3.1. Westerse herkomst

Wat is de oorsprong van de Baltische Meijers? Het zijn geen inheemse Lijven, Esten of Letgallen, het zijn geen Scandinavische of Slavische kolonisten en het zijn geen kruisridders of monnik-ridders. Dat kan gezegd worden vanwege de Germaanse duiding van hun achternaam, hun functies in dienst voor de Duitse Orde, hun afwezigheid op de diverse ridderlijsten en hun seculiere leven met vrouw en kinderen. Blijft over dat het kolonisten zijn die tussen 1201 en  1480 arriveren uit het noordwesten van het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie. Daar heten de beheerders van adellijke landgoederen meier en niet schulze.

In Lijfland zijn de Meijers leenmannen, vazallen of vrijboeren. Zij bezitten grond die horige inheemse boeren bewerken. Om hen te lokken genieten zij de eerste jaren vrijstelling van verplichtingen aan de landheer. Daarna hangen deze af van de omvang van hun landgoed (100 tot soms 1000 hectare). Aanvankelijk bestaan de vazallen uit enerzijds edelen en anderzijds ministerialen (dienstmannen), maar in de late middeleeuwen verwatert dit onderscheid. De vrijboeren (Landsassen) weten hun rechten vaak uit te bouwen tot erfgoederen (allodiale eigendom) en de ministerialen verwerven adellijke titels. De Meijers lijken een combinatie te vertonen. Omdat agrarische kolonisten moeilijk kunnen worden aangetrokken, wordt op de sociale landbouwstructuur van de inheemse bevolking gesteund, die aanvankelijk geen problemen heeft met de relatief lichte verplichtingen. Zij kunnen grote delen van de oogst behouden en moeten slechts een bescheiden militaire bijdrage leveren aan hervart (offensieve ondernemingen), lantwern (verdediging) en borchbuunge (fortificatie). Later zijn zij de grootste slachtoffers van honger, ziekte en geweld in hun gebied. (1)

Terug   ***   Verder

1. Jaan Kross, “Kolme katku vahel”, Tallinn 1985, vert. “Tussen drie plagen”, Amsterdam 2018.