1.5.3. Beenbreuk en vrieskou

De brief die Johan August via een monnik naar Lewenhaupt stuurt bereikt hem op 15 september 1708. Namens de koning maant hij hem tot grote spoed. Dat is niet overbodig. De zware trein van voedsel en artillerie gaat niet snel door de moerassen. Lewenhaupt is  minder doortastend dan de koning, Stenbock en Meijerfeldt en gunt zijn leger veel pauzes van een week. (1) Omdat Karel XII na twee maanden wachten was doorgereisd en op diezelfde dag aan zijn mars zuidwaarts is begonnen raakt Lewenhaupt nog verder van de hoofdmacht verwijderd en merkt dat tsaar Peter de Grote het met zijn belangrijkste generaals nu eerst op hem gemunt heeft.

Op 28 september komt Carl Fredrik bij Lewenhaupt in Lesna (Lesnaja) aan. Hij krijgt meteen het bevel om met een voorhoede van 800 man de mars van het Zweedse konvooi voort te zetten. Om 16:00 uur vertrekt hij, maar stuit nog geen uur later bij Propoisk op Russen, die het op een schieten zetten. De verkenningseenheid meldt dat het om een grote troepenmacht gaat, maar in werkelijkheid zijn het maar 1000 man, om de doorgang te blokkeren. Dat lukt, want het Zweedse convooi komt door het overdreven bericht tot stilstand.  

Nu acht Peter de Grote de tijd rijp voor zijn eerste veldslag sinds Narva. Hij heeft ruim twee keer zoveel manschappen als de Zweden, die deels ook nog eens de trein van 4500 wagens moeten beschermen.  Bij  Lesna woedt de veldslag van 11:00 tot 19:00 uur, vergezeld van een sneeuwstorm zo vroeg al in het seizoen. Waar Karl Fredrik vecht is lastig te achterhalen. De veldslag blijft onbeslist, maar onder dreiging van een voortzetting van de strijd ziet Lewenhaupt zich gedwongen het grootste deel van het voedsel te verbranden en de artillerie te begraven. Veel Zweedse soldaten zetten het op een drinken of deserteren. Zonder konvooi en op paarden weet het restant van de Zweden de mars in een veel hogere snelheid voort te zetten, maar komt feitelijk met lege handen bij koning Karel XII aan. (2)

Intussen is de Zweedse hoofdmacht al ver Oekraïne in getrokken. Op 23 november staat Johan August enige weken met enkele regimenten in de voorstad van Romny, ter voorbereiding van het Zweedse winterkwartier. Als hij naar Lochvitsa wil doorstoten raakt hij in een hard gevecht verwikkeld met graaf Wolkonski, die hij tenslotte een behoorlijk verlies kan toebrengen. Kort nadat hij zijn mars heeft voortgezet valt Johan August van zijn paard en breekt een been.

Oprechte Haarlemsche Courant 02-04-1709

Oprechte Haarlemsche Courant, 2 april 1709, voorpagina

Omdat hij hierdoor voor de winter toch als actief officier is uitgeschakeld, zou hij aan de tsaar om een reispas hebben gevraagd, teneinde ongehinderd door Polen te kunnen reizen en in Duitsland zijn been tot genezing te laten komen. (3) Van een dergelijke reis komt echter niets.

De winter van 1708-1709 is de strengste sinds mensenheugenis. In heel Europa vriezen rivieren en zelfs zeeën dicht. Deze winter maakt meer slachtoffers onder de Zweden dan de Moskovieten tot dusverre hebben kunnen toebrengen. Schildwachten vriezen dood, duizenden soldaten hebben bevroren ledematen. Peter de Grote verergert de ellende, door Karel XII te verleiden uit het behaaglijke winterkwartier in Romny weg te trekken naar de Russische hoofdmacht bij Gad’ac, waar de Russen zich tijdig terugtrekken. Woedend besluit de koning tot een haast onmogelijke bestorming van de vesting Veprik. De slotcommandant geeft opdracht vooral op de voorste linies te schieten, waardoor Johan August de belangrijkste officieren uit zijn regiment kwijtraakt. Zijn oudere broer Carl Fredrik wordt bevorderd tot kolonel van het uitgedunde Österbotten regiment.

