3.7.8. Naamgenoten

Personen met een familienaam die voldoet aan één van de vele hier gehanteerde schrijfwijzen en die in de relevante tijd in Pommeren woonden verdienen aandacht. De volgende tijd- en naamgenoten zijn gevonden.

1736: Fremder Mann

Johann Meijerfeldt laat op 24 juli 1736 een kind dopen in de St. Jakobi kerk in Stralsund. Het is een zoon met de namen Georgius Richardus. Als getuigen staan vermeld Johann von Tieman, Hinrich Schlomann en de echtgenote van Adam Ehrenfried Reinke. (1)

Bij de vader staat “ein fremder man“. Dat zal niet betekenen dat hij kuren heeft, maar dat hij van buiten Pommeren komt. De moeder wordt niet genoemd, zoals zo vaak in die tijd. Omdat in de kantlijn “gratis” staat zullen vader en moeder onvermogend zijn. Van ouders, het kind en de doopgetuigen is verder hier geen informatie te vinden.

Met Johann Meijerfeldt dient zich een precieze naam-, plaats- en tijdgenoot van het Zweedse geslacht aan. Dat lijkt een voltreffer. Toch past het doopjaar niet goed, omdat graaf Johann August sr op dat moment 72 jaar oud is en Johann August jr 11 jaar. De toevoegingen “fremd” en “gratis” past evenmin. Bovendien staat Georg Richard in het kerkboek niet bij de onechte maar echte kinderen.

1743: Grimmen

Tussen 1770 en 1790 is Heinrich Meyerfeld scheepkapitein in Stralsund. Het kan zijn dat hij dezelfde is die in 1743 met de voornaam Hinr. als nieuwe burger van de nabij gelegen stad Grimmen wordt ingeschreven. (2)

Van beide personen is geen relatie te leggen met het Zweedse geslacht en met de hieronder te behandelen familie infanteristen, van wie een deel in de volgende eeuw in Grimmen woont.

1778: Burgemeestersdochter

Louisa Christina von Meijerfeldt trouwt op 16 maart 1778 in de St Marienkerk van Stralsund met Johann Carl von Kahlden, lui­tenant in Engelse dienst. Zij is de dochter van de overleden heer Anton von Meijerfeldt, gewezen burgemeester van Damgarten. (3)

De bruid is een precieze naam-, plaats- en tijdgenoot van het Zweedse geslacht, maar lijkt op twee punten een nog mooiere voltreffer dan de vorige. Met von” is de naamovereenkomst compleet en de twee graven kunnen met hun 57 resp. 53 jaar potentieel de vader zijn. Echter, de genoemde vader Anton blijkt tussen 1736 en 1754 inderdaad burgemeester te zijn van Damgarten, een havenstad aan de monding van de Recknitz, 40 km naar het westen aan de grens met Mecklenburg. Daar wordt zijn achternaam meestal met een extra “n” of “en” in het midden geschreven. Hij stamt waarschijnlijker af van de gelijknamige adellijke families in Wenen en Berlijn. Zijn zoon Carl deserteert tijdens de Pommerse Oorlog in 1761 met zijn paard bij Demmin uit zijn Zweedse eskadron en zijn zoon Johann werkt in 1764 en 1784 bij het tabaksbestuur van Damgarten. 

1791: Infanteristen

Een gezin Meijerfeldt komt vanaf 1791 in Stralsund en Greifswald wonen. Vader Johann Caspar was in 1774 op 20-jarige leeftijd vanuit Mecklenburg-Strelitz in de Zweedse havenstad Karlskrona aangemonsterd als huzaar bij het regiment Mörner. In de nabij gelegen havenstad Simrishamn was hij met Gertrud Johanna Lärka getrouwd en had bij haar in 1779 en 1785 zoons gekregen. In 1788 was hij dienst gaan doen als infanterist bij het Lijfregiment van de Koningin, dat vanuit Stralsund naar Malmö was overgebracht om deel te nemen aan de theateroorlog tegen Denemarken-Noorwegen, terwijl generaal Johann August von Meijerfeldt jr in Finland de verbonden Russen was aangevallen. In de rollen van beide regimenten staat Meijenfeldt of Meinfeldt bij Johann Casper, maar in de registers van Sinrishamn en Stralsund staat wel de “r”. Na de oorlog in 1791 steekt hij met zijn regiment en zijn gezin naar Stralsund over. Na drie jaar zwaait hij af en wordt nachtwaker. Op 10 november 1807 overlijdt Gertrud Johanna op het moment dat Frans-Hollandse troepen de stad bezetten en pas op 10 november 1830 Johann Caspar. (4)

