1.8.3. Testament

Het overlijden van de laatste Zweedse graaf Von Meijerfeldt is het startpunt voor het vervullen van zijn laatste wil. Hij had namelijk na het verlies van zijn jongste zoon Axel Friedrich begin 1795 samen met de gravin een testament laten opmaken door hun advocaat Johann Christian PommerEsche (1734-1814), Kanselier, Hofraad en Procurator Fisci et Domanii. Voor de ceremonie had de burgemeester van Stralsund de stadssenatoren Dinnies en Kühl afgevaardigd, om zich op 10 juni 1795 ‘s middags om vier uur bij het Rotermunder Haus in de Badenstraβe te melden. Daar hadden zij PommerEsche en het voor het gebruikelijke zomerverblijf overgekomen echtpaar aangetroffen. De graaf en de gravin hadden het testament ondertekend en verzegeld en de senatoren verzocht het in het archief van de Raad te doen deponeren. (1)


Laatste bladzijde van het testament

In het testament verklaart het echtpaar van hun gezamenlijke kinderen beroofd te zijn en hun bezit onderling te willen verdelen. Zij zullen eige­naar worden van elkaars roerende zaken: juwelen, goud, zilver, koper, tin en messing, huis- en keukenraad, bedden, linnen, wagens, paarden en vee op de landgoederen en in de steden in Pommeren en Zweden. Van de onroerende zaken krijgen zij het vruchtgebruik, en ook het recht om het te verhuren en verkopen: het nieuw gebouwde landhuis in Nehringen, het  Rotermundhuis in Stralsund, het paleis in Stockholm en de landgoederen Näsby, Sundby en Ugerup. Op deze zaken rusten financiële verplichtingen jegens de erfgenamen van zus Anna Catharina en van moeder Brita Barnekow.

Volgens het testament moet in Nehringen een ‘Meyer­feldtschen Armenhaus’ worden gebouwd, waar vier vrouwelijke en vier mannelijke behoeftige bejaarden gratis kost, inwo­ning en brandhout krijgen. In het dorp blijkt niet hoe hieraan gevolg is gegeven. De kleine vakwerkhuizen zijn ouder en bestemd voor de pastor en de koster. Vóór en na 1800 is er wel een ‘Gräflich v. Meyerfeldtsche Stiftung‘, maar daarover staat niets in het testament. Uit een fonds worden twee plaatsen gefinancierd in het door de Zweedse koningin Ulrike Eleonore in 1733 opgezette Adeliges Fräuleinstift in Barth. Ongehuwde jonkvrouwen uit Zweedse geslachten met leengoederen in Pommeren beschikken in dit prachtige renaissance gebouwencomplex over een vier-kamer-appartement, leggen geen gelofte af en zijn vrij het gebouw te verlaten. Nog in 1907 worden twee jonkvrouwen uit het geslacht Von Braun en Von Hertell uit het Meijerfeldtse fonds gefinancierd. (2)

Na het overlijden van de veldmaarschalk op 21 april 1800 in Stockholm, en zijn uitvaartdienst daar op 2 mei, besluit de Senaat van Stralsund niet op overkomst van zijn lichaam voor zijn begrafenis te wachten. In de raadsvergadering van 9 mei 1800 wordt besloten het testament uit het archief te halen en te ontzegelen. PommerEsche begint met zijn functie als executeur-testamentair. Op 15 juli vindt de begrafenis in Nehringen plaats.

In Pommeren ontdoet Louise zich zo snel mogelijk van het vermogen. Zij verkoopt het Rotermunder Haus in Stralsund in 1802 voor 12.300 thaler aan de Zweedse koning, die naar een zetel voor de gemeenteraden van de Pommerse landgoederen op zoek is. Diens vertegenwoordiger Carl Heinrich Ferdinand von Platen, heer van Silenz en Martensdorff op Rügen (1767-1819) legt in 1803 bij het Obergericht van Stralsund een lastig te doorgronden eis neer, namelijk erkenning door Louise en Turkse erven van zijn geërfde recht van eerste weigering.