In het voorjaar trekt het Zweedse leger nog zuidelijker, naar het gebied langs de rivier de Vorskla, een zijrivier van de Dnjepr. Johan August blijft bij zijn regiment, zoals bij Borki (begin maart), bij Kurpi (7 april), bij Budysji (25 april) en Moljatitji (als hij werkloos moet toezien hoe een groep Zweden een mijl verderop wordt ingesloten). Opnieuw dringen Piper en enkele officieren aan op een terugtocht naar Polen, maar Karel XII wil daar niets van weten. Hij zoekt een bondgenootschap met de Zaporozje-Kozakken en Krim-Tataren, terwijl hij de Poolse koning Stanislaus en het achtergebleven Zweedse leger in Polen opdracht geeft naar de Oekraïne op te marcheren.

Half genezen neemt Johan August begin mei weer aan de gevechten deel. Hij verjaagt de vijand bij Sorrotzin, brandt de voorstad plat, voert gevangen Kozakken naar Lydno en proviand naar Lukowitz. (4) Op 8 mei 1709 steekt de Moskovische opperbevelhebber Mensjikov met 40.000 man de rivier de Vorskla over, verslaat twee Zweedse regimenten en bedreigt er vier in de stad Oposn’a. Meijerfeldt krijgt opdracht met het halve Zweedse leger te hulp te schieten. Hij arriveert om ongeveer 9 uur, ziet de vijand rond de stad gelegerd en rukt op in slagorde. Zonder enige tegenstand te bieden marcheren de Moskovieten zo snel zij kunnen terug over de bruggen, die zij over de rivier hadden geslagen. (5)

Johan August zet geen achtervolging in, omdat hij vanwege zijn blessure niet in staat is in galop te rijden. Van zijn offerbereidheid in die tijd geeft hij zelf hoog op: (6)

obgleich nicht stehen nicht gehen könte der Gen: Major Meijerfelt, sondern sich zu Pferde heben laßen muste, wahr er doch mit. Wie er den allemahl, wan waß vorfiel, ungeacht seines schwerer Accidence sich doch allemahl badey einfant und so viel möglich Seine Dienste offerirte, so allen so dahmahls mit gewesen nicht unbekant.

Maar ook de koning prijst zijn doorzettingsvermogen ondanks zijn ziekelijke toestand. (7) Dankzij de bemiddeling van de Pruisische minister graaf Dohna zou hij overigens uiteindelijk in juni zijn reispas hebben gekregen. (8)

 

1. R. Petre & C.M. Posse, “Dagböcker”, KKD deel 1, Lund 1901, pag. XXI.
2. Hallendorff, “Karl XII och Lewenhaupt år 1708”. Uppsala Universitets Årsskrift 1902:3, pag. 140-141. P. From, “Katastrofen vid Poltava”, Lund 2007, pag. 83.
3. M. Ranft, “Die Merkwürdige Lebensgeschichte derer vier berümten Schwedischen Feldmarschalle, Grafen Rehnschild, Steenbock, Meyerfeld und Dücker”, deel 3, “Leben und Thaten des Feld-Marschalls Graf Meyerfeld” , Leipzig 1753, pag. 316-317. In zijn roman “Carolus Lex” overdrijft E. Brunner dat Meijerfeldt beide benen breekt.
4. Grefwe Bref för K: Rådet, Generalen och Gen: Gouverneuren, Johan August Meijerfeldt, Demotica, 3 maart 1714, folio 152v. Riksarkivet Stockholm, Riksregistraturet.
5. A.  Åberg, “Karlolinska Dagböker, J.M. Lyth”, Stockholm 1958, pag. 83.
6. Villius, idem.
7. Grefwe Bref, folio 153.
8. D.N. von Siltmann, “Dagbok”, KKD, deel 3, Lund 1907, pag. 312. G. Adlerfeld, “Histoire Militaire de Charles XII, Roi de Suède”, Amsterdam 1730, deel 4, pag. 89.