De eerste zoon Joachim Andreas treedt op 10-jarige leeftijd als pupil in het regiment waarin zijn vader dient, promoveert tot soldaat en korporaal en is tijdens de Frans-Hollandse belegering van Stralsund bij de succesvolle grote uitval in het voorjaar van 1807. Hij wijkt met zijn regiment uit naar Malmö en keert na de overwinning op Napoleon terug naar Greifswald als tamboer van het regiment, totdat Voor-Pommeren overgaat naar Pruisen. Hij trouwt rond 1800 met Barbara Maria Klerk, bij wie hij drie kinderen krijgt. 

De andere zoon Johann Caspar volgt in Stralsund vanaf 1796 de weg van zijn oudere broer in dezelfde compagnie: zes jaar pupil en zes jaar soldaat. In 1807 wijkt hij niet uit naar Malmö maar geeft zich over op Rügen. In 1810 is hij terug als wapenmeester, daarna tamboer en zwaait 8 maart 1812 af. In Greifswald wordt hij burger en trouwt daar met Margaretha Elisabeth Gau uit Wolgast, die een onechte zoon uit 1812 meebrengt. Samen krijgen zij tussen 1816 en 1825 nog vier kinderen. Johann Casper overlijdt in Greifswald op 10 mei 1839.

Deze familie van infanteristen heeft dezelfde achternaam als het adellijke geslacht, leeft in de relevante periode en juiste omgeving en doet bovendien militaire dienst in hetzelfde Zweedse regiment. Toch is er verder geen verbinding met het adellijke geslacht gevonden. Omdat de oudst bekende naamgenoot in 1750 in het huwelijk trad, kan het zijn dat hij zich bij het kiezen van zijn achternaam door die van de net afgetreden en overleden Zweedse gouverneur-generaal heeft laten inspireren.

Terug   ***   Verder

1. Stadtarchiv Stralsund, St. Jakobi, Geburten 1736, Seite 716.
2. Album Civium Grimensium, Das Bürgerbuch der Stadt Grimmen, Verzeichnis Neubürger, d. h. Personen die nach Grimmen kamen und als Bürger aufgenommen wurden, oft mit Herkunft, 1707-1800, deel 1, pag. 3.
3. Stadtarchiv Stralsund, St. Marien, Trauungen 1778, Seite 110. Anton is tevens Stadtrichter, Secretarius en tabakshandelaar in Damgarten. In de laatste hoedanigheid verzoekt
het stadsbestuur van Stralsund in 1736 een tabaks- en kaartenfabriek te mogen stichten als uitzondering op het monopolie van de Kramer Kompagnie. Carl is in 1745 geboren en doet als soldaat nr. 41 dienst in het Zweeds eskadron Quillenstedt. Een kleinzoon kan zijn Johann von Meyernfeld die in 1796, 1801 en 1806 tweede luitenant in Pruisische dienst is, eerst in Erlangen in een compagnie jagers onder majoor Von Tümpling in de Ansbach-Bayreuthische Inspection onder luitenant-generaal Erfprins van Hohenlohe, daarna in Westfalen en in 1809 op verzoek afgedankt nadat zijn regiment jagers te voet is opgeheven in verband met de Franse bezetting.
4. Stadtarchiv Stralsund, St. Jürgenkirche, 1807 Seite 150, 1830 Seite 237. De opgegeven leeftijden van beiden zijn vergeleken met de Zweedse doopboeken en betaalsrollen veel te hoog.