Wat betreft Nehringen en Medrow draagt Louise haar vruchtgebruik over aan Essen, Borgenstierna en Debesche. Zij weten dat het van korte duur zal zijn, omdat de Zweedse koning heeft besloten geen leenheer meer te zijn. Hij verkoopt het voor 80.000 rijksdaalder aan de Duitse Landgraaf Georg Wilhelm IX, die het op zijn beurt  voor 120.000 rijksdaalder doorverkoopt aan kamerheer baron Philip Carl Ludwig Schoultz von Ascheraden (1756-1826). Het leenrecht is als allodiaal-erf overgegaan op de kinderen van de broers en zussen van Brita Barnekow, die hun recht hebben verkocht aan Johann Carl von Zimmermann uit Neubrandenburg. Bij deze ingewikkelde vermogensverschuivingen moet worden voorkomen dat er zich plotseling nog andere gerechtigden of schuldeisers aandienen. In die tijd is er geen Kadaster om op af te gaan, zodat titelonderzoek noodzakelijk is. Het Hofgericht van Greifswald roept daarom mogelijke schuldeisers, zelfs van de ruim 11 jaar eerder overleden Carl Friedrich von Meijerfeldt, op zich te melden. De oproep wordt enkele weken achtereen in de Noord-Duitse en Zweedse kranten gezet

Advertentie in Hamburgse kranten begin 1803

In Zweden buigt de Svea Hovrätt zich over de afwikkeling van de erfenis. Na de begrafenis in Nehringen worden transcripties en vertalingen gemaakt van alle relevante stukken, zodat 10 en 11 september het besluit tot executie kan vallen. Op 19 december 1800 stelt de Raad een uitgebreide financiële afrekening vast. Het gaat om de huizen in Stockholm, Näsby, Sundby en Ugerup, want de andere bezittingen waren eerder verkocht. Van elk landgoed wordt de waarde van het vastgoed gegeven en daarna een gedetailleerde lijst van roerende zaken als edelmetalen, glas, porselein, stoelen, bureaus, rijtuigen en veldgereedschap. Op Ugerup is een bibliotheek en hangen 12 portretten van de familieleden, waar overigens niet veel waarde aan wordt toegekend. Alle eigendommen zijn opgeteld 55.248 rijksdaalder waard. Louise laat Ugerup aan Christian Barnekow. Pas op het eind van haar leven verkoopt zij het restant van Sundby in 1816 en Näsby in 1817. (3) 

Na het overlijden van Louise vindt op 14 januari 1818 in Stockholm de veiling van de bibliotheek van graaf Johann August jr plaats. Het is een grote bibliotheek, met veel Franse boeken en met opvallend veel kaarten. Waarschijnlijk is dit de bibliotheek waar zijn broer Carl Friedrich aan begonnen was. Zeipel en Palmblad drukken in Uppsala de catalogus. (4)

Terug   ***   Verder

1. Testament van de heer veldmaarschalk graaf Von Meijerfeldt en zijn vrouw gemalin, inclusief alle daarna volgende uitvoeringsbesluiten.
2. M. Gritzner, “Handbuch der Damen-Stifter”, Frankfurt a.M. 1893, pag. 14-15. Handbuch für Neu-Vorpommern und das Fürstenthum Rügen, Stralsund 1907, pag. 62. De twee genoemde jonkvrouwen zijn Clementina Augusta/Alexandrina Vilhelmina Elisabeth, * 07-05-1843, dochter van Detlow Baltzar Joakim von Braun en Maria Charlotta Clementina von Wahrenberg, en Hilda Augusta Frederieka, * familielandgoed Plennin 19-07-1849, † vóór 1922, dochter van Carl Friedrich Wilhelm Hermann von Hertell en Clara von Zanthier.
3. Riksarkivet Sverige, 420422. Svea Hovrätt, 01. Adelige Bouppteckningar, EIXb/160. 1800, fol. 68-120.

4. S. Clason, C. af Petersen, “För hundra år sen. Skildringar och bref från revolutionsåren 1809—1810”, IV. Öfverceremonimästaren Leonhard von Hausswolffs bref 1809-1810 till grefve Nils Posse å Hellekis, Stockholm 1909,