2.1.5. Jeugd

Geboren   ***   Getogen   ***   Franse dienst

Carl von Meijenfeldt schrijft in zijn brief naar Helsingfors dat zijn vader in de stad Stralsund in 1760 geboren is, dat hij daar is opgevoed tot 1780 en dat hij daarna in Franse dienst trad. Om de herkomst van de vader te onderzoeken helpt het om deze drie beweringen te onderzoeken.

Geboren

Geboren in Stralsund kan betekenen de Altstadt of de omgeving. Een precieze datum in het jaar 1760 wordt niet genoemd. In de Kirchebuchkartei van de dopen in alle kerken in de Altstadt is zijn naam niet te vinden en ook niet in de Kirchenbuch van Glewitz (waaronder Nehringen en Medrow vallen). In de Nederlandse kerkboeken en betaalsrollen staat Stralsund wel als geboorteplaats, maar zijn geboortedatum wordt niet vermeld.

Zijn kinderen schreven een “Heilwensch” op zijn verjaardag, helaas eveneens zonder datum:

Heilwensch kinderen vanwege verjaardag J.A. von Meijenfeldt

Omdat er toen nog geen identiteitsbewijzen bestonden, staat in de archieven de leeftijd die betrokkenen zelf hebben opgeven. Uit de DTB-gegevens is het volgende te reconstrueren:

Document Geboortedatum
Inhoud Datum Opgegeven
leeftijd
Minimaal Maximaal
Ondertrouw C.M. Pieploo 04-12-1807 38 jaar 05-12-1768 03-12-1769
Doop Antonetta 14-07-1812 52 jaar 15-07-1759 13-07-1760
Overlijden Antonetta 14-06-1814 52 jaar 15-06-1761 13-06-1762
Overlijden Antonetta Juliana 07-01-1828 59 jaar 08-01-1768 06-01-1769
Overlijden Johan August 02-06-1835 74 jaar 03-06-1760 01-06-1761

Hieruit is een betrekkelijk korte periode te destilleren. De stamvader heeft als geboortedatum data opgegeven die tussen 3 juni en 13 juli 1760 vallen.

Getogen

Over de opvoeding of opleiding van Johan August tussen 1760 en 1780 zijn geen feiten gevonden.

Gelet op zijn latere beroep in Nederland is vermeldenswaard dat in zijn jeugd enorme eiken en dennen worden gekapt voor de scheepsbouw in Bassendorf (4 km ten noorden van Nehringen). De rivier de Trebel wordt bevaarbaar gemaakt om daar in opdracht van de havensteden Stralsund en Barth 17 grote schepen te bouwen en zuidoostwaarts via de Peene onder Greifswald in de Oostzee te laten uitkomen. Het is goed denkbaar dat hij bij de bouw betrokken is en na zijn twintigste verjaardag op één van de schepen de Oostzee uit vaart. (1)

Franse dienst

Gelet op de latere loopbaan van Johan August ligt het voor de hand als eerste naar de marine te kijken. In Pommeren bloeit op dat moment de economie en het leger vooral dankzij de zeevaart (havens, scheepsbouw, bemanning) onder neutrale Zweedse bescherming. Buitenlandse mogendheden doen Stralsund en Barth veelvuldig aan om zich te versterken met Pommerse schepen en bemanning. (2)

Oorlogsschepen moeten in de registers van nationale marines gezocht worden, niet in de tolregisters. Bij de Sonttol hoefde alleen tol voor handelswaar betaald te worden. In de Franse marine archieven is de naam van Johan August niet gevonden, maar bedacht moet worden dat daarin alleen officieren staan. (3)

Het is niet uit te sluiten dat Johan August op een kaperschip aanmonstert. Franse kapiteins uit Duinkerken voeren nogal eens het bevel op kaperschepen uit de Oostzee  – onder andere Stralsund – en laten zich inhuren door de Republiek om Engelse schepen te kapen. (4)

Door al deze verwikkelingen kan Johan August dus ook in Nederland terecht  zijn gekomen en achtergebleven. De archieven van de Nederlandse landmacht bevestigen dit niet. Of hij Revolutionair, Patriot of Oranjegezind was doet vermoedelijk niet ter zake, hij nam dienst waar geld te verdienen was. Op datzelfde moment koos de graaf in Zweden vóór Gustaaf III en tegen de Patriotten in Zweden. Hij speelde zelfs een beslissende rol in het neerslaan van hun opstand in Finland.

