Krakow), maar op 3 september krijgt hij opdracht met 600 ruiters naar Pinczov terug te keren, omdat de bevolking geen levensmiddelen afstaat en de vijandelijke troepen zich daar samentrekken. Hij stormt de stad binnen en de bevolking staat – zijn reputatie als brandstichter kennende – onmiddellijk voedsel af. In verband met de dreigende Saksische omsingeling wil hij de stad ontruimen, maar de koning bericht hem hiervoor onvoldoende paarden te kunnen leveren. (6)
Van de kolonel komt op 6 oktober de mededeling, dat hij de gewonden en het geschut heeft overgebracht naar Opatowitz (Opatow). Onderweg heeft hij Polen overrompeld en verjaagd. Een dag later arri­veert hij in het Zweedse hoofdkwartier met 40 paarden en keert een dag later terug naar Opatowitz. (7) De koning, die herstellende is van een beenbreuk, bezoekt hem daar op zijn eerste rit op 30 oktober. Hij laat die dag de Saksische gevangenen vrij. (8)
Johan August krijgt in die tijd zoveel speciale opdrachten, dat hij niet altijd beschikbaar kan zijn. Zo doet generaal-majoor Stenbock meermalen beroep op de kolonel met zijn 600 ruiters, maar de koning. antwoordt meer dan eens, dat hij hem zelf nodig heeft. (9)

Zeer tegen de gewoonte van de veldtochten in die tijd, slaat Karel XII geen winterkwartier op, maar blijft diep in Polen zijn vijand Augus­tus achtervolgen. Op 20 december 1702 arriveert een deel van het Zweedse leger onder Karel XII voor de poorten van de zich verzettende stad Lublin. Johan August krijgt opdracht de stad binnen te gaan met een detachement infanterie en dragonders, om een brandschatting van 50.000 rijksdaalder in te vorderen. Hij geeft de stad een ultimatum van 10 dagen en om dat kracht bij te zetten laat hij zijn soldaten goed zichtbaar toortsen van stro en teer maken. Ondanks deze aansporing weet de bevolking maar 30.000 rijksdaalder bij elkaar te krijgen, maar tot haar grote opluchting stelt de koning zich hiermee tevreden. De kolonel blijft achter in de stad, om de huizen van protesterende burgers te slopen. Op 27 maart 1703 verlaat hij Lublin met het losgeld en wordt al snel achtervolgd door een Poolse troepenmacht onder wojvod Potochi van Kiow. Hij weet de achtervolgers echter zonder verliezen van zich af te schudden en marcheert veilig naar Kazimirz en daarna naar Warschau (Warszawa). (10)

Inmiddels profiteert tsaar Peter de Grote van de afwezigheid van de Zweedse hoofdmacht in Lijfland. Voortdurend en met een slopend verlies worden de Zweedse garnizoenen door de Moskovieten aangevallen. Majoor Carl Fredrik Meijerfeldt, nog steeds commandant van Sehlburg, moet op 22 februari 1703 in actie komen, omdat een vijandelijk leger van 2000 man over de bevroren Duna Lijfland is binnengevallen en bij Stockmannshof (Plavinas) aan het plunderen is geslagen. Hij neemt slechts 18 ruiters en 70 soldaten te voet met zich mee, maar jaagt hen niettemin op de vlucht. Zonder verliezen aan zijn kant herovert hij de buit, doodt 6 vijanden en neemt er 2 gevangen. (11)

De 14-jarige prins Maximiliaan Emanuel von Würtemberg komt naar het zomerkamp van het Zweedse hoofdleger, teneinde oorlogservaring op te doen bij de dan al legendarische Karel XII. De laatste stelt samen met Johan August de prins op de proef, door zich op een nachtelijke rit voor te doen als Saksische wachtpost. (12) In de zomer en het najaar van 1703 verblijft Johan August in het Pruisische deel van Polen en neemt daar onder andere deel aan de belegering van Thorn (Torún).

