1.2.2. In de adelstand

Na zijn afdanking uit het Zweedse leger besluit Anders Meijer de Oostzee over te steken naar Riga,  de tweede hoofdstad van het rijk. Daar huwt hij kort daarop Anna Catharina Wulf, dochter van muntmeester Mårten Wulf en Ursula Marqvard.

Anders wordt hoofdinspecteur op de vesting Oberpahlen (Põltsamaa, tussen Tallinn en Tartu) in dienst van de Zweedse gouverneur-generaal. Hij start daar eind 1662 in opdracht van zijn vroegere pupil Wolmar Wrangel. (1)

1.1.6. Oberpalen De burcht Oberpalen

Anders en Anna Catharina krijgen op Oberpahlen drie zoons: Carl Fredrik (1662), Johan August (1664) en Wolmar Johan (1667).

De nieuwe Zweedse koning Karel XI brengt geen vrede maar trekt in 1674 ten strijde tegen Branden­burg onder druk van zijn Franse bondgenoot Lodewijk XIV. Zoals gebruikelijk verheft hij trouwe onderdanen in de adelstand om hen dichter aan het koninkrijk te verbinden. Dat overkomt Anders Meijer ook, hoewel hij niet in het leger terugkeert. De nieuwe naam Meijerfeldt en de adeldom gelden niet alleen voor hemzelf, maar ook voor diens zoons, de dan 12-jarige Carl Fredrik, 10-jarige Johan August en 7-jarige Wolmar Johan.

De bevelhebber van het Zweedse leger is weer Carl Gustaf Wrangel, die via Uckermark opmarcheert. Als hij in 1675 ziek te bed ligt neemt zijn halfbroer Wolmar Herman Wrangel de leiding over. Hij buit de plaatselijke bevolking op een gruwelijke manier uit. De Zweedse troepen worden het jaar daarop bij Fehrbellin verslagen en weten na enkele zware oorlogsjaren nog maar net de uitgangssituatie van 1674 te behouden. (2)

Op 13 augustus 1678 zou Anders Meijerfeldt tot appelrechter zijn benoemd, maar hij wordt waarschijnlijk verward met een in die tijd ook in Lijfland levende Andreas Meijer (3). De laatste berichten van Anders zijn afkomstig van Reval in de periode 1680-1683, van waaruit hij brieven schrijft aan Johan Rabel, de secretaris van gouverneur-generaal Otto Wilhelm Königsmarck. Het tijdstip van zijn overlijden moet tussen 1682 en 1687 liggen. Zijn weduwe Anna Catharina Wolff woont tot de val van Riga in 1710 nog in Lijfland en komt via Zweden uiteindelijk op de Pommerse landgoederen van haar zoon Johan August terecht, waar zij op 21 juni 1725 wordt begraven.

Op 17 maart 1680 (Pasen) koopt Anders voor 16.000 Taler het landgoed Sall (Salla), kierchspiel St. Simonis (Simuna), kreis Wierland (Viruma) van luitenant en hakenrichter Reinhold von Wrangel. Laatstgenoemde voert in 1682 allerlei rechtzaken, onder andere tegen landrechter Bernhard Schulman wegens onbevoegde tussenkomst waardoor de verkoop van Sall aan Anders en twee anderen verhinderd was, maar Wrangel beschuldigt Anders er ook van geen kooppenningen te hebben betaald en alle koren van het veld te hebben afgesneden en naar zijn eigen landgoed Lustifer (Lustivere, vlakbij Oberpalen) te hebben laten afvoeren. In de rechtszitting van 20 maart 1682 slaagt Wrangel niet in zijn bewijs.

 

1. H. Gillingstam in Nilzén, “Svenskt Biografiskt Lexikon”, Stockholm 1986, pag. 470. Volgens L.W. Munthe, “Kungl. Fortifikationens historia”, Stockholm 1916, deel VI:1, pag. 447-448, start Anders daar pas eind 1665 in opdracht van de weduwe gravin Maria Sophia Oxenstierna, gehuwd De la Gardie.
2. A.W. Hupel, “Herrn J.B. Fischer’s Beyträge und Berichtigungen zu Hernn F.K. Gadebusch livländischer Bibliothek”, deel 4, Riga 1782, pag. 103-104. A.W. Hupel, “Nachrich­ten von Liv- und Esthland”, deel III, pag. 521. J.F. von Bohlen, “Die Erwerbung Pommern durch die Hohenzollern”, Berlin 1865, blz. 59. Vermoedelijk in navolging van deze bron R. Marsson, “Die Schwe­dischen General­statthalter in Stralsund”, Stralsundische Zeitung 9-9-1923. Een aanbeveling voor hem staat al in een brief van 01-07-1646 van Axel Oxenstierna aan Gabriel Bengtsson Oxenstierna, Kansli original in Tuarte Historiska Arkivit 278-1-XVIII:14).
3.
A.C. Meurling, “Svensk domstolsförvaltning i Livland 1634-1700”, Lund 1967, pag. 132-133. Zij maakt bovendien de fout Anna Christina Hastfer als diens moeder in plaats van schoondochter te presenteren. Zie ook Gillingstam (noot 1).