Een directe mogelijkheid van overgang van Franse in Nederlandse dienst is de “Expeditie op de Schelde”. Op 21 november 1792 vaart een Frans escadrille weg van Duinkerken de Westerschelde op, om het door de Oostenrijkers verdedigde citadel van Antwerpen over water in te sluiten. Nederland verbiedt de doorvaart met een beroep op de in 1648 afgesproken blokkade van de Schelde, maar het revolutionaire Frankrijk doet een beroep op het natuurrecht van vrij gebruik van internationale rivieren. De onderhandelingen leiden tot niets en al op 1 december vaart de escadrille de Westerschelde verder op, hoewel de Oostenrijkers zich al aan de Franse grondtroepen hebben overgegeven. Onder Murray schieten zes Britse schepen Nederland te hulp bij het tegenhouden van andere buitenlandse schepen. De radicale revolutionairen in Frankrijk onthoofden Lodewijk XVI op 21 januari 1793 en verklaren de oorlog aan de Engelse koning en prins Willem V van Oranje op 1 februari. De laatste besluit het op de Schelde liggende Franse escadrille aan te pakken. In de nacht van 20-21 maart roeit een zevental Nederlandse sloepen naar de voor anker liggende Franse kanonneerboot St. Lucie onder scheepsvaandrig Jean-Joseph Castagnier en een gaffelschip. Ondanks een zwaar Frans bombardement vanaf de forten Lillo en Liefkenshoek weet luitenant Wolterbeek de schepen te veroveren en naar Vlissingen te voeren met 57 gevangenen. De Nederlanders oefenen met de 14 buitgemaakte kanonnen. Zou Johan August tot de 57 Franse krijgsgevangenen hebben behoord en geeft hij instructies over het geschut? Dat zou zijn succesvolle aanmonstering bij de Amsterdamse Admiraliteit twee maanden later wel verklaren.

In de brief van Carl naar Helsingfors staat dat eerst de Franse periode en daarna de Nederlandse periode komt. Wisselde hij de perioden misschien om en doelde hij gewoon op de Napoleontische tijd? In 1805 veroveren Franse en Hollandse veldtroepen Stralsund. De Bataafse Republiek wordt een jaar later zelfs Koninkrijk Holland en een Franse satellietstaat. Dat vindt allemaal plaats vóór Carl’s geboorte. In dat geval komt dan wel de vraag naar boven wat Johan August tussen 1780 en 1793 in Nederlandse dienst heeft gedaan.

Terug   ***   Verder

1. “Bassendorfer Schiffe und ihre Fahrte”, Ostseezeitung.
2. M. Russel, “Swedish Pomeranian Shipping in the Revolutionary Age (1776–1815)”, Deutsche Forschungsgemeinschaft, projekt “Risikozähmung in der Vormoderne”, Ruhr Universität Bochum, Forum Navale 2012, pag. 65-103.
3. Brieven van Frits (Nk.3) aan Govert von Meijenfeldt (Na.4), ‘s-Gravenhage 18 november 1934 [CG-24] en van de Conserva­teur-Général Centre d’accueil et de recherche des Archives nationales (CARAN) van het Ministère de la Culture et de la Francophonie aan Hans von Meijenfeldt (Na.41) [CH-261]).
4. J.E. Korteweg, “Kaperbloed en koopmansgeest. ‘Legale zeeroof’ door de eeuwen heen”, Amsterdam 2006, pag. 260, en correspondentie met haar [CH-434]. Zie ook de correspondentie zonder resultaat met de Franse maritiem historicus Roberto Barazzutti [CH-436].

Terug   ***   Verder