2.1.5. In Franse dienst

In de brief van Carl von Meijenfeldt naar de Universiteit van Helsingfors staat dat zijn vader na de Stralsundse periode 1760-1780 in Franse militaire dienst treedt. Gelet op zijn latere loopbaan ligt het voor de hand naar de marine te kijken. In Pommeren bloeit op dat moment de economie en het leger vooral dankzij de zeevaart (havens, scheepsbouw, bemanning) onder neutrale Zweedse bescherming. Buitenlandse mogendheden doen Stralsund en Barth veelvuldig aan om zich te versterken met Pommerse schepen en bemanning. (1)

Oorlogsschepen moeten in de registers van nationale marines gezocht worden, niet in de tolregisters. Zo hoefde bij de Sonttol alleen tol voor handelswaar betaald te worden. In de Franse marine archieven is de naam van Johan August niet gevonden, maar bedacht moet worden dat daarin alleen officieren staan. (2)

Het is niet uit te sluiten dat Johan August op een kaperschip aanmonstert. Franse kapiteins uit Duinkerken voeren nogal eens het bevel op kaperschepen uit de Oostzee  – onder andere Stralsund – en laten zich inhuren door bondgenoot Nederland om Engelse schepen te kapen. (3)

Door al deze verwikkelingen kan Johan August dus ook in Nederland terecht  zijn gekomen en achtergebleven. De archieven van de Nederlandse landmacht bevestigen dit niet. Of hij Revolutionair, Patriot of Oranjegezind was doet vermoedelijk niet ter zake, hij nam dienst waar geld te verdienen was. Op datzelfde moment koos de graaf in Zweden vóór Gustaaf III en tegen de Patriotten in Zweden. Hij speelde zelfs een beslissende rol in het neerslaan van de opstand.

Een directe mogelijkheid van overgang van Franse in Nederlandse dienst is de “Expeditie op de Schelde”. Op 21 november 1792 vaart een Frans escadrille weg van Duinkerken de Westerschelde op, om het door de Oostenrijkers verdedigde citadel van Antwerpen over water in te sluiten. Nederland verbiedt de doorvaart met een beroep op de in 1648 afgesproken blokkade van de Schelde, maar het revolutionaire Frankrijk doet een beroep op het natuurrecht van vrij gebruik van internationale rivieren. De onderhandelingen leiden tot niets en al op 1 december vaart de escadrille de Westerschelde verder op, hoewel de Oostenrijkers zich al aan de Franse grondtroepen hebben overgegeven. Onder Murray schieten zes Britse schepen Nederland te hulp bij het tegenhouden van andere buitenlandse schepen. De radicale revolutionairen in Frankrijk onthoofden Lodewijk XVI op 21 januari 1793 en verklaren de oorlog aan de Engelse koning en prins Willem V van Oranje op 1 februari. De laatste besluit het op de Schelde liggende Franse escadrille aan te pakken. In de nacht van 20-21 maart roeit een zevental Nederlandse sloepen naar de voor anker liggende Franse kanonneerboot St. Lucie onder scheepsvaandrig Jean-Joseph Castagnier en een gaffelschip. Ondanks een zwaar Frans bombardement vanaf de forten Lillo en Liefkenshoek weet luitenant Wolterbeek de schepen te veroveren en naar Vlissingen te voeren met 57 gevangenen. De Nederlanders oefenen met de 14 buitgemaakte kanonnen. Zou Johan August tot de 57 Franse krijgsgevangenen hebben behoord en geeft hij instructies over het geschut? Dat zou zijn succesvolle aanmonstering bij de Amsterdamse Admiraliteit twee maanden later wel verklaren.

In de brief van Carl naar Helsingfors staat dat eerst de Franse periode en daarna de Nederlandse periode komt. Wisselde hij de perioden misschien om en doelde hij op de Napoleontische tijd? In 1805 veroveren Franse en Hollandse veldtroepen Stralsund. De Noordelijke Nederlanden worden een jaar later zelfs ingelijfd als Koninkrijk Holland binnen het Franse Keizerrijk. Dat vindt allemaal plaats vóór Carl’s geboorte. In dat geval komt dan wel de vraag naar boven wat Johan August tussen 1780 en 1793 in Nederlandse dienst heeft gedaan.

 

1. M. Russel, “Swedish Pomeranian Shipping in the Revolutionary Age (1776–1815)”, Deutsche Forschungsgemeinschaft, projekt “Risikozähmung in der Vormoderne”, Ruhr Universität Bochum, Forum Navale 2012, pag. 65-103.
2. Brieven van Frits (Nk.3) aan Govert von Meijenfeldt (Na.4), ‘s-Gravenhage 18 november 1934 [CG-24] en van de Conserva­teur-Général Centre d’accueil et de recherche des Archives nationales (CARAN) van het Ministère de la Culture et de la Francophonie aan Hans von Meijenfeldt (Na.41) [CH-261]).
3. J.E. Korteweg, “Kaperbloed en koopmansgeest. ‘Legale zeeroof’ door de eeuwen heen”, Amsterdam 2006, pag. 260, en correspondentie met haar [CH-434]. Zie ook de correspondentie zonder resultaat met de Franse maritiem historicus Roberto Barazzutti [CH-436].