1.1.9. Anders, hoofd inspecteur Oberpahlen

Anders is de zoon van Johan Meijer uit Festen (Vestiena) en Dorotea Johansdotter von Taube uit het huis Fier. Net als zijn vader komt hij uit Festen, maar daarnaast ook uit Laisholm (Laiuse, Jõgeva, Estland).

Het geboortejaar van Anders in onbekend. Hij is volwassen als hij in 1654 in dienst treedt van de gouverneur-generaal van Zweeds-Pommeren, graaf Carl Gustaf Wrangel (1613-1676). Zijn achternaam is verzweedst en is dan één van de grootste legerleiders en staatsmannen van Zweden. Meijer wordt door Wrangel aangesteld als hofmeester bij diens halfbroers baron Johan Fredrik (14 jaar) en Wolmar Herman Wrangel (13 jaar). Hij begeleidt hen naar de Duitse universiteit van Tübingen (40 kilometer ten zuiden van Stuttgart), waar vandaan hij zijn opdrachtgever regelmatig schriftelijk op de hoogte stelt van de studievorderingen van de broers. De brieven worden getekend met zijn voornaam: Anders of Andreas. (1)

In 1655 treedt Meijer met de gebroeders Wrangel in Zweedse krijgsdienst, om deel te nemen aan de door de nieuwe Zweed­se koning Karel X Gustaaf voorgenomen gevechtshandelingen. In de periode 1654-1660 voert deze oorlog met Polen. Midzo­mer 1655 wordt de grens van Pommeren en Lijfland overschreden. Polen wordt bij War­schau overwon­nen. De omliggende Europese staten Rusland, Pruisen, Nederland en Denemarken verzetten zich met succes tegen deze verstoring van het Noord-Europese machtsevenwicht.

Vanuit Tübingen valt er uiteraard weinig te doen, te meer daar het front in het oosten ligt. Dit verhindert niet dat Meijer in 1656 tot ingenieur in het Zweedse leger wordt benoemd. Hij is ingedeeld bij de belangrijke genie-officier Erik Dahlberg, die later als gouverneur-generaal van Lijfland opnieuw zijn superieur zal worden.

Juni 1657 verplaatst het front zich via Pommeren en Mecklenburg naar Holstein. Het toeval wil dat Meijer juist op dat moment met de baronnen Wrangel vanuit Tübingen de thuisreis heeft aanvaard. Op de Lünenburger Heide in de buurt van Hamburg raakt het drietal in Deense gevangenschap en wordt naar de nabij gelegen havenstad Glückstadt gevoerd. Op 25 juni schrijft Meijer een brief aan graaf Wrangel over de gebeurtenissen. (2)

Tijdens zijn gevangenschap ziet Meijer kans een tekening van de vesting te maken, die hij – samen met een veroveringsplan – naar koning Karel X in Wismar weet te smokkelen. De koning keurt het plan goed, maar kan het niet in uitvoering brengen vanwege de invallende, uitzonderlijk strenge winter en de geringe beweeglijkheid van zijn troepen. Die strenge winter brengt hem wel de zege, want hij loopt met zijn troepen over de Kleine en Grote Belt en omsingelt Kopenhagen, waardoor de Deense koning begin 1658 een voor hem ongunstige Vrede van Roskilde moet sluiten.

Vermoedelijk ten gevolge van de vrede keert Meijer terug naar het Zweedse kamp. De Zweedse koning bevordert Meijer tot overste (waardoor hij de genie verlaat), krijgt een eregeschenk en wordt verzekerd van verdere koninklijke gunsten. In 1660 volgt zijn afgedanking uit het leger, nadat door de dood van Karel X een meer duurzame vrede kan wor­den gesloten met de vele vijandelijke buurlanden en met de Nederlandse Republiek, die Denemarken had gesteund in verband met de handelsbelangen op de Oostzee.

Zweden heeft Riga tot haar tweede hoofdstad gemaakt. Anders Meijer besluit de Oostzee over te steken naar Lijfland. Hij huwt daar rond 1660 Anna Catharina Wulf, dochter van muntmeester Mårten Wulf en Ursula Marqvard. Zij krijgen drie zoons: Carl Fredrik (1662), Johan August (1664) en Wolmar Johan (1667).

In Lijfland wordt Anders hoofdinspecteur op de vesting Oberpalen (Põltsamaa, op de weg van Tallinn naar Tartu) in dienst van de Zweedse gouverneur-generaal. Volgens de meeste bronnen sinds eind 1662 over de goederen van zijn vroegere pupil Wolmar Wrangel, volgens een andere sinds eind 1665 over de domeingoederen van de weduwe gravin Maria Sophia Oxenstierna, gehuwd De la Gardie. (3)

1.1.6. Oberpalen De burcht Oberpalen

 

1. A. Losman, “Carl Gustaf Wrangel och Europa”, Stockholm 1980, pag. 49 (brieven van 12 september en 10 november 1654).
2. Losman, pag. 49. De brieven die Meijer in de periode 1654-1657 aan graaf Wrangel schreef bevinden zich in het Riksarkivet Stockholm, Skoklostersamlingen, E8200 en E8420.
3. H. Gillingstam in Nilzén, “Svenskt Biografiskt Lexikon”, Stockholm 1986, pag. 470 versus L.W. Munthe, “Kungl. Fortifikationens historia”, Stockholm 1916, deel VI:1, pag. 447-448.