De periode van avontuurlijke verkenningstochten is voorbij als de koning Johan August benoemt tot kolonel over een eigen regiment. Hij mag als basis het regiment Lijflandse dragonders nemen, maar moet de rest aanwerven en voor de kosten daarvan zelf zorgdragen. Op 20 november worden de nieuwe soldaten voor het regiment geworven op de markt van Topolno, een klooster 5 mijl noordwestelijk van Thorn over de Weichsel (Wisła). Het regiment telt 600 dragonders (inclusief staf e.d. 728 man) van 8 compagnieën. Tegen een werfgeld van 60 rijksdaalder per man en een dienst tot eind april 1707 worden de mannen in blauwe uniformen met gele lijnen gehesen. De staf bestaat uit ervaren Zweedse officieren, waaronder de plaatsvervangend chef Trautvetter, die vaker aan de zijde van Johan August zal opduiken. (13) Die winter blijft het regiment liggen in Neumark (aan de rivier de Drewens onder Bran­denburg).

Begin 1704 wordt Johan August bevorderd tot generaal-majoor van de cavalerie. In die rang fungeert hij vaak als chef van de lijfwacht van de koning aan het Zweedse hof te Rawicz. (14)

Wolmar Johan heeft in 1704 een conflict met de zojuist genoemde gene­raal-majoor Stenbock, die zich er in een brief aan de koning over beklaagt dat de overste – na te zijn ontboden – had geopponeerd tegen de autoriteit van de koning en de chaotische toestanden aan het thuisfront. Hij had ook schertsend en respectloos het woord gevoerd. Bovenal zou hij evenwel heimelijk met invloedrijke buitenlandse officieren hebben samengespannen. Stenbock wijst de koning op de vaste procedures, die de krijgstucht voor dergelijke misdrijven voorschrijft. (15) Van een procedu­re is echter niets bekend.

1. A. Lewenhaupt, “Leonhard Kaggs Dagbok 1698-1722”. HH (Historiska Handlingar) 24, pag. 32. Ranft, pag. 280.
2. C.P.H. Sperling, “Dagbok”, KKD III, Lund 1907, pag. 26 en 31.
3. J. Lyth, “Dagböck”, KKD II, Lund 1903, pag. 146.
4. Nordberg I, pag. 238-241. Le Long II, pag. 281.
5. J. Cederhielm, “Dagboksfragment”, KKD X, Lund 1914. pag. 454. Lyth, pag. 170. Lewenhaupt, pag. 38.
6. Carlson (1894), pag. 336-337. Le Long II. pag. 286. Nordberg I, pag. 259. Sperling, pag. 32.
7. Lyth, pag. 176-177.
8. Nordberg I, pag. 227.
9. Carlson (1894), pag. 282-283.
10. Bengtsson, pag. 148. Lyth, pag. 183. Adlerfelt, pag. 140. In een brief van 6 april 1703 wordt geklaagd over de geringe problemen die Meijerfeldt heeft en de oneerlijke verdeling van het geld (“In de wereld is geen volk zo onbetrouwbaar als de Polen”): « De la Gardiska Archivet eller Handlingar ur Grafl. De la Gardiska Bibliotheket på Löberöd », Lund 1837, pag. 168-169.
11. Le Long II, pag. 472.
12. M.E. Wirtemburg, “Memoires de Maximilien Emanuel, prince de Wirtemburg”, Amsterdam/Leipzig 1740, pag. 45. H. Villius. “Ogenvitten Karl XII”, Stockholm 1960, pag. 61-62.
13. G. Tessin, “Die Deutschen Regimenter der Krone Schweden”, deel II (1660-1718), pag. 218-222.
14. Villius, pag. 63 (steunend op het relaas van een ontbijt te Rawicz van een onbekende monnik).
15. M. Stenbock, “Bref till Carl XII”, KKD XII, Lund 1918, pag. 261-262