1.2.7. In de adelstand

Na zijn afdanking uit het Zweedse leger steekt Anders Meijer de Oostzee over naar Riga,  de tweede hoofdstad van het rijk. Daar huwt hij kort daarop Catharina Wulf, dochter van Mårten Wulf (1580-1633) en Ursula Marquard (1595-1639). Wulf is de muntmeester in Riga, die zich het beste laat vergelijken met de directeur van de nationale bank tegenwoordig. Hij was ook één van de stadsbestuurders die de overgave van Riga onderhandelde toen de Zweedse koning Gustaaf Adolf in 1621 aan de poorten stond.

Van Catharina is maar één geboortejaar bekend en dat is 1615. Er zijn ook aanwijzingen voor een iets geloofwaardiger jaartal 1630. (1) In 1660 is zij al tweemaal weduwe, van Herman Rötelsdorff (1600-1658), bij wie zij twee dochters had, en advocaat Johann Christoff von Kirstein, die enkele maanden na het huwelijk op 26 augustus 1659 al overleed.

Anders blijft niet in Riga maar wordt hoofdinspecteur op de vesting Oberpahlen (Põltsamaa, tussen Tallinn en Tartu) in dienst van de Zweedse gouverneur-generaal. Hij start daar eind 1662 in opdracht van zijn vroegere pupil Wolmar Wrangel. (2)

1.1.6. Oberpalen De burcht Oberpalen

Anders en Anna Catharina krijgen vier zoons:  Hendrik (1660, nog in Riga), Carl Fredrik (1662), Johan August (1664) en Wolmar Johan (1667).

Het jaar 1672 staat in Nederland bekend als het Rampjaar, in Zweden als het jaar dat koning Karel XI meerderjarig wordt. Hij zit vast aan een overeenkomst van de hem vijandig gezinde Rijksraad om 16.000 man te leveren in Duitsland in geval koning Lodewijk XIV Nederland zou binnenvallen. Uiteindelijk komt hij daardoor in 1674 in Branden­burg terecht. Hij verheft trouwe onderdanen in de adelstand om hen dichter aan het koninkrijk te verbinden. Dat overkomt Anders Meijer ook, hoewel hij niet in het leger terugkeert. De nieuwe naam Meijerfeldt en de adeldom gelden niet alleen voor hemzelf, maar ook voor diens zoons, de dan 12-jarige Carl Fredrik, 10-jarige Johan August en 7-jarige Wolmar Johan. De oudste zoon Hendrik zou 14 jaar zijn geweest, maar hij wordt niet meer genoemd en zal jong overleden zijn.

De bevelhebber van het Zweedse leger is weer Carl Gustaf Wrangel, die via Uckermark opmarcheert. Als hij in 1675 ziek te bed ligt neemt zijn halfbroer Wolmar Herman Wrangel de leiding over. Hij buit de plaatselijke bevolking op een gruwelijke manier uit. De Zweedse troepen worden het jaar daarop bij Fehrbellin verslagen en weten na enkele zware oorlogsjaren nog maar net de uitgangssituatie van 1674 te behouden. (3)

Op 13 augustus 1678 zou Anders Meijerfeldt tot appelrechter zijn benoemd, maar hij wordt waarschijnlijk verward met een in die tijd ook in Lijfland levende Andreas Meijer (4).

Op 17 maart 1680 (Pasen) koopt Anders voor 16.000 Taler het landgoed Sall (Salla), kierchspiel St. Simonis (Simuna), kreis Wierland (Viruma) van luitenant en landdrost (hakenrichter) Reinhold von Wrangel. Laatstgenoemde voert in 1682 allerlei rechtzaken, onder andere tegen landrechter Bernhard Schulman wegens onbevoegde tussenkomst waardoor de verkoop van Sall aan Anders en twee anderen verhinderd was, maar Wrangel beschuldigt Anders er ook van geen kooppenningen te hebben betaald, alle koren van het veld te hebben afgesneden en naar zijn eigen landgoed Lustifer (Lustivere, vlakbij Oberpalen) te hebben laten afvoeren en tenslotte de koop te hebben ontbonden. In de rechtszitting van 20 maart 1682 slaagt Wrangel niet in zijn bewijs. (5)

De laatste berichten van Anders zijn afkomstig van Reval (Tallinn) in de periode 1680-1683, van waaruit hij brieven schrijft aan Johan Rabel, de secretaris van gouverneur-generaal Otto Wilhelm Königsmarck. Hij is vóór 21 maart 1687 overleden, omdat “Overinspector Meyerfelds Wittwen” staat op een schuldeiserslijst van die datum in de Sall-kwestie. (6)

 

1.  Pastor J.G. Schweder (1790-1833) volgens E. Seuberlich (1882-1946), geciteerd in K. Kulbach-Fricke, “Familienbuch Riga“, pag. 2943.
2. H. Gillingstam in Nilzén, “Svenskt Biografiskt Lexikon”, Stockholm 1986, pag. 470. Volgens L.W. Munthe, “Kungl. Fortifikationens historia”, Stockholm 1916, deel VI:1, pag. 447-448, start Anders daar pas eind 1665 in opdracht van de weduwe gravin Maria Sophia Oxenstierna, gehuwd De la Gardie.
3
. A.W. Hupel, “Herrn J.B. Fischer’s Beyträge und Berichtigungen zu Hernn F.K. Gadebusch livländischer Bibliothek”, deel 4, Riga 1782, pag. 103-104. A.W. Hupel, “Nachrich­ten von Liv- und Esthland”, deel III, pag. 521. J.F. von Bohlen, “Die Erwerbung Pommern durch die Hohenzollern”, Berlin 1865, blz. 59. Vermoedelijk in navolging van deze bron R. Marsson, “Die Schwe­dischen General­statthalter in Stralsund”, Stralsundische Zeitung 9-9-1923. Een aanbeveling voor hem staat al in een brief van 01-07-1646 van Axel Oxenstierna aan Gabriel Bengtsson Oxenstierna, Kansli original in Tuarte Historiska Arkivit 278-1-XVIII:14).
4.
A.C. Meurling, “Svensk domstolsförvaltning i Livland 1634-1700”, Lund 1967, pag. 132-133. Zij maakt bovendien de fout Anna Christina Hastfer als diens moeder in plaats van schoondochter te presenteren. Zie ook Gillingstam (noot 1).
5. Leutnant und Hakenrichter Reinhold Wrangell zu Sall (Salla, Simuna khk) Kirchspiel St. Simonis contra Mannrichter Bernhard Schulmann betreffend Schadenersatz wegen unbefugter Beisprache, durch welche der Verkauf des Gutes Sall an Oberinspektor Andreas Meyerfeld, Kapitän Martin Buschau und Leutnant Friedrich Tielen verhindert wurde; Hakenrichter Reinhold Wrangell zu Sall (Salla, Simuna khk) Kirchspiel St. Simonis contra Ober-Inspektor Andreas Meyenfeld betreffend eigenmächtigen einseitigen Rücktritt des Beklagten von dem vereinbarten Kauf des Gutes Sall (Nationaal Archief Estland, EAA.858.2.3822 e.v.).
6. Erkenntniss des Oberlandgerichts in Sachen der Creditoren des Reinhold Wrangell von Sall, “sel. Overinspector Meyerfelds Wittwen 425 Rthlr. 27½ wrstk. in spec. Capital u. 136 Rthlr. Interessen”, gepubliceerd in “Ehst- und Livländische Brieflade. Ein Sammlung von Urkunden  zur Adels- und Gütergeschichte (…)”, deel 2.2 Zweedse tijd, Reval 1861, nr. 912, pag